Zaterdag 30 maart 1872. In Ieper werden ze kinds! Het onderwerp van alle gesprekken in de herbergen en rond de haard was het ongehoord feit dat door de zwartjes in onze stad gepleegd werd. De enen vertelden het zo en de anderen anders. Maar ziehier wat er juist aan de hand was. Een magistraatspersoon van de rechtbank van Ieper had van de pastoor van zijn parochie een brief ontvangen waarin die hem liet weten dat de hogere geestelijke overheid beslist had dat hem de absolutie zou geweigerd worden tot hij zijn gedrag in de kwestie van de Lamotten zou verloochenen. Deze magistraatspersoon was het gewoon zijn Pasen te houden en men verwittigde hem nu dat hij een gesloten deurtje voor zijn neus zou krijgen. De magistraat in kwestie heette de heer Iweins en was Procureur des Konings.
Hij bekleedde de zetel van het Openbaar Ministerie toen in 1870 voor de burgerlijke rechtbank van Ieper een protest ingespannen werden teneinde de rekeningen en de overhandiging van de titels te bekomen van de bestuurster van de stichting van de Lamotten, zijnde de school Sinte-Maria. En dat krachtens een koninklijk besluit van 19 januari 1869. De procureur had ten voordele van de eisers gepleit en in strijd met dit vonnis van 8 april 1870 werd momenteel door de stad Ieper onderworpen aan het beroepshof van Gent. In die omstandigheden schreef de pastoor van Sint-Pieters aan de heer Iweins dat hem de absolutie zou geweigerd worden. Een lid van de gemeenteraad had enkele dagen geleden ook al dergelijke brief ontvangen. Hallo, hallo, ze werden kinds die zwarten!
….
Zaterdag 13 april 1872. Er kwam een staartje aan de brief van de pastoor van Sint-Pieters. Die had er in zijn schrijven aan toegevoegd dat hij op hoger bevel handelde en nu het uitkwam dat dit een leugen was, had men hem zijn brief doen intrekken. De heer Iweins had nu immers opnieuw een brief gekregen waarin de man schoon sprak en beweerde dat hij zich vergist had. We hadden beslag kunnen leggen op dit curieus stuk. ‘Geachte heer procureur des konings. De openbaarheid die u aan mijn vertrouwelijke mededeling van 22 maart laatsleden gegeven hebt, verplicht me op mijn beurt schriftelijk u het volgende mee te delen: ik ben u komen verklaren dat het mij leed doet deze brief geschreven te hebben en dat ik hem intrek. Ik moet u daarbij bevestigen dat mijn geestelijke overheden geheel vreemd waren aan mijn brief en dat ze er geen kennis van hadden. Ik heb u herhaalde keren mijn dwaling bekend, een dwaling die mij geheel persoonlijk was. Ik heb er aan toegevoegd dat ik me bediend had van onjuiste uitdrukkingen en dat er geen sprake mocht geweest zijn van een openbare weigering van de sacramenten en nog minder van een banvloek. En ik had u gesmeekt dat u mijn brief zou teruggeven.’
‘Ondanks uw vriendelijke woorden had u mijn vraag toch afgewezen en u had met mij niet het minste medelijden gehad – vergeef het mij om te zeggen – met mijn mondelinge verontschuldiging of met mijn smeekbedes, noch met mijn verlegenheid, noch met mijn ouderdom. U hebt me laten vertrekken mijnheer, ten prooi aan een ontroering die u wel moet gezien hebben. Het was en u mag me geloven minder de vrees dan de droefheid die mijn ziel onderdrukte. Ik zei tegen mezelf terwijl ik aan mijn verleden terugdacht dat u de eerste en enige onder mijn welbeminde parochianen moest zijn om een 70-jarige pastoor met zoveel strengheid te behandelen. Met het schrijven van deze brief is het mijn voornaamste doel om het publiek te bewijzen dat ik deze dwaling die ik op mijn leeftijd gedaan had en door u aan de kaak werd gesteld ook op een trouwe en plechtige manier wil intrekken.’ Getekend P. Desmet, pastoor van Sint-Pieters.
Dit zijn fragmenten uit het Boek 1830-1876 van De Grote Kroniek van Ieper


