Oktober 1832. De cholera-Morbus was ontstoken in het huis van de krankzinnigen en nog diezelfde dag stierven daar al drie personen aan de ziekte. Te weten Pieter Mahieu van 30 jaar en Perpetua de Flou, 37 jaar, beiden van Ieper en Catherine Herrypon, een getrouwde vrouw van Sint-Winoksbergen. We zouden hier voor zover hun namen ons bekend waren de inwoners aangeven die het slachtoffer werden van deze alom heersende ziekte en die men niet aan een natuurlijke oorzaak moest toeschrijven maar integendeel moesten beschouwd worden als een straf van de allerhoogste god. Ziehier hun namen met tussen haakjes hun leeftijd, maar dan niet in volgorde van overlijden;
Jonkvrouw Francisca Becquaert, overste van het godshuis van Onze-Lieve-Vrouw (72); Joanna Theresia van Beselare, religieuze van hetzelfde godshuis (49); een zekere Bourry een werkman die woonde bij de Mesenpoort; twee kinderen van een zekere Douchy, paardensmid bij het Sint-Jans godshuis; sergeant Bouillé van de burgerwacht die hier van Gent gekomen was; Maria Francisca Meeuw (70) in de woning van de portier van het Sint-Jansgodshuis; Coleta de Backer, de vrouw van een zekere Vanhoutte; Anne Theresia van de Velde; Pieter Bordin; Marie Verleure, echtgenote van N. De Lattre; Angela Vander Meersch in het huis van de krankzinnigen; de vrouw van baardscheerder N. Vlaemynck; Jacoba van Tomme, een jongedochter; Maria Jacoba Van Hecke (78) de weduwe van Jan de Wachter; Jan Baptiste Liebaert, weduwnaar en zilversmid bij het vleeshuis aan de ingang van de Boterstraat.
Louis van der Ghinst, zeep- en zoutzieder in de Boterstraat rechtover de Vismarkt; Josephine van Elslande, vrouw van Joannes de Clier de herbergier van het Zweerd op de Grote Markt; Karel van der Meersch, onderkoster van Sint-Maartens die getrouwd was met Marie de Breyne en woonde aan de hoek van de Sterrestraat; Pieter van Thol, getrouwd met Isabelle Ceriez, bakker in de Boterstraat; Victoria, de huisvrouw van Joannes Rosor, kleermaker in dezelfde straat; drie kinderen van een zekere Bourry die woonde bij de gewezen Torhoutpoort.
In het hospitaal aan de noordzijde van de Lange Tegelstraat, in het oud militair hospitaal dat door het plaatselijk bestuur van de choleralijders speciaal ingericht was, stierven volgende personen: Pieter Judocus Bouten (77), hondenmeester getrouwd met Caroline Reyngault; Pieter Markey, een smid die woonde in de Lange Meersstraat en getrouwd met Catherina Bazyn van Kortrijk; Michiel Franciscus Pettilloen, geboren in 1759 en getrouwd met Isabelle Josephine De Puydt; Pieter Jacobus Nosdy, een bedelaar geboren in 1758; Pieter Jacobus Bekaert (10) schoolganger en zoon van Pieter en van Catherine De Houck; Carolus Ludovicus Bekaert (8); Sofie Virginie Melanie Bekaert (8), broer en zuster van de voornoemde en ook hun vader en moeder; Joseph Philips Albertus Passet (54), een bakker geboortig van Brugge; Maria Jessens van Duitsland (50), speldenwerkster en weduwe; Louis Charles Le Roy (54), pijpenmaker en geboren in Poperinge; Julie Danse (10) speldenwerkster, Marie van Zuydt (74) eveneens speldenwerkster.
Rosa Patin van Hooglede (36), een spinster; Eugenius Devos (55), een strodekker geboortig van Westouter; Amelia Victoria Houzeele (27) een dienstmeid geboren in Elverdinge; Francisca Dobbelaere (70), speldenwerkster; Virginie Germonprey (27), speldenwerkster; Amelie Jessen, een speldenwerkster van Ieper die hier gebracht was van Wijtschate; Elisabeth van Campte (37), geboren te Antwerpen; Pieter Kieken (66), metserdiender; Marie Festimil (74), speldenwerkster en weduwe van Jacobus Ruyfels; Barbara du Foort (61) geboren te Wormhout, werkvrouw en weduwe van een zekere Germonpre; Cornelia Liefhooghe, geboren te Boezinge en vrouw van Albert Orreel; Isabelle De Buc van Brugge, huisvrouw van Augustin Bayaert, deurwaarder bij de rechtbank; Josephine Warlop (32), jonge dochter geboortig van Menen en moeder van twee kinderen; Isabelle De Vos van Ieper, vrouw van Lodewijk Coupez van Westnieuwkerke.
Andries Hoevenaghel (60), werkman; Joanna Brion, speldenwerkster en weduwe van Pieter Dumon; Constantia De Haerne, geboren te Kortrijk, speldenwerkster en weduwe van Joannes Vermeulen; Joannes Fiers (66) van Poperinge, glaswerker; Amelia Spinnewiel (50), een werkvrouw van Wijtschate; Catherine Antony (60), weduwe van Lodewijk Rubbrecht; Amelia Deltours (32), een speldenwerkster en geboren te Langemark; Maria-Anne De Turk, weduwe Morel (75), zonder beroep en geboren te Belle; Victoria De Haeker (50), vrouw van W. Delaval gezeid Kogeltje, herbergier in den ‘Rozenhond’ en uiteindelijk Charles Eugene Wildemeersch (35), metserknecht.
Deze laatste 41 personen zijn in het cholera-hospitaal overleden tussen de 1e september en de 20e oktober. Maar in feite werden er tussen 1 en 18 september alleen al 78 mensen van de wereld gescheiden en dit getal was op de 1e oktober al opgelopen tot 135. We hadden immers van de grafmaker vernomen dat er vanaf de 16e augustus, de dag waarop de eerste slachtoffers van de cholera bezweken tot aan de 2e oktober, 149 mensen gestorven waren.
We konden hierbij opmerken dat de heren Guillaume Caus, Henrik Coppieters, N. Hummeldratz allen dokters in de medicijnen; Jacobus Beeseau, dokter in de chirurgie; en de heelmeesters Jan-Louis van Acker, Joannes de Coster en N. Van Acker de jonge belast waren met de dienst van het hospitaal van de choleralijders. Maar dat er onder hen weinig eenstemmigheid heerste rond de aard van de ziekte noch over de geneesmiddelen die aan deze zieken moesten worden toegediend. Deze heren hadden nochtans dienaangaande onderricht moeten geweest zijn aangezien deze ziekte – hoewel weinig bekend – niet nieuw was want men kon in boeken lezen over de werking en de symptomen ervan. Gedurende de hele tijd dat deze ziekte binnen Ieper heerste, werd er dagelijks een kar rondom de stad gevoerd om alle vuilnis en modder, zowel uit de huizen als van de straten weg te brengen om alle stank te beletten.
Dit is een fragment uit Boek 1830-1876 van De Grote Kroniek van Ieper


