banner
aug 2, 2025
204 Views
Reacties uitgeschakeld voor Bezoek van de Amerikaanse president

Bezoek van de Amerikaanse president

Written by
banner

Vrijdag 20 juni 1919. Dag De Amerikaanse president Wilson zou vermoedelijk tevreden geweest zijn over zijn ontvangst in België. Onmiddellijk na zijn aankomst en de ontvangst in Adinkerke vertrokken de auto’s naar de Vlaamse slagvelden. In de eerste auto bevonden zich onze koning en president Wilson. Vervolgens kwamen de automobielen van de koningin van mevrouw en miss Wilson, gravin d’Oultremont, sir Brand Withlock, sir Herbert Hoover, waarbij zich nog gevoegd hadden sir Grayson – admiraal van de Amerikaanse oorlogsvloot – een deel Amerikaanse topmilitairen. In een reeks van een tiental auto’s volgden de Amerikaanse en Brusselse journalisten.

Onder het gejuich van nieuwsgierigen en van schoolkinderen snorden de wagens de steenweg op in de richting van Wulpen. Het duurde niet lang of M. Wilson bevond zich ten volle in de Belgische oorlogszone. In snelle rit reden we door Veurne, Wulpen en Oostduinkerke. Deze vroeger zo weelderige en lieve dorpjes waren nog slechts een geraamte. De huizen lagen er met gapende holten, zonder daken, zonder vensters en soms helemaal in puin. De kerk van Wulpen was nog slechts een vormeloze berg karreelstenen, ijzerwerk en balken. Oostduinkerke was al even erg gehavend als Wulpen, maar niet te vergelijken met de vernieling van Nieuwpoort.

Langs Oostduinkerke bereikten we de plaats waar vroeger Nieuwpoort-stad gestaan had. De auto’s reden langzaam opdat onze hoge bezoekers zich goed rekenschap zouden kunnen geven van de verschrikkelijke vernieling die deze bloeiende stad van de aardbodem weggeveegd had. Men zag nog wel waar Nieuwpoort eertijds gestaan had. Spookachtige puinen rezen langs alle kanten op. Stukken muur en gevels, met grote holten doorschoten en de zijden in alle mogelijke vormen afgebrokkeld, beheersten ontzaglijke massa’s grijs puin waartussen het onkruid weelderig tierde, maar waartussen de doodgeschoten bomen met vingers vol verwijt hun zwarte naaktheid uitstaken.

Ze hadden zo veel wreedheid en wee over ons arm Vlaanderen doen neerkomen. Hier, aan de bocht lag vroeger de Groenendijk. Nu was het nog een naakt plein met hier en daar een reeks diepe houwitserkuilen. Men moest niet verder zoeken naar een of ander gebouw want de puinhoop was zo ontzaglijk groot, de steenhopen volgden elkaar zo woest en zo wild op dat men zich hier niet meer thuis kon brengen. De wegen waren min of meer in behoorlijke staat gebracht maar deze banen kwamen voltrekt niet overeen met de vroegere straten.

Op sommige plaatsen was men er in geslaagd dwars door puinen en bouwvallen heen de oude wegen terug te vinden. Deze straten werden dan ook opgeruimd en het was langs deze verwoestingen dat president Wilson zich naar de IJzer begaf. Hier, aan deze wereldbekende stroom stapten we uit en gingen we te voet langs de droog liggende en stinkende IJzer, naar de beruchte sluizen langs waar de overstromingen over Vlaanderen geregeld werden. De president was zeer getroffen door het woeste uitzicht van deze dode stad. Koning Albert verstrekte hem enige bijzonderheden over de rol van de sluizen van Nieuwpoort in de overstromingen van het IJzergebied die als een onoverkomelijke zee de Duitsers in bedwang hadden gehouden.

Volgens gemeenteraadslid Vanden Abeele had de stadsraad zich al herhaaldelijk beziggehouden met het lot van Nieuwpoort in de toekomst. Het stond vast dat de stad uit haar puinen zou verrijzen, en wel op haar vroegere ligging. Met dat verschil dat het plan voor de heropbouw van de stad geen rekening meer hield met het onderscheid tussen Nieuwpoort-Bad en Nieuwpoort-Stad. Het toekomstplan voorzag maar één grote stad Nieuwpoort. In afwachting van de uitvoer van dit groots plan zou men in het puin van Nieuwpoort barakken bouwen als voorlopige huisvesting voor de terugkerende inwoners.

We klommen terug in onze auto’s en volgden de koninklijke voertuigen die ginds reeds langs de baan van Ramskapelle een grijze stofwolk deden opstuiven. Een houten plaatje waarop ‘Ramskapelle’ geschilderd was, stond op een loopgracht geplant. Onze auto’s stopten en we snelden weg in de richting van de spoorwegdam Nieuwpoort-Diksmuide. Daar kreeg Wilson een akelig-doodse woestenij voor zich die zich zo ver uitstrekte als het oog kon reiken, over Stuivekenskerke, Tervate, tot Keiem en Leke en verder rechtsaf langs Pervijze over Zevekote, Schore en Schoorbakke.

Heel deze vlakte, waar duizenden en duizenden Duitsers door de overstroming verrast werden en verzopen, hadden we al in november gezien toen het water zich nog eindeloos ver uitstrekte en er in dat dode land van vuil water en zwarte modder geen spoor van leven, geen spoor van groeikracht te betreuren viel. Het was de dood van de grond, bedolven onder een dikke laag slijk en water. Alleen dode bosjes biezen vormden rosse plekken in de zwarte vlakte. Nu was het water weggetrokken. De vlakte was zwartgrijs, hier en daar bespikkeld met een zwarte houwitserholte of met een busseltje groene biezen en rietstengels, het enige gewas dat hier kon gedijen in de grond die door het zeewater voor de landbouw kapotgemaakt was.

In deze grijze uitgestrektheid lagen nog hele hopen prikkeldraad en te midden van deze woestenij slingerde de zwarte IJzer zich als een kronkelend serpent in de richting van Diksmuide. Langs de overkant van de spoorweg, in de richting van Pervijze, leverde het woeste landschap een heel ander uitzicht op. De spoorwegdam had de overstromingen belet om zich hier uit te strekken. Wanneer de sluizen van Nieuwpoort opengezet werden, had de militaire overheid de wijze voorzorg genomen al de viaducten onder de spoorwegdam Nieuwpoort-Diksmuide op te stoppen. Zo bleef het water langs de Duitse zijde. Achter Pervijze lagen de Belgen en heel deze streek was doorploegd en omwoeld door bommen en houwitsers.

De ene kuil gaapte naast de andere, en hier en daar rezen naakte-zwarte boomstammen en tronken als spookachtige gedaanten op uit het puin. Van op de spoorwegdam van Pervijze zagen we in de verte de grijze puinhopen van Oostkerke en Kaaskerke. Heel deze barre streek was nu overgroeid met distels, netels, biezen en wild gras waar te midden talrijk zwarthouten kruisjes de plaatsen aanduidden waar onze helden gesneuveld lagen. Hele plekken bloedrode kollebloemen en gele boterbloemen vormden met de zwarte holtes van de houwitserkuilen de kleuren van onze nationale vlag. Het was alsof een reusachtige nationale driekleur uitgespreid lag over dit wijde dodenveld waar zoveel Belgische helden begraven lagen.

President Wilson bleef geruime tijd deze dode streek aanschouwen. Wellicht mijmerend over het feit dat hier aan de IJzer België’s beste en jongste bloed vergoten werd. Hier hadden de Belgen uitgeroepen; ‘tot hier en niet verder!’. Hier had België zichzelf voor de zoveelste maal geslachtofferd. Hier begon de verwoesting van Vlaanderen en werd het doodsvonnis getekend van Nieuwpoort, Diksmuide, Ieper, Menen, Roeselare en de talrijke dorpen en gemeenten die ten offer vielen aan de razernij van de barbaren die hun wraaklust botvierden omdat ze niet verder konden dan de IJzer. We stapten weer in onze auto’s en via Pervijze-dorp, t.t.z. doorheen karreelhopen, balken en ijzerwerk bereikten we de stad Diksmuide over houten wegen.

Deze stad was letterlijk weggeveegd. De puinhoop van de kerk kon de president nog aanduiden. Verder was niets te zien dan trechters, betonbuizen, stukgeschoten dekkingsposten en ginds aan de voet van het kerkpuin lag de zwarte IJzerstroom. Hier lagen de Belgische linies op de ene oever en de Duitse posten op de andere oever van de stroom. De afstand tussen beide linies bedroeg amper 25 meter. In het puin van Diksmuide woonden reeds mensen in barakken, in betonhuisjes en zelfs in open lucht. Een huisgezin had er inderdaad in openlucht de meubelen geplaatst in een vierkant en centraal brandde er een open vuur en was een oud moedertje bezig met patatten te schillen. Aan de zeldzame barakken wapperden nationale vlaggetjes.

Op alle kruispunten stonden hoopjes nieuwsgierigen – vooral toeristen – die onze vorsten en de president luidruchtig toejuichten. Langs de steenweg van Klerken verlieten we Diksmuide. Deze laan was aan weerskanten bezet met dode bomen, twee lange rijen zwarte stammen, want takken waren niet meer te zien. We klommen naar de hoogten van Klerken. Langs de weg was men bezig met het delven van grachten om zo de waterafloop weer vrij te maken. Deze grachten waren dichtgeworpen door allerlei materialen en ook door omwoelingen van de grond ten gevolge van de ontploffingen. Veel soldaten die langs deze grachten oprukten naar de vijand werden er door de moordende kogels verrast en vonden er een op voorhand gedolven graf.

Nu men de grachten weer openmaakte werden er talrijke lijken uit opgedolven. De geraamten – want er bleef van de lijken niets anders meer over dan wat beenderen – werden dan verderop in het veld begraven. Wat we konden zien aan de talrijke withouten kruisjes. Te Klerken stopten de auto’s. Iedereen stapte uit en klom op de hoogten van Klerken van waaruit we heel het IJzerdal konden overschouwen. Hier waren de Duitsers baas. Men begreep gemakkelijk welke uitmuntende observatieposten ze hier hadden. Van op de hoogten van Klerken beheersten ze de Belgische linies van de IJzer. Bij helder weer hadden ze hier zelfs een observatiepost op Ieper.

Het was in oktober 1918 – bij het laatste offensief – dat de Duitsers hier verdreven werden en verder teruggeslagen in de richting van Houthulst. Het was rond de middag toen we terug in onze auto’s wipten en in de richting van het Vrijbos en Houthulst reden. In het Vrijbos of ‘Woud van Houthulst’ – volgens de officiële oorlogsberichten – stapte iedereen weer uit en we begaven ons te voet naar een plekje in het bos waar een mals grastapijt tot rusten uitnodigde. Hier gingen we inderdaad allemaal samen democratisch middagmalen. De zon stond er boven op haar hoogste punt vuur en vlam te spuwen op ons – arme stervelingen – die dropen van het zweet en zwart waren van het stof en vruchteloos naar een plekje lommer zochten in dat uitgestrekt bos waar men vroeger op zoek was gegaan naar een zonnestraaltje.

Boven dat mals grastapijt was er voor onze vorsten, hun gasten en hun gevolg een tent gespannen, waarvan de vier hoeken aan vier dorre boomstronken vastgebonden waren. Onder de tent stonden enige ijzeren vouwtafeltjes en vouwstoelen. Dat was dus de eretafel. Vooral president Wilson voelde zich hier in zijn schik alsof hij hier al heel zijn leven gewoond had. Miss Wilson vond de picknick heel leutig en lachte met een fijn en helder stemmetje. De cinema-draaiers hielden niet op met draaien en de fotografen waren waarlijk een pest voor het gezelschap. De koning, koningin of de president mochten noch lachen of links of rechts kijken of die vervelende portrettentrekkers kwamen er op af.

De reis werd nu voortgezet dwars door het Vrijbos en door het dorpje Houthulst waarvan er geen huis rechtop gebleven was. Centraal in het bos passeerden we voorbij de Vijfwegen. Hier in de omtrek moest zich nog een Duits kanon bevinden waar het rottend lijk van een Duits soldaat nog aan vastgeketend lag. Jammer wat we geen tijd hadden om dat toneeltje te gaan aanschouwen. We verlieten nu het bos, als men tenminste de naam van bos mocht geven aan deze uitgestrektheid van dode tronken, gebroken stammen en naakte kruinen. We reden nu de wijde vlakte in, bezoomd links door Passendale en rechts door de zwarte massa van de Kemmelberg. Naast de Kemmelberg – in een aaneenschakeling van heuvels – lagen de Zwarteberg, Rodeberg en de Scherpenberg.

Langs de weg die ons naar Langemark en Poelkapelle voerde, hadden de werklieden die er aan de wegenis arbeidden eenvoudige, lieve en treffende attenties gehad tegenover onze vorsten en hun hoge bezoekers. Het was hier een echte woestijn. Wat bleef ervan over? Langemark, Poelkapelle? Geen puinhoop, geen steen, geen straat. Men wist zelfs niet juist meer waar deze gemeenten gestaan hadden. Slechts op één plank stonden hun namen geschilderd. In een paar houwitserputten lagen enige tanks kapot geschoten.

Op deze slagvelden waren Chinese koelies en Duitse gevangenen bezig met het verzamelen van houwitsers waarvan er hele stapels langs de weg lagen. We reden nu over het Wieltje en Sint-Jan, dwars door de Engelse gevechtslinie, in de richting van Ieper waarvan de indrukwekkende puinen en bouwvallen ginds in de verte reeds zwart aftekenden op de blauwe hemel. In een oogwenk waren we te Ieper, waar de auto’s voor de ruïnes van de lakenhalle stopten en iedereen uitstapte. Onze vorsten en president Wilson werden hier begroet door burgemeester Colaert en commandant Willson – de bevelhebber van de Engelse troepen te Ieper en omgeving.

De Grote Markt zag zwart van het volk. De schoolkinderen, onder de leiding van de zusters juichten en wuifden met vlaggen en bloemen. De heer Colaert vergezelde de koning en de president naar de puinen van de lakenhalle en van de Sint-Maartenskerk en verschafte hen de nodige uitleg over de geschiedenis van de stad Ieper en over de wijze waarop het door de Duitsers vernield werd. Van de Zusters van Maria vernamen we dat het klooster voorlopig terug was in Ieper, tussen het puin waar vroeger het Minneplein was. De zusters waren sinds met Sinksen teruggekeerd. Tot nog toe gingen er reeds 70 kinderen naar de school. Er werd tegenwoordig druk gewerkt te Ieper. De ene na de andere barak rees op.

Op het Minneplein was reeds de barak opgetimmerd waar de burgemeester zou verblijven. In het voorbijgaan naast het puin van het museum herinnerden we ons dat vroeger in dit museum het zwaard bewaard werd waarmee de graven Egmont en Hoorn te Brussel onthoofd werden. Beide graven werden in hun laatste uren bijgestaan door de toenmalige bisschop van Ieper die van de beul het zwaard van de halsrechting ten geschenke gekregen had. Onder het gejuich van de nieuwsgierigen en het gezang van de schoolkinderen reden onze auto’s nu weg uit Ieper, in de richting van de vlakte van Zonnebeke.

De grote weg voerde ons door Zillebeke naar het Hooge en verder door naar Zandberg, Geluveld, Beselare en Geluwe. In de verte rechts rees weer voor ons de zwarte massa van de Kemmelberg op, ‘t Hooge, Zandberg en Geluveld sloten om het zo te zeggen aan bij de heuvelenrij van de Kemmel en het was hier dat de Duitse macht te pletter liep op de stalen dam van de bondgenoten. Het was voornamelijk van hieruit dat de Duitsers Ieper stelselmatig vernield hadden, uit wraak wegens het indammen van hun progressie vlak voor Ieper, de fiere stad die met haar eeuwenoude torens de vijand trotseerde en liever doodging, helemaal dood, dan ooit een Pruis binnen haar vestingen te dulden.

De slagvelden van ‘t Hooge, Zandberg en Geluveld waren waarlijk akelig groots in hun woestheid. Wanneer we hier van op de hoogte van de Zandberg onze blikken lieten dwalen in de omgeving, dan bemerkten we uren rond ons niets anders dan zwartgroene heuvels en dalen, omwoeld, doorploegd, opengereten van de houwitsers. Te midden daarvan de vernielde dekkingsposten, betonhuisjes. Om en om leefde er geen enkele boom meer. De stammen stonden er bleek en onbeschorst, of zwart-naakt, zonder kruin of takken, als dode wachters in een dode streek. Hier en daar had een boom zijn kruin behouden, maar geen blaadje sierde er de somberheid van.

De knoestige takken wrongen zich ten hemel als in wanhopige gebaren, roepend om wraak en herstelling van al deze miserie en ellende. Nabij de Zandberg, niet ver van Geluveld, lag het beruchte tankkerkhof. Inderdaad, links en rechts van de weg lagen een dertigtal van die ijzeren monsters verbrijzeld in diepe houwitserkuilen. Deze barre woestijn strekte zich eindeloos ver uit. Het oog ontwaarde niets anders dan het dode land, het zwarte land dat gemarteld was tot in zijn ondergrond. Te Geluveld was niets van dit dorp overgebleven, geen enkele steen. Alleen maar één enkele beschilderde plank vermeldde de naam van het dorp.

Hier en daar waren mensen bezig met putten en kuilen te vullen en barakken te bouwen. Rechts van de weg lag het Duitse gevangenkamp waar de Moffen achter prikkeldraad liepen gelijk beren in een kooi. De Engelsen hadden ook hier hun barakken opgetimmerd, maar die hadden ze flink en praktisch aangelegd met tuintjes, een voetbalplein, tennisplein, enz.. Zo bereikten we Geluwe. Dit dorp bestond tenminste nog, of liever het puin duidde aan waar hier vroeger de welstand en de vrede bloeiden.

Dit is een fragment uit Boek 1918-1924 van De Grote Kroniek van Ieper 

Article Categories:
1918-1924
banner