Donderdag 20 juli 1578. Gisterenavond, met het sluiten van de poort waren uit Brugge vertrokken François de la Kethulle, de heer van Ryhove, Uutenhove en nog enige andere edellieden van Gent bij zich. Ze werden begeleid door vier- à vijfhonderd kloeke en onversaagde soldaten-voetgangers en enkele ruiters. Bij hen had zich een grote groep rapaille gevoegd die hoopte van overal te kunnen binnenbreken in de kerken of kloosters en daar te stelen en te roven.
Deze grote hoop volk had de hele nacht gestapt en bleef nu stil staan voor herberg ‘De Kat’ aan de Menenpoort waar de mannen bleven wachten tot dat de verraders die binnen waren in Ieper-stad de stadspoorten zouden geopend hebben. Het was 4u toen de bezanter – de stadsportier – de poort opende. Toen de poort eenmaal ontsloten was, kwam een zekere Jacobus van der Mersch bij hem, een man die in de stad voor een zeer eerlijk figuur gehouden werd. Hij vertelde hem dat het voldoende was dat het slot en de grendels ontsloten waren en dat hij nu naar huis mocht gaan omdat hijzelf de poort wel zou opendoen.
De portier die geen kwaad vermoedde omdat van der Mersch hem welbekend was en omdat die al twee jaar onderschepen was in Ieper, gehoorzaamde hem en keerde terug naar huis, dat was in het bezant waarom hij ook bezanter genoemd werd. Ondertussen gaf Jacobus van der Mersch een gulden aan de wachters om wat brandewijn te gaan drinken.
Daarom gingen alle wachters binnen in het wachthuis om te profiteren van deze gift. De stadspoort werd nu enkel nog bewaakt door een zekere Olivarius van Staen met nog twee of drie van zijn kompanen. Jacobus wilde alle wantrouwen wegwerken en stapte tot bij de stadspoort terwijl hij veinsde om die met de grendel terug te sluiten, maar daarbij de grendel wegschoof van het grendelgat zodat de poort gesloten leek te zijn, was die in werkelijkheid nu ontsloten. De wachters dronken lustig brandewijn op de gezondheid van schepen Joannes Bey die men ook altijd voor een degelijk man aanzien had.
Maar die Joannes Bey was buiten de stad gebleven om de geuzen van Gent te verwelkomen en om hen van de toestand te onderrichten. Hij had op een wagen twee vierkante balken doen leggen om de valpoort vast te zetten zodat die niet kon neervallen. Op deze wagen zette men zes of zeven mannen in hun wit hemd gekleed. Deze reden vooruit en plaatsten de balken onder de tanden van de valpoort. Joannes Bey die bemerkte dat deze opdracht volbracht was, riep nu met luide stem dat de ruiters in de stad mochten komen.
Een huurling die aan de poort de wacht hield, werd met het scherp van de hellebaard door de strot gestoken waardoor hij zijn taak met het leven bekocht. Dit volk ging nu in rijen door de Ieperse straten naar de Grote Markt. Hun strijdkreet was ‘Oranje en Gent’. Ze deden niemand enige hinder maar zegden eenparig dat niemand de wapens mocht opnemen omdat niemand een haar op het hoofd zou geschaad worden.
Zoals ook zo gebeurd was, met uitzondering van een meisje dat uit nieuwsgierigheid in een raamopening lag. Toen ze vermaand werd, wilde ze niet direct plaats ruimen, tot er … geschoten werd.. Aanstonds werd de Grote Markt met soldaten bezet. De bezanters namen de vlucht omdat ze maar schaars in getal waren en zich tegen zo een grote menigte niet konden verdedigen. Een deel liep naar het kerkhof van Sint-Jacobs waar het huis van kapitein Simon Uyttenhove was. Die lag nog in zijn bed en sliep. Immers; indien hij wakker was geweest dan zouden er ongetwijfeld een deel mensen van het gemeen hun leven gewaagd hebben. Maar aangezien hij onverwacht werd opgepakt zonder dat iemand er bij was om hem bij te staan, werd hij gevangen geleid naar de huis van juffrouw van der Clytte op de Grote Markt, genaamd het ‘Wanneken’.
Ondertussen werd zijn woning leeggeplunderd en afgebroken. De ruiters van de kapitein die bij hem woonden, werden ook beroofd van alles wat ze in huis hadden. Die plundering werd gedaan door een hoop rapaille afkomstig uit Menen, Kortrijk, Wervik, Halewijn en andere omliggende plaatsen.
Mannen die allemaal samen afgekomen waren. Het kleinste deel van de roof zou daarom voor de soldaten zelf zijn. Van daar waren ze van het ene klooster naar het andere gelopen, zowel dat van de vrouwen als van de mannen waar ze niets heel hadden gelaten. Met uitzondering van alles wat hen te zwaar of te heet was. Onder al de geestelijken werden de minderbroeders het meest overvallen omdat men hen beschuldigde van een zonde die in onze Vlaamse taal geen eigen naam had maar voor de geuzen zo’n grote misdaad was om aan de eerlijke religieuzen aan te wrijven als alibi voor hun onrechtvaardige boosaardigheid met dewelke ze hen behandelden.
Maar ze stoorden zich daar niet aan want ze wisten dat de eerste christenen onder de heidenen geen kleinere lasteringen en vervolgingen hadden moet lijden. In de Sint-Maartenskerk hadden ze al de altaarstukken geschonden en al de kostelijke kerksieraden van kelken, relikwiekasten, kandelaars, kazuifels, echt alles wat een duit waard was, werd weggedragen.
Ze kwamen in de kerk toen de kanunniken bezig waren met de gemeten te zingen. Hun onverwachte aankomst veroorzaakte zo veel schrik dat de blije en aangename zang in de kerk veranderde in een droevig gekerm. De geuzen zongen tot spot van de geestelijken diverse infame of eerloze liedjes, op straat en in de herbergen en ze waren nooit vrolijker dan als er een liedje over de papen gezongen werd. De huizen van de priesters die men voor verraders uitschold, werden allemaal geplunderd.
Dit is een fragment uit Boek 1529-1599 van De Grote Kroniek van Ieper


