Maandag 25 juni 1827. De Ieperse gemeenteraad kwam met een vernieuwd reglement voor het pompierkorps dat eerder opgericht was op 9 december 1819. Met volgende belangrijkste punten; het korps moest samengesteld zijn uit vrijwilligers die een engagement voor 10 jaar aangingen en verdeeld werden in acht brigades waarvan de vier eerste brigades elk tien man bevatten met inbegrip van een brigadier en een onderbrigadier.
Die brigades zouden onder de naam van ‘pompiers’ op militaire leest ingericht worden voor wat betrof het oefenen van de brandpompen en ander gereedschap, tot het blussen van de brand. Terwijl de vier andere brigades – elk van zes mannen – onder de naam van brandgezellen en ook geleid door een benaamde brigadier of onderbrigadier.
Van deze vier brigades zouden specifiek de stadswerklieden deel uitmaken voor het openen van de steenputten, het ophalen van water en dienst van de buizen. De kleding van de pompiers zou bestaan in een korte bruinblauwe rok, met bleekblauwe opslagen, afgezet met rode biezen, een gelijke blauwe lange broek met een bleekblauwe band en met rode biezen afgezet, halve laarzen, zwarte panen col, een koperen stormhoed, dito epauletten en witte ‘bufterie’.
Ze zouden gewapend zijn met korte sabels die net als de bufterie, knopen, epauletten en stormhoeden verschaft zouden worden door het stadsbestuur, onder hun verantwoordelijkheid terwijl de rest van hun kleren ten hunne laste bleef. Het was aan de pompiers streng verboden van deze kleding of andere voorwerpen buiten de dagen van dienst te dragen, op verbeurte van een boete van 3 gulden per overtreding.
De pompiers zouden op verzoek van de heren burgemeester en schepenen ook gehouden zijn de openbare feesten bij te wonen en in buitengewone omstandigheden hun diensten aan te bieden tot het onderhouden van de goede orde en de verzekering van de algemene veiligheid. De pompier zouden slechts van de helft van hun toegestane vergoeding kunnen genieten tot ze de door de stad betaalde voorschotten voor hun kleding terugbetaald zouden hebben.
Naast de reglementen voor het brandweerkorps bepaalde het stadsbestuur ook uitgebreid de voorzorgsmaatregelen om branden te vermijden of snel te bestrijden. Bij het ontstaan van brand zou de brandklok geklopt worden en de richting van het vuur aangegeven worden, bij heldere dag met het uitsteken uit de grote toren van een rood vaandel en ‘s nachts van een licht.
Bij het kloppen van de brandklok zouden de pompiers en brandgezellen zich naar de algemene bergplaats van de pompen en het blusgereedschap begeven om dat direct naar de plaats van de brand te vervoeren om zich dan direct te vervoegen bij hun respectieve brigades. Wie van de pompiers of brandgezellen niet naar het vuur ging, zou gestraft worden met een boete van 1 tot 3 gulden.
Er zou een vergoeding van 3 gulden uitbetaald worden aan de eerste acht personen die ter plekke waren om een brandspuit naar de plaats van de ramp te voeren.
Met het kloppen van de brandklok zouden de arbeiders, genaamd ‘zakkendragers’ zich naar de bergplaats begeven om het blusgereedschap te helpen versleuren. Bij elke brand na zonsondergang zouden de inwoners van de straten, te beginnen van aan de Grote Markt, leidende tot aan de plaats van het vuur, gehouden zijn een licht boven hun voordeur of ramen te plaatsen.
Daarnaast zouden de stadslantaarnontstekers de werkzaamheden van de pompiers extra verlichten met fakkels of pekkransen. De burgemeester of de eerst aanwezige schepen of raadslid of desnoods de politiecommissaris zouden een of meer van de naburige huizen aanduiden waarvan de inwoners gehouden zouden zijn om die aan het gevaar te onttrekken.
Het redden van de meubelen was specifiek opgedragen aan de pompiers en vooral op momenten dat het gebruik van waterpompen niet onvermijdelijk was. Ze moesten in elk geval beschikken over een reddend oog. De burgemeester en de schepenen zouden zich in geval een brand verzamelen in een van de tegenover staande huizen die door een van hen zou aangeduid worden. De inwoners die bij de brand woonden, waren er aan gehouden de brandgezellen of de pompiers door de ingang van hun woningen binnen te laten. Wie dat niet deed, zou streng gestraft worden.
Wanneer alle gedane pogingen tot het blussen van een brand ontoereikend waren en de noodzaak duidelijk werd dat een of meer niet door het vuur geschonden huizen af te breken, herkend werd om het vuur af te zonderen van verdere woningen, dan zou dit een beslissing zijn van de burgemeester en de schepenen, en nadat de waarde van de af te breken gebouwen, door deskundigen vanwege de burgemeester of de eerst aanwezige schepen daartoe zou aangesteld worden.
De inwoners van deze huizen mochten hun toevlucht nemen tot de stad en zouden kunnen delen in de rechten van schadeloosstelling. Van zodra er een schoorsteenbrand ontstond zouden de pompiers die het eerst op gang kwamen zich met een van de kleine pompen en enkele brandemmers ter plekke begeven. Maar ze zouden het huis enkel mogen betreden op verzoek van de inwoners van het huis en die zouden daarvoor 4 gulden moeten betalen.
Er mochten geen schoorsteenvegers aangesteld worden die hun ambacht in de stad zouden uitoefenen vooraleer zich bij het stadsbestuur aangeboden te hebben. Ze bleven gedurende twee maanden na hun arbeid verantwoordelijk voor alle onkosten die voortsproten uit een brand die in een schoorsteen ontstaan was.
Dit is een fragment uit Boek 1785-1829 van De Grote Kroniek van Ieper


