banner
mrt 18, 2026
222 Views
Reacties uitgeschakeld voor De standbeelden van de lakenhalle

De standbeelden van de lakenhalle

Written by
banner

In vroegere tijden beschikte mijn geboortestad over zijn eigen vrijheden, wetten en speciale gebruiken die gekoesterd werden door zijn eigen burgers. Ze beschikten over een liefde voor hun eigen klokkentoren. De vaderlandslievendheid van onze voorouders was hardnekkig en levendig. Maar het respect en men mocht gerust zeggen ‘de verering’ van onze voorvaderen voor hun graven was niet minder levendig en al even overtuigd. Want hun prinsen bleven trouw aan hun eed, respecteerden de stedelijke vrijheden en op die manier bleven ze de rechtgeaarde heren van het land.

In die vroegere tijden kon men deze beide gevoelens bevestigd zien aan bepaalde symbolen of uitwendige tekenen. De draak van het belfort symboliseerde de onafhankelijkheid en de vrijheden van de stad, een vorm van cultus die de burgers koesterden voor dit embleem. En daarnaast toonde ze hun respect voor hun heren met de ‘pourtraittures’ van hun prinsen die al van in de vroegste tijden onze schepenzaal versierden. In 1468 zag men in de schepenkamer de beelden van alle heren en dames van het land die sinds 1322 de grafelijke titel van Vlaanderen droegen.

Deze beelden waren er opeenvolgend geschilderd door gerenommeerde meesters, korte tijd na – of eventueel reeds vooraf – de blijde intrede van deze heren in de goede stad van Ieper. Deze schilderijen bedekten vanaf 1468 – zoals dat in 1878 nog altijd te zien was de complete fries die zich ontvouwde aan de oostelijke muur van de schepenzaal. Het was dus niet langer mogelijk om er nog extra de portretten van de opvolgers van Karel de Stoute aan toe te voegen toen die prins stierf onder de muren van Nancy. De schilderijen van Maria van Bourgondië en Maximiliaan van Oostenrijk, van Filips de Schone en Johanna van Aragon waren in 1512 nog niet te zien in deze ruimte.

Omdat ze niet in staat waren er deze schilderijen aan toe te voegen, beslisten onze schepenen dat jaar om de historische galerij van de portretten van hun soevereinen te vervolledigen door de standbeelden van de nakomelingen van Karel de Stoute in de ramen van het belfort en van de lakenhalle te plaatsen. Ze wendden zich tot steenhouwer Cornelis Laenem die een Brugse beeldhouwer was.

Deze meester leverde en plaatste in 1512 een stenen beeld van onze ‘keizer’. En een jaar later een andere standbeeld van de ‘Koning van Castilië’. Geen enkele van die beelden kon onmogelijk Karel (later Karel V) zijn. Het was immers pas op 28 juni 1519 dat Karel tot de keizerlijke titel verheven werd. Een van die standbeelden van Laenem kon dus in 1512 alleen maar betrekking hebben op keizer Maximiliaan van Oostenrijk die als echtgenoot van Maria van Bourgondië de titel van ‘graaf van Vlaanderen’ droeg.

Het standbeeld van 1513 betrof dan dat van zijn zoon Filips de Schone, graaf van Vlaanderen en koning van Castilië. Het eerste beeld kostte 92 ponden en het tweede één pond minder. En in het beeld van 1513 zat een godspenning van 3 pond inbegrepen, als zijnde een waarborg die gegeven was bij de bestelling aan meester Cornelis. Beide beelden werden geplaatst tegen de belfort, boven de voute.

Dergelijke artistieke decoratie was in het verleden nooit voorzien geweest door de ontwerpers van onze lakenhalle. Maar vanaf het einde van de 15e eeuw namen de Vlaamse architecten – onder de invloed van de slechte smaak van de nieuwe tijd – het niet zo nauw meer. Ze aarzelden niet om meer dan eens aanpassingen uit te voeren aan onze oude monumenten, onder het voorwendsel van restauratie en verfraaiing er kunstvoorwerpen uit de renaissance aan te toe voegen.

Ze brachten er nieuwsoortige sculpturen aan, een of andere vorm van bastaardbeelden. In elk geval getuigde de beslissing van onze schepenen van de respectvolle verering voor de oude heren van het land. Dit sentiment bleef lange tijd levendig en traditioneel. Daardoor werd onze historische galerie gaandeweg en stelselmatig vervolledigd.

Vanaf 1514 leverde meester Laenem twee nieuwe standbeelden die ook al tegen het belfort en bovenaan de voute geplaatst werden. Hoewel onze penningmeesters ons geen informatie gaven wie het onderwerp van deze stenen beelden of ‘steenen ymagen’ waren, stelden ze volgens ons in alle geval Maria van Bourgondië (de vrouw van Maximiliaan van Oostenrijk) en Johanna van Castilië voor, in 1496 de liefhebbende echtgenote van Filips de Schone.

Onze kroniekschrijvers vermeldden inderdaad deze standbeelden van de graven en gravinnen van Vlaanderen die vanaf de eerste jaren van de 16e eeuw het belfort tooiden. Beeldhouwer Andrien Denys maakte en leverde in 1530 en 1531 vier nieuwe beelden in witsteen van Avesnes. Hij kreeg voor zijn werk en levering van de materialen de som van 216 ponden.

Zoals de stenen beelden die geleverd waren door Laenem die te zien waren in de twee ramen van het belfort, bovenaan de voute, versierden de vier nieuwe beelden de twee ramen van de lakenhalle, links en rechts van de toren. Ze werden pas geplaatst in 1532. Het was Denys zelf die deze operatie leidde en voor dat werk ontving hij 12 ponden. Meester Andrien Denys was trouwens een Ieperse beeldhouwer.

Onze tresoriers gaven inderdaad altijd de woonplaats van de vreemde meesters aan die voor onze schepenen opdrachten uitvoerden. En voor wat betrof die vier beelden gaven ze daar geen info over, dus moest deze meester Andrien automatisch een stadsgenoot zijn. Een familie met die naam leefde in die tijd in Ieper en de naam Denys was meer dan eens vermeld in de documenten van de 16e en 17e eeuwen.

Volgens de Ieperse penningmeesters stelden de nieuwe standbeelden van de graven en ‘graafneden’ voor zoals die vervaardigd waren in 1512 en 1514. Maar de namen van de prinsen en prinsessen en wie deze waren, bleven ze ons schuldig. Want in de stadsrekeningen werden de standbeelden die opgericht waren tussen 1530 en 1532 nergens vermeld. Die weglating was betreurenswaardig waardoor we langs geen kanten konden uitmaken welke personages gesculpteerd waren door Andrien Denys.

De Ieperse kroniekschrijvers beweerden dat ze aan de voorzijde van de lakenhalle de standbeelden zagen van de zes hertogen en hertoginnen van Bourgondië (tussen Filips de Stoute en Filips de Schone) die geregeerd hadden van 1384 tot 1506. Als we geloof mochten hechten aan die kronieken, had Denys zodoende vier standbeelden van hertogen en hertoginnen gesculpteerd.
Maar hun jaarschriften wemelden wel van de fouten. Want onze kroniekschrijvers voegden er aan toe dat die standbeelden er in 1513 geplaatst waren. Die laatste bewering was in elk geval onjuist. Want we hadden daarnet nog vastgesteld dat Laenem maar vier stukken beeldhouwde tussen 1512 en 1514 en dat Denys pas de vier andere beelden leverde tussen 1530 en 1532. En dat er nog later vier nieuwe standbeelden geplaatst werden.

Maar die stelden geen enkele van de personages voor die aangehaald waren in de kronieken. Hun geschriften waren dan ook niet relevant. De kroniekschrijvers die leefden in de 17e en 18e eeuw waren algemeen gesproken niet al te hoog opgeleid en misschien hadden ze de portretten van de hertogen van Bourgondië verward met die van andere prinsen.

De ‘pourtraittures’ van onze vier grote hertogen van Bourgondië en hun dames stonden voor de rest al geschilderd op de fries van de schepenkamer. Was het dus niet erg logisch dat men deze galerie met historische portretten wilde vervolledigen door er voor de lakenhalle de standbeelden van Maximiliaan en Filips de Schone en hun vrouwen en die van hun opvolgers aan toe te voegen? Diverse opmerkingen in onze stadsrekeningen leken voor die assumptie te staven. Zo zag men in 1532 diverse werken die uitgevoerd werden aan de beelden van de koninklijke majesteit en zijn vrouw die nog maar ‘onlangs’ geplaatst waren op de voute.

Waren de recent vervaardigde standbeelden uit 1532 niet die van keizer Karel en zijn echtgenote keizerin Isabella van Portugal? Meer bepaald de twee beelden die door Denys geleverd waren in 1531 en 1532 en door die meester geplaatst werden in 1532?

Wat betrof de andere groep beelden die hetzelfde jaar door dezelfde meester geplaatst waren, vonden we niet de minste inlichting die ons op weg konden sturen naar enige relevante informatie. Filips, de zoon van Keizer Karel was geboren in 1527 en was amper drie jaar in 1530. Men kon dus onmogelijk claimen dat men een standbeeld van dit kind zou vervaardigen en dat beeld zou trouwens pas veel later gehouwen worden. Maar kon men zich niet afvragen of deze tweede beeldengroep niet die was van Maria van Hongarije en haar echtgenoot?

Na de dood van zijn tante Margareta van Oostenrijk in 1530 had de keizer het bestuur van de Nederlanden inderdaad overgelaten aan zijn zuster Maria aan wie hij al haar bevoegdheden had overgedragen. Vonden onze schepenen het dan ook niet noodzakelijk om een beeld van hun nieuwe gouvernante op te richten, ter gelegenheid van haar installatie of van haar komst?

De portretten op voet van Karel en zijn zuster Maria waren inderdaad al bijna vijftien jaar te zien in het groot glasraam van onze schepenkamer. Maar de kinderen van Filips de Schone en van Johanna van Aragon – Karel en Maria – waren lange tijd erg populair in Ieper. Was het daarom niet even waarschijnlijk dat men in 1530 hun beelden wilden plaatsen naast die van zijn voorouders? Was die veronderstelling gefundeerd? Ik aarzelde om daar positief op te antwoorden.

In de middeleeuwen werden de beelden die de gevels van onze burgerlijke en geestelijke monumenten versierden altijd in versierde nissen geplaatst met daarboven een overkapping tegen de grillen van de seizoenen. Samen vormden ze een erg complete versiering. In 1532 wilden de Ieperse schepenen zich aansluiten bij dit gebruik.

Ze dachten ongetwijfeld dat de raamopeningen van het belfort en de lakenhalle – aangebracht in de dikte van de muur – onvoldoende beschutting boden en dat de elegante raamlijsten – als elegant kantwerk van hun timpaan geenszins een rijke omkadering van hun graven voorstelde. Ze beslisten daarom ook om grote houten ‘tabernakels’ te laten maken om die aan de gevel van de lakenhalle te bevestigen.

Het zou gemakkelijk geweest zijn om het tabernakel van Onze-Lieve-Vrouw van het belfort te imiteren, hetwelk in 1377 hersteld was onder de leiding van meester Biaunevue. Deze elegante nis stond in perfecte harmonie met de algemene stijl van onze lakenhalle. Maar zoals eerder gezegd, hadden de restaurateurs van onze monumenten dan al de manie om te willen innoveren en telkens beter te doen dan hun voorgangers.

Onder invloed van de slechte smaak van de tijd stelden de stadsarchitecten voor om die nieuwe nissen in de stijl van de renaissance te vervaardigen. De nieuwe tabernakels waren dan ook een vreemdsoortige mengeling van Griekse stijl, versierd met imitaties van de antieke kunst. Ze bestonden uit grillige kolommen voorzien van een kapiteel, versierd met arabesken.

Alle tabernakels waren zware constructies die de allure van poorten hadden. Ze getuigden van een bijzonder slechte smaak. Joos Stoop maakte in 1531 de twee tabernakels waarin men de vier standbeelden plaatste die recent geleverd waren door Adrien Denys en dus twee groepen uitmaakten. Stoop kreeg voor zijn werk 132 ponden en nog eens 12 pond extra voor aanvullende werken die niet voorzien waren in de overeenkomst met de schepenen.

Het waren dus constructies van enig belang. Volgens geschiedschrijver Viollet-le-Duc had men in de middeleeuwen het beeldhouwwerk en zijn versiering die aan de buitenkant van de monumenten stond, geschilderd en tijdens de renaissance bleven er nog enkele van die gebruiken over.

Ook in Ieper was dat gebruik nog levendig in de 16e eeuw. Meester Hubert Penneman had in 1518 diverse schilderwerken uitgevoerd aan het beeld van Onze-Lieve-Vrouw van de Halle. In 1532 werden de nieuwe standbeelden van Denys en hun tabernakels eveneens versierd met schilderwerk. Deze decoratieve werken waren net zoals in de vorige eeuwen vervaardigd door meesters en kostten het nodige geld.

Want de kunst om standbeelden en versierd beeldhouwwerk aan te kleuren vereiste speciaal studiewerk, veel ervaring en een nauwkeurige research over hun onderwerp. Ook dit keer gelastten de schepenen de erg gekende schilder Jan Morisses om de nieuwe standbeelden en hun tabernakels te stofferen. Deze meester voerde dat werk uit met de grootste zorg en ontvang conform de overeenkomst de som van 210 ponden. Het hoog bedrag van deze uitgave bewees nog maar eens het belang dat men toen nog hechtte aan deze kunstvoorwerpen en het talent van onze Ieperse schilders.

Rond 1540 restaureerde men de standbeelden van de lakenhalle en hun nissen. Houten beeldensnijder Jean Blomme herstelde de sculpturen van een van die tabernakels en Jan Morisses restaureerde de stoffering van de andere. Ondanks alle versieringen, sculpturen, schilderwerk en verguldsel en spijts de massieve constructies met hun bastaardstijl, vormden ze lange tijd een weinig gracieus decor. Lange tijd waren ze niet meer dan vuile vlekken op ons monument met zijn zuiver spitsbogige stijl.

In onze stadsrekeningen werd geen enkele melding gemaakt van standbeelden die zouden gemaakt zijn tussen 1532 en 1600. Filips, de Spaanse prins was op 28 juli 1549 op bezoek gekomen, vergezeld van een groot deel edele heren. Hij had aan de stad de gebruikelijke eden afgelegd als toekomstige soeverein, heer en natuurlijke prins, t.t.z. als toekomstige erfgenaam van de grafelijke kroon. En later- op 28 oktober 1555 – drie dagen na de troonsafstand van zijn vader op 25 oktober, had hij te Brussel zijn eed afgelegd aan de Staten van Vlaanderen.

Filips II was dus erkend als legitieme heer van het graafschap. Van dat tijdstip af kon men zijn beeld verwachten aan de kant van zijn voorgangers. Maar bij de inauguratie van deze monarch beschikte de reformatie al over heel wat aanhangers in onze stad. En veel later was er sprake van een groot aantal fanatieke inwoners die zich hevig verzetten tegen de Spaanse dominantie in het land. Men kon er zich dus een idee van vormen dat het voor de wetsheren van de stad niet zo evident was om een symbool van de dan al zo onpopulaire Spaanse koningen te laten vervaardigen en die aan de voorzijde van de lakenhalle te plaatsen.

Na de inname van Ieper in 1584 en het herstel van de Spaanse dominantie waren de Ieperse magistraten nu geïnstalleerd door Alexander Farnese. Die magistraten waren met hart en ziel verknocht aan hun katholieke majesteit. Maar een standbeeld optrekken voor hem was toch niet evident. Daar waagden ze zich nog niet aan, vooral na het barbaarse regime die de hertog van Alva in opdracht van de koning had opgelegd aan het land. Alva beheerste in elk geval nog te zeer de publieke opinie. Onze schepenen beperkten zich dus tot het laten schilderen van de Spaanse wapens op het tapijtwerk van de schepenzaal in 1584.

Dat werk werd uitgevoerd door Frans Moenaert. In 1589 lieten ze het Spaanse blazoen van de koning plaatsen op de Mesenpoort. Dat was gesculpteerd door Urbain Taillebert en geschilderd door diezelfde Moenaert. Maar hoe dan ook kreeg Filips II tijdens zijn leven en zoals dat gebruikelijk was met zijn voorgangers geen standbeeld in Ieper. Korte tijd voor zijn overlijden (op 13 september 1598) had deze monarch – onder bepaalde voorwaarden – de soevereiniteit van de Nederlanden overgedragen aan zijn dochter Isabella en aan aartshertog Albrecht met wie ze zou trouwen.

De komst van deze aartshertogen werd met vreugde begroet. Na een lang tijdperk van oorlogen en troebelen hoopten de mensen op een terugkeer van de vrede en de opstart van een onafhankelijk België. Die verwachting werd niet ingelost en zou nog duren tot in 1830. Maar de komst van Albrecht en Isabella oefende hoe dan ook een gelukkige invloed uit op de geesten in Vlaanderen en liet toe om de strengheid van de voorbije Spaanse regering eventjes te vergeten. Onze schepenen beslisten dus rond 1600 om de portretten van hun soevereinen te vervolledigen. Dan – en niet eerder – werden er vier stenen beelden toegevoegd aan de acht die er al sinds 1532 aan de zuidelijke kant van de lakenhalle stonden.

Ze vormden er twee nieuwe beeldengroepen en stelden aan de ene kant van het belfort Albrecht en Isabella voor en aan de andere kant de overleden koning van Spanje Filips II en de koningin van Spanje. Nog voor ze die standbeelden bestelden aan diverse beeldhouwers gaven de schepenen de opdracht aan de Ieperse schilder Frans Denys om de portretten van Filips II, zijn echtgenote, aartshertog Albrecht en aartshertogin Isabella te schilderen. Frans Denys was volgens ons een nakomeling van meester Adrien Denys, de beeldhouwer die de beelden in 1532 had geleverd aan de stad.

Meester Frans schilderde geen volledige portretten maar eerder eenvoudige schetsen. Want hij ontving voor dat werk maar een minimum van 12 ponden. En toch waren zijn schetsen ingekleurd en vermoedelijk geschilderd. De vier hoge personnages werden volgens de rekening ‘naar het leven’ geschilderd, op voet en op natuurlijke grootte. Het was volgens die modellen dat vervolgens de nieuwe standbeelden zouden gehouwen worden. Nicolas le Poot sneed twee exemplaren in steen van Avesnes. Dat waren de beelden van de Spaanse koning en koningin. De tresoriers betaalden hem voor zijn werk, de levering en de plaatsing ervan de som van 380 pond per stuk.

Urbain Taillebert sculpteerde het standbeeld van Isabella en Jan Robins dat van Albrecht. Ze ontvingen elk 180 pond. De stadsrekeningen vermeldden niet of de steen in deze prijs begrepen was. Nicolaas le Poot woonde in Rijsel en Jan Robins – en Taillebert waren Ieperse meesters. Eerstgenoemde was vermoedelijk de vader van Georges Robins, een opmerkelijke beeldhouwer omwille van de elegantie van zijn werk waarvoor hij in de 17e eeuw een grote reputatie opbouwde.

Wat betrof Urbain Taillebert was die zonder twijfel een van de meest gerenommeerde en kundige beeldhouwers die onze stad ooit had geleverd. Hij maakte heel wat opmerkelijke beelden voor zijn vaderstad en voor andere steden. Het standbeeld van aartshertogin Isabella dat door deze meester vervaardigd werd in 1600 was zonder twijfel een meesterwerk.

Ongelukkig genoeg werd dit werk van Taillebert die in de 16e eeuw meegewerkt had met het herstellen van de ravage der beeldenstormers, nu in 1792 zelf door iconoclasten verbrijzeld. Tijdens de rest van de 17e en de 18e eeuw werden er geen nieuwe standbeelden geplaatst voor de lakenhalle. Twaalf beelden ingedeeld in zes groepen prijkten er sinds de eerste jaren van de 17e eeuw op de Ieperse lakenhalle. Deze beeldengroepen stonden onder een soort van zware houten portieken die aan elke kant van het tabernakel van Onze-Lieve-Vrouw tegen het belfort prijkten.

Twee aan de oostkant en twee aan de westkant van deze toren. De standbeelden en portieken waren voorzien van polychrome verven. Deze beelden stelden dus niet – zoals de kroniekschrijvers dat beweerden – de twaalf hertogen van Bourgondië voor, maar de prinsen en prinsessen die tussen 1476 en 1698 aan hun eretitels ook die van graaf van Vlaanderen hadden toegevoegd. Wel te verstaan; Maximiliaan, Filips de Schone, Keizer Karel, Filips II en hun edele dames en dan nog de aartshertogen Albrecht en Isabella en waarschijnlijk de zuster van Keizer Karel met haar echtgenoot.

De bombastische tabernakels verdwenen uit het stadsbeeld. Wanneer precies wist ik niet. Ik zag er in elk geval geen spoor meer van in de tekeningen die in de 18e eeuw van de lakenhalle waren gemaakt. Maar de opgetrokken standbeelden waren in 1762 gerestaureerd. Uit respect dat onze voorvaderen koesterden voor hun prinsen. Ze versierden de lakenhalle nog altijd in 1792. Een bende Franse sansculotten verwoestte dit jaar op amper één uur tijd al die beelden die de eeuwen zo gerespecteerd waren. Op 12 december 1792 was de Franse generaal Omoran, de commandant van een brigade van het Franse legerkorps onder het bevel van generaal La Bourdonnaye binnengekomen in Ieper.

Dat gebeurde zonder slag of stoot want Ieper was door de Oostenrijkers achtergelaten na de veldslag van Jemappes. Al de volgende ochtend heerste er een levendige agitatie in de stad. Franse vrijwilligers onder aanvoering van sansculotten doorliepen de Ieperse straten, schreeuwend van ‘liberté’, ‘égalité’ en ‘la mort’, ‘weg met de aristocraten’. Overal waar deze luidruchtige colonne voorbijkwam, werden de wapenschilden van de edele families en zelf het wapen van de vrije stad en alle emblemen die herinnerden aan het keizerlijk bestuur weggehaald en verwoest.

Konden de standbeelden van de lakenhalle gespaard blijven? Waren ze niet de beeltenissen van tirannen? Het was toen dat de beelden van hun voetstuk gesleurd werden en in duizend stenen verpulverd werden. Weldra lagen hun verspreide restanten op de grote trap voor de lakenhalle en op de vloer van de Grote Markt waar ze niet meer dan een puinhoop vormden. Ik had deze verwoestingen al op andere plaatsen omschreven en beperkte me nu om ons hier te herinneren aan de meesterwerken die we te danken hadden aan de beitels van Laenem, Denys, le Poot, Robins en onze grote beeldhouwer Urbain Taillebert en volgens Lambin op deze fatale dag van 13 december uit het stadsbeeld verdwenen.

Maar de herinnering aan deze historische versiering zou blijven. De oude burgers vertelden het door aan hun kinderen. Hoewel niemand er gedurende lange jaren ook maar moest op hopen dat deze verdwenen standbeelden ooit zouden terugkeren. Toch realiseerde deze hoop zich vlugger dan men ooit had kunnen voorzien. Tussen 1792 en 1815, tijdens bezetting van ons land door Frankrijk moest niemand er aan denken om te piekeren over het historisch decor van de lakenhalle.

Het vreemd bestuur probeerde integendeel zelf de laatste restanten van onze nationale instellingen weg te vegen en de herinnering aan onze oude provincieheren te doen vergeten. De Fransen zouden dus allerminst toegestaan hebben dat we de beelden van onze graven en de herinnering aan de onafhankelijkheid in ere zouden herstellen.

Na de val van het Franse keizerrijk en de bevrijding van ons land hield men zich tussen 1815 en 1830 niet bezig met het restaureren van onze nationale monumenten, maar eerder om er de meest dringende herstellingen aan uit te voeren. Het was pas enkele jaren nadat België onafhankelijk was geworden dat men dergelijke rehabilitatiewerken begon te ondernemen in een poging om de herinnering van onze oude soevereinen en onze nationale instellingen tot leven te brengen. We hadden gezien dat de restauratie van de lakenhalle van start ging in 1843 en al redelijk gevorderd was in 1849.

Nog voor de lokale overheid er ook maar kon aan denken om de standbeelden die in 1792 vernield werden te vervangen. Volgens onze kroniekschrijvers waren die sculpturen, naast de leeuw met de wapens van Ieper en Onze-Lieve-Vrouw van Thuyne, zes hertogen en zes hertoginnen van Bourgondië. Het was toen een verkeerde inschatting en op dat moment beschikte men nog niet over de juiste documenten om tot de werkelijke slotsom te komen.

De stadsbestuur stelde op 12 januari 1850 voor om de oude heraldieke leeuw voor het belfort te vervangen, net zoals het beeld van de patrones van de stad en de twaalf beelden van de prinsen en prinsessen van de dynastie van Bourgondië die sinds Filips de Stoute tot aan Filips de Schone de rechtgeaarde heren van Vlaanderen geweest waren. Dit voorstel werd samen met een subsidieaanvraag doorgestuurd naar de regering en de Provinciale overheid.

De Koninklijke Commissie der Monumenten steunde deze voorstellen en subsidiedossiers. Op 16 oktober 1850 keurde de Minister van Binnenlandse Zaken het project goed en hij beloofde om de realisatie ervan te vergemakkelijken en voor de helft te subsidiëren. De kost was dan voorzien op 8.000 frank. Wel te verstaan echter dat de andere helft door stad en provincie betaald diende te worden. De gemeenteraad had op 14 april 1851 dit voorstel aanvaard.

Maar de Bestendige Deputatie van de Provincieraad toonde – ondanks hardnekkig lobbywerk – maar weinig animo om er zich voor in te schrijven. Pas een jaar later – op 14 april 1852 – liet het college weten dat de Provincie bereid was om zich voor een vierde van het bedrag in te schrijven. Maar dan moesten eerst alle andere restauratiewerken van de lakenhalle uitgevoerd zijn.

Daarvoor beschikte Ieper nog over een jaar of vijf, zes. Die voorwaarde zette het project van de schepenen op losse schroeven. De beslissing van de Provincie stond hen niet aan. Ze legden zware druk om tot een onmiddellijke oplossing te komen, maar niets hielp. De Bestendige Deputatie bleef bij zijn beslissing en antwoordde dat Ieper maar moest wachten op de beelden op dezelfde wachtlijst waar ook het stadhuis van Brugge moest op wachten.

Na veel vijven en zessen zou een Koninklijk Besluit van 4 juli 1852 de beslissing van de Deputatie vernietigen. Een en ander bewees echter dat de stedelijke overheid hardnekkig zijn project nastreefde en energiek zijn rechten verdedigde. De schepenen stelden zich onmiddellijk in verbinding met de Brusselse beeldhouwer Puyenbroeck en sloten weldra een voorlopige overeenkomst waarbij de artiest zich engageerde om voor de stad Ieper een model van stedelijke leeuw, een beeld van Onze-Lieve-Vrouw en twaalf standbeelden te vervaardigen en te leveren. Voor een totaalbedrag van 7.500 frank, met inbegrip van de levering van Avesnessteen en enkele bijkomende accessoires. De transportkosten en de plaatsing van de kunstwerken werden begroot op 500 frank en dus bedroeg het totaal bestek 8.000 frank.

Uiteindelijk, na lange en moeilijke onderhandelingen keurde de Minister van Binnenlandse Zaken op 6 augustus 1853 deze regeling goed en beloofde hij om er voor de helft in tussen te komen. Het was nog maar eens al te duidelijk dat het niet zonder moeite en inspanningen was dat onze stedelijke diensten er in slaagden om de eerste buitenversiering van onze lakenhalle tot stand te brengen. Hun volgehouden energie had gezegevierd boven alle slechte wil en tegenstand.

Toch zouden onze magistraten niet langer hinderpalen op hun weg aantreffen. Meester Puyenbroeck, een deskundige, gewetensvolle en actieve kunstenaar haastte zich om zijn afspraken na te komen en deed dat met brio. Vanaf 3 juli 1854 kon men tegen de lakenhalle een eerste standbeeld plaatsen. Dat van Filips de Stoute. En dan die van de elf anderen, de heraldieke leeuw en uiteindelijk het beeld van de Ieperse patrones.

Deze kunstwerken bleven voorlopig afgedekt met doeken. Want de lokale overheid, gelukkig en fier omdat ze dit project tot een goed einde hadden gebracht, hadden immers beslist om de nieuwe standbeelden met grote sier in te huldigen. Tijdens de groot stadsfeest van augustus. Dat herinneringsfeest aan de bevrijding van Ieper na het beleg van 1383 werd zoals bekend met een gebruikelijk enthousiasme gevierd in onze stad. En dat al sinds vijf eeuwen. Een tijdje na de aanstelling van Filips de Stoute en Margareta van Male van wie hun standbeelden het eerst teruggeplaatst stonden op onze lakenhalle.

Kon men een beter tijdstip dan onze Thuyndag uitkiezen om het beeld van onze patrones van Ieper in zijn eigenste tabernakel aan het belfort in te huldigen? Om de eerste nieuwe standbeelden van onze graven voor te stellen? Om aan de burcht van de stad de oude leeuw met in zijn grip de wapens van de stad opnieuw te verwelkomen, die oude getuige van een zo’n zegevierend verleden van de grote Vlaamse stad uit de middeleeuwen?

Die inhuldigingsfeesten gingen door op 4 augustus 1854 en verliepen schitterend. Zonder enigszins te spreken over de bals, de grote boogschutterswedstrijden, het festival, de steekspelen op het water en andere volksfeesten die bij die gelegenheid georganiseerd werden. Voor de inhuldiging van de beelden organiseerde de stad, in samenwerking met de geestelijkheid een magnifieke – burgerlijke en religieuze – stoet die elk herinnerde aan de tijd van de ommegangen en de processies uit het verleden.

In de burgerlijke stoet figureerden de groepen die de gilden en beroepen in hun pakken van de 16e eeuw voorstelden. Met hun historische banieren, hun schilden en attributen. Vooraan stapten de lakenwevers, de lakenhandelaars, de volders. Gevolgd door de opgesmukte broeders van onze vier gewapende stadsgilden. Een grote historische optocht – ingedeeld in zes groepen – volgde. Elke groep bestond uit een van de hertogen van Bourgondië en hun edele dames waarvan de standbeelden onthuld dienden te worden.

Deze grote figuren uit onze geschiedenis droegen schitterende kostuums uit hun tijd, hun paarden waren rijkelijk opgetuigd, schildknapen klampten zich fier vast aan hun blazoen, andere aan de banieren van hun heer. Nog anderen stelden officieren en dienaars voor die hun meester omringden. 587 personnages schitterden in deze historische optocht. De ommegang die ons herinnerde aan het verleden werd nu voortgezet door 439 kinderen. De leerlingen van onze instituten van het middelbaar onderwijs, publieke en privéscholen die de toekomst symboliseerden. Allen droegen spandoeken met de nationale kleuren.

De religieuze processie bestond uit vijf secties. Elk van de vier parochies had zijn speciale groepen georganiseerd. Men kon hun standaarden zien, heiligenbeelden, de rijkdommen van hun kerkschatten. Een groep – die van Sint-Maartens – liep er rond zoals op de gravure van Guillaume du Tielt uit 1609, de schone processie van Onze-Lieve-Vrouw van Thuyne.

Die bestond uit leerlingen van het stedelijk college die de paters recolletten voorstelden die het beeld van de Ieperse patrones droegen, de kanunniken van de kathedraal, bisschop Maes, de grootbaljuw, de voogd, de schepenen en andere magistraten van de stad. Allen getooid in oude gewaden uit de 17e eeuw. De clerus, bisschop Malou van Brugge en de stedelijke autoriteiten volgden de nagemaakte processie uit 1609.

Uiteindelijk sloten de stadswagen en Onze-Lieve-Vrouw van Thuyne deze immense en schitterende optocht af. Omringd door de burgerwacht, de sapiers-pompiers, de leerlingen van diverse scholen en de leden van meerdere lokale verenigingen en broederschappen die hun spandoeken droegen en een soort erehaag vormden. De kinderen van de meest notabele families uit de stad, getooid met zijde, fluweel en edelstenen die de dames ter beschikking hadden gesteld, symboliseerden op die wagen de stad Ieper met rond zich de kunsten, de landbouw, de handel en de nijverheid, Onze-Lieve-Vrouw van Thuyne, de engelen, de vier parochies en de vier Ieperse kerken.

Deze lange processie doorkruiste heel traag de voornaamste straten van de stad waarvan de huizen versierd waren met ruikers, versieringen en vlaggen. Bij aankomst op de Grote Markt meanderden de groepen op een bijzonder pittoreske en majestueuze manier in het rond. Nooit in zijn verleden had onze grote en prachtige markt het decor van zo’n grandioos spektakel uitgemaakt. Aan de betegelde voet van het belfort was een tribune opgebouwd die voorzien was van tapijten. De nationale vlag en de stadsbanier wapperden aan het huis van de stad. De ramen van de huizen – achter grote Venetiaanse sierkaders – stonden in harmonie met de standaarden en de spandoeken die de straten opfleurden.

De stedelijke autoriteiten en de bisschop, omringd door de geestelijkheid stapten nu traag de treden van de tribune op. De stilte was nu plots totaal, plechtig. De bisschop wijdde het beeld van de Ieperse patrones en vervolgens verklaarden burgemeester baron vander Stichele de Maubus de nieuwe beelden als ingehuldigd. En dan vielen de doeken naar omlaag. Het was een sacraal moment. Het kanon donderde, de trommelslagers lieten zich horen op de velden, we hoorden de muziekkorpsen, de beiaard, een luidruchtige fanfare die zoals in de feestdagen uit het verleden opgesteld stonden in de bovenste galerie van het belfort. Ze lieten het lied van Ieper horen. De klokken van alle kerken luidden volmondig.

Net zoals de stormklok die sinds 1377 zo vaak onze voorvaderen had opgeroepen om in de wapens te komen om hun stad te verdedigen of om naar de Grote Markt te komen om er deel te nemen aan vrolijke feesten. De oude klokken – de drie broers – riepen met hun zware stem die door 25.000 menselijke stemmen werd overgenomen en nu herhaaldelijk hun ‘hip, hip, hoera! Vivat Ypres’ lieten horen.

Deze uitbarsting van vaderlandslievend enthousiasme die na die plechtige stilte gevolgd was, leek stroomstoten door de menigte te sturen. De hele avond door waren in de hele schitterend verlichte stad hun lange en onophoudelijke echo’s te horen. De beschrijving van die inhuldigingsfeesten die we hier naar voor brachten, zou misschien een beetje langdradig kunnen overkomen en men kon ons verwijten dat we heel het gebeuren wat onnodig opgesmukt hadden.

Maar de datum van 9 augustus 1854, had die werkelijk niet de mooiste herinneringen opgeroepen? Nooit werd een feest prachtiger gevierd. Toen heerste de liefde voor de geboortestad nog altijd, was er al sprake van politieke passies. Maar alles verenigde zich hier vandaag bij de ‘Ieperse kinderen’. De herinnering aan die mooie dag was levendig gebleven in het geheugen van allen die zoals ikzelf er getuige van waren geweest.

De eerste ‘nieuwe standbeelden’ werden in volgende opstelling geplaatst: Centraal van de lakenhalle, tegen onze antieke burcht stond in een gekroonde nis de reproductie van het oorspronkelijke tabernakel van Onze-Lieve-Vrouw van de lakenhalle. Aan de westkant, in de twee figuratieve ramen van de lakenhalle stonden Filips de Stoute en Margareta van Male, Jan zonder Vrees en Margareta van Bavières. In het muurraam van het belfort prijkten Filips de Goede en Elisabeth van Portugal. Aan de oostkant in de muur van het belfort de standbeelden van Karel de Stoute en Margareta van York.

In de twee muren van de lakenhalle Maximiliaan van Oostenrijk en Maria van Bourgondië, en Filips de Schone met Johanna van Aragon. Boven het tabernakel van Onze-Lieve-Vrouw van de lakenhalle prijkte op het niveau van de gekartelde galerie van de lakenhalle de heraldieke leeuw met de wapens van Ieper. Buiten de leeuw en het beeld van Onze-Lieve-Vrouw versierden dus vanaf 1854 en zoals in vroegere tijden twaalf standbeelden aan de zuidkant van ons groot monument. De versiering die zowel historisch als monumentaal was, zorgde voor het schoonste effect.

Onze stedelijke functionarissen vroegen zich weldra of het niet aangewezen zou zijn om hen nog meer belang toe te kennen door voor de lakenhalle de beelden van alle prinsen en prinsessen te voorzien, zij die ooit onze heren en dames van het graafschap Vlaanderen geweest waren. Het project van op die manier een complete historische galerie van onze oude soevereinen te plaatsen, zag er grandioos uit. Maar dat doel realiseren, dat was andere koek. Die beeldenreeks zou zorgen voor aanzienlijke kosten en de financiële middelen van onze bescheiden stad waren beperkt. Zou de regering nog eens extra subsidies toekennen? Zouden de Provinciale autoriteiten niet koppig hun bijdrage blijven weigeren? Deze moeilijkheden hielden onze magistraten niet tegen om hun voorstellen in te dienen bij de Koninklijke Commissie der Monumenten.

Dat college gaf zijn goedkeuring aan het initiatief van onze gemeenteraadsleden en gaf het door aan de regering die het voorstel in principe goedkeurde en om zijn uitvoering te vergemakkelijken al direct de steun van de Provincie inriep. De plechtigheden van 9 augustus hadden voor een grote weerklank gezorgd. De publieke opinie keurde algemeen de onverklaarbare weigering van de Provinciale overheid af. De Bestendige Deputatie kwam gelukkig tot betere sentimenten. Een gemengde commissie die samengesteld was uit afgevaardigden van de overheid, de Provincie en de stad werd belast om alle kwesties van de gevelversiering van de lakenhalle te regelen.

Op 3 september kwam deze commissie samen in het stadhuis van Ieper. Uit het verslag van die vergadering konden we leren dat men zich moest bezighouden met de voorgevel die samengesteld was uit 24 gemuurde ramen met dubbele bogen en de zes centrale ramen die nu al de reeks beelden van de hertogen van Bourgondië bevatten. De commissie dacht er aan om in deze voorgevel de graven van Vlaanderen sinds Diederik van de Elzas tot en met keizer Karel te plaatsen. De beelden van de hertogen van Bourgondië die er nu stonden, zouden stelselmatig en volgens de uitvoering van de werken in hun chronologische volgorde moeten geplaatst worden.

Later, en na de afwerking van de voorgevel, was de commissie van mening dat men de beelden van de graven van Vlaanderen die Diederik van de Elzas voorafgingen in de zijgevel diende te plaatsen, en dat die in dezelfde architecturale stijl moesten afgewerkt worden. Wat betrof de uitvoering van de beelden was de commissie van oordeel dat aangezien mijnheer Puyenbroeck het vertrouwen van de overheid nooit geschaad had en dat ze hem om die reden de uitvoering van de nieuwe beelden mochten toevertrouwen.

Wel op voorwaarde dat de tekeningen en ontwerpen voorafgaand dienden goedgekeurd te worden door de commissie. Het eerste werk van die commissie was echter foutief en onvolledig! Van zodra men vastgesteld had dat er zich 24 ramen met dubbele bogen bevonden aan de voorgevel van de lakenhalle wist men het. De reeks graven tussen Dirk van de Elzas en keizer Karel bestond uit zeventien prinsen.

Niet alle ramen waren zouden dus versierd worden met standbeelden. En van een andere kant hadden enkele van onze graven meerdere huwelijken afgesloten. Het proces-verbaal van 3 september duidde niet aan welke van die echtgenotes naast die prinsen moesten staan. En dan was er geen enkele melding gemaakt van de beelden die men eventueel zou kunnen plaatsen in de muurramen van de noordgevel. De eerste studie diende dus verbeterd en aangevuld te worden. De Minister van Binnenlandse Zaken verzocht de commissie op 9 oktober 1855 om een totaalplan te tekenen waar plaats was voor alle beelden, de lijst van de personnages op te stellen en voor elk ervan aan te wijzen in welke gevel en op welke plaatsen ze geplaatst dienden te worden.

De commissie kwam opnieuw samen in vergadering in het stadhuis. Na overleg stelden ze voor om in de 24 dubbele boogramen van de zuidgevel de reeks van 24 graven van Vlaanderen en hun vrouwen, sinds Boudewijn van Bergen tot aan keizer Karel en Isabella van Portugal. In de 10 dubbele boogramen van de westgevel was de reeks van zeven graven en gravinnen van Vlaanderen voorzien die Boudewijn van Bergen en Richilde voorafgingen tot aan Boudewijn met de Ijzeren Arm en Judith, met de standbeelden van de zes forestiers van Vlaanderen.

De reeks van graven van Vlaanderen was daarmee voltallig en de commissie was van oordeel dat de noordelijke gevel hetzelfde uitzicht moest hebben als de twee andere en dat men aan het gebouw van de lakenhalle een complete versiering diende te geven die noodzakelijkerwijs neerkwam op de afwerking van de twee eerste gevels. Ze stelde voor om in de elf dubbele boogramen van de noordzijde 22 beelden van opmerkelijke figuren te voorzien, mensen die zich laten hadden opmerken tijdens de geschiedenis van Ieper. En die zich hadden onderscheiden met hun militaire capaciteiten, of op het gebied van de wetenschap, kunst en hun betrokkenheid in de bloeiende lakenhandel waardoor dit paleis van een lakenhalle tot stand gekomen was.

Ook mensen uit het verleden die zich ingespannen hadden voor de Ieperse privileges of die van de kasselrij, de oprichting van het bisdom en die ons lieten herinneren aan de oude glorie van onze stad. De commissie schreef dus met rode inkt de nummers van 1 tot 51 met hun respectieve plaats in de 45 muurramen, getekend op een schets van de drie gevels. En in een annex de overeenstemmende personen bij elk van die nummers. Dat waren de namen van 90 prinsen, prinsessen en verdienstelijke Ieperlingen die ze voorstelden om in elk raam en elke boog te plaatsen. Hoewel volgens de commissie de reeks merkwaardige Ieperlingen nog niet compleet vaststond en nog voor verandering vatbaar was.

De commissie nam nog enkele andere beslissingen. Voor wat betrof de graven die meer dan één keer getrouwd waren, werd de echtgenote aangeduid die gezorgd had voor de geboorte van de troonopvolger. Arnold III – de Ongelukkige – was nooit getrouwd geweest en de commissie stelde voor om in de bogen van het muurraam Filips van Lo, de burggraaf van Ieper te plaatsen. Dat was de zoon van Robrecht de Fries. De burggraaf had het nooit het geschopt tot graaf van Vlaanderen maar was wel een mogelijke opvolger van het graafschap na de dood van Karel de Goede.

De commissie adviseerde dat men vanaf heden jaarlijks vier beelden zou maken en dat die direct na de afwerking in de juiste chronologische volgorde dienden geplaatst te worden. Ze drukte de wens uit dat de Regering en de Provincie actief en genereus zouden meewerken aan de decoratie van de lakenhalle die toch één van de mooiste monumenten van het land was. Volgens het project van decoratie diende de beeldenreeks van de lakenhalle dus samengesteld te zijn uit een standbeeld van de Ieperse patrones, een heraldieke leeuw, 68 standbeelden van de heren en dames van het land. En dan nog eens 22 andere beelden van opmerkelijke Ieperse figuren. Dus in totaal 92 beelden.

Zoals vermeld waren 14 van die standbeelden al in 1854 ingehuldigd en restten er dus 78 uit te voeren. Vier per jaar. De versiering van de buitenzijde van de lakenhalle kon dus maar binnen twintig jaar afgewerkt worden, rond 1875. De hogere overheid had de voorstellen van de gemengde commissie geaccepteerd en nu haastten onze schepenen zich om de opdracht toe te kennen aan beeldhouwer Puyenbroeck. Die stelde zich garant om voor de prijs van 2.000 frank jaarlijks vier beelden te vervaardigen die twee groepen moesten voorstellen en daarnaast ook de vier sokkels die ze moesten dragen. De prijs van de steen was in deze som begrepen en de plaatsingskosten voor elke beeld werd geschat op 50 frank per beeld. Elk beeld zou dus 550 frank kosten.

De overheid engageerde zich om er voor de helft in tussen te komen, 1.100 frank dus voor de vier beelden, de Provincie voor een vierde (550 frank) en de stad zelf voor het resterende bedrag van 550 frank. Alle historische vragen en aspecten werden op drie jaar tijd – tussen 1856 en 1858 – geregeld. Puyenbroeck zette zich aan het werk en kwam ook dit keer zijn contractuele beloften na.

Twaalf nieuwe beelden moesten op drie jaar tijd afgewerkt worden voor december 1858. Maar de artiest leverde er – met toestemming van de stad – er 18 vanaf de maand juni van datzelfde jaar. Onze magistraten beslisten op 2 mei om de nieuwe beelden nog in te huldigen tijdens de stadsfeesten van komende augustus. Ze haastten zich om de in 1854 geplaatste beelden weg te halen en die samen met de nieuwe beelden in de voorziene chronologische volgorde te plaatsen, zoals aangegeven in 1855. De plechtige inhuldiging ging door op 1 augustus 1858.

Een officieel document gaf een verslag van deze ceremonie: ’27 korpsen van gewapende burgers – 14 Franse en 13 Vlaamse – waren daarbij betrokken. Samen met de muziekkorpsen waren ze goed voor 1.800 mannen die in perfecte slagorde opgesteld stonden op de Grote Markt. De leden van de gemeenteraad en de commandanten van de betrokken korpsen stonden geplaatst op een tribune die uitkeek op de Rijselstraat. Een lid van de gemeenteraad – schepen Vandenpeereboom – nam vervolgens het woord en in een hartelijke toespraak schetste hij de grootse daden uit de glorierijke geschiedenis van de graven van Vlaanderen waarvan de gesluierde beelden nog moesten onthuld worden.

Weldra weerklonk er van alle zijden applaus. De militaire muziekkorpsen lieten het Belgisch volkslied horen toen de doeken naar beneden vielen. Het was een groots en ontroerend spektakel. De Fransen – bijna allemaal Franse Vlamingen – die naar dit internationaal feest gekomen waren, toonden zich niet minder enthousiast. Ze waren fier om Vlaming te zijn terwijl ze naar het belfort en naar de beelden van hun prinsen keken, deze edelen die hen ooit nog begeleid hadden naar de overwinning van de gemeentetroepen in Cassel, Sint-Winoksbergen, Douai en Rijsel.’

30 standbeelden van graven en gravinnen van Vlaanderen versierden dus vanaf 1858 de zuidelijke gevel van onze lakenhalle. 18 andere moesten de belangrijkste gevel van het gebouw vervolledigen. Ze werden ingehuldigd op 16 september 1860 in de aanwezigheid van koning Leopold I, de koning der Belgen en de koninklijke familie. De feesten en plechtigheden die bij die gelegenheid georganiseerd werden, stonden eveneens beschreven.

We hadden kunnen vaststellen dat bij dat bezoek en de reis van ons staatshoofd naar de stad die niet ver verwijderd lag van de Franse grens in die tijd van politiek belang was, net zoals de vaderlandslievendheid en enthousiasme van de Vlaamse bevolking voor een nationale manifestatie.

De koning wou zijn tevredenheid uiten tegenover beeldhouwer Puyenbroeck die de beelden gehouwen had en hij overhandigde de man het Kruis van de Leopoldsorde. De versiering van de zuidgevel van de lakenhalle was dus vanaf 1860 volledig afgewerkt. De vijftig beelden stelden dus de patrones van Ieper voor, de stadsleeuw en in chronologische volgorde de 24 graven en 24 gravinnen die ooit de heren en dames van Vlaanderen waren, sinds de komst van Boudewijn van Bergen tot aan de troonsafstand van keizer Karel.

Om de decoratie van de lakenhalle te vervolledigen zoals dat in 1855 vastgelegd was door de gemengde commissie, bleven er nu in 1860 nog 42 beelden te plaatsen, waarvan 20 in de westgevel en 22 in de noordgevel. Contractueel had Puyenbroeck zich ertoe verbonden om jaarlijks vier standbeelden te leveren. Hij had er tussen 1856 en 1860 dus 20 moeten produceren. Maar hij had er al op vijf jaar tijd 36 gemaakt. Hij koesterde het verlangen om zijn werk zo snel mogelijk af te maken. De ijverige maar ook niet echt geïnteresseerde beeldhouwer stemde er in toe om nog 20 andere beelden te maken in het tempo van de betalingen die voorzien waren van de overheid en de Provincie.

Deze twintig beelden van onze eerste zeven graven en gravinnen – van Boudewijn met de Ijzeren Arm tot aan Boudewijn van Rijsel, samen met de zes forestiers, werden geplaatst in de muurramen van de westgevel van de lakenhalle. Dat gebeurde in 1862 en 1863 maar ze werden niet plechtig ingehuldigd zoals dat gebeurd was in 1854, 1858 en 1860. In die tijd waren de stadsfeesten achterhaald dankzij een allesbehalve vredelievende overeenstemming bij de burgers onderling. Politieke strubbelingen en meningsverschillen domineerden dan al helaas de sfeer in hun geboortestad. Hoe dan ook slaagde de stedelijke overheid er in om alle in 1855 beslissingen te realiseren.

Tien jaar later – op 24 november 1865 – herinnerde ze de Belgische overheid en de Provincie er aan dat ze zich er nog altijd toe verbonden hadden om de noodzakelijke subsidies te voorzien om de buitenste afwerking van het Ieperse monument te vervolledigen. En dat de ramen van de volledig gerestaureerde noordgevel nog wachtten op hun 22 beelden. De nieuwe onderhandelingen bleven nu wel aanslepen en pas in 1868 wenste de Provincie dan toch zijn beloften na te komen. De regering stemde er later in toe om de subsidie voor de beelden met 100 frank te verhogen tot in totaal 2.200 frank. Want elk van de beelden zou nu 650 frank kosten in plaats van 500 frank. De gemengde commissie had de lijst van Ieperse figuren nog niet definitief vastgelegd die moesten prijken in de muurramen van de noordgevel.

Op 18 augustus 1871 maakten ze hun voorstel over aan de gemeenteraad. Op 21 oktober stelde het schepencollege aan de gemeenteraad voor om een speciale commissie op te richten om de voorlopige voorstellen die de speciale commissie gedaan had in 1855 te evalueren en aan te passen. Stadsarchivaris Diegerick werd benoemd tot secretaris van die speciale commissie.

Geen beter aangewezen persoon dan onze geleerde archivaris die met zijn raad en kennis de uitvoering van de commissie kon verwezenlijken. In zijn rapport van 21 oktober had het schepencollege aanbevolen dat men van die lijst zeker alle personnages mocht schrappen die enkel aangeduid waren als zijnde waardevolle oorlogslieden, poëten die al lang vergeten waren en misschien ook wel de monniken met een reputatie die amper tot buiten hun klooster had gereikt.

Alle mogelijke namen die het waard waren om deze apotheose te ondergaan, werden opgelijst door ikzelf, gewezen burgemeester Alphonse Vandenpeereboom en raadslid Vanden Broucke. De speciale commissie waarvan sprake onderzocht deze voorstellen en kwam aandraven met een lijst van de 22 meest opmerkelijke figuren die ooit geboren waren in Ieper. De gemeenteraad verwelkomde de besluiten van de commissie en het schepencollege liet de 22 nieuwe standbeelden bestellen.

Zes ervan werden gekocht bij Puyenbroeck, dertien bij een trio van Ieperse beeldhouwers waarvan Ed. Fiers er zes zou maken. Comein en Lefevre kregen er elk vijf toegewezen. Ze werden opeenvolgend geplaatst in de loop van de jaren 1874 en 1875 van zodra ze afgewerkt en geleverd waren door hun uitvoerders.

Het eerste standbeeld (dat van Filips de Stoute) werd op 3 juli 1854 geplaatst in een figuratief raam van de zuidgevel. Men plaatste het laatste beeld (bisschop Wavrans) in het laatste muurraam van de noordgevel, dag op dag 21 jaar later, meer bepaald op 3 juli 1875. De schitterende decoratie van de Ieperse lakenhalle had dus 22 jaar gevergd. In deze historische galerie zagen we beelden van de Ieperse patrones, de heren en dames van het land sinds Liederik, de eerste forestier van Vlaanderen tot aan Filips II, de koning van Spanje en van 22 opmerkelijke figuren die geboren waren in Ieper. Al die kunstvoorwerpen hadden in totaal 54.335 frank gekost.

De 22 Ieperlingen stonden in 11 groepen die van west naar oost samengesteld waren uit de ‘koppels’ Marguerite Voet en Jan Medem, Salomon Belle en Christine de Guines, Pieter Broederlam en zijn vrouw Beatrix, Jan Yperius en Jehan Yperman, Pieter Vander Zype en Jean d ’Oultre, Jacques de Paepe en Melchior Broederlam, Joos Destreez en Karel van Ieper, Henri de Codt en Joos Lansaem, Chrétien de Wulf en Claude de Clerck, Jean Thomas en Guillaume du Tielt en tot slot Félix de Wavrans en burggraaf de Patin. Met deze uitgebreide galerie hadden de magistraten gepoogd een dubbel doel te bereiken. Ze wilden enerzijds zorgen voor een imposante versiering van onze lakenhalle en anderzijds de oude herinnering aan diverse opmerkelijke Ieperlingen levend houden.

Dit is een fragment uit Boek 1830-1876 van De Grote Kroniek van Ieper

Article Categories:
1830-1876
banner