Zondag 10 januari 1864. De pokken woekerden met een ongelooflijke intensiteit in onze stad. En in plaats van te verminderen, was de ziekte nu in een stijgingsfase getreden waarbij die elke dag harder en harder om zich heen sloeg. Het volstond om de bevolkingscijfers te raadplegen om zich een beeld te kunnen vormen van de ravage die deze vreselijke ziekte hier aanrichtte. De eerste symptomen hadden zich laten opmerken in juli van vorig jaar. De stedelijke diensten werden onmiddellijk op de hoogte gesteld en er werd een rapport ter zake opgesteld. Wat er in dat rapport stond, wisten we niet maar het was duidelijk dat er maatregelen moesten genomen worden om deze besmettelijke ziekte tegen te houden, zo bijvoorbeeld om de zieken van de buitenwereld te isoleren. Die maatregel zou als een paal boven water moeten staan.
Het was in de lage klasse van de bevolking, in de bevolkingsrijke kwartieren dat de epidemie zich het eerst had laten zien en daar waren er ook het meeste slachtoffers. De hoge densiteit van de bevolking in combinatie met een krappe behuizing waar verluchting haast onmogelijk was, liet gemakkelijk toe om de ziektekiemen te verspreiden zodat de ziekte alleen maar kon uitbreiden. We waren nog altijd droef gesteld over de taferelen waar we enkele dagen geleden zelf getuige van waren geweest. In een geïnfecteerd sloppenhuis met amper ruimte om zich er te bewegen, troffen we vijf personen aan in bed. De vader en moeder konden nu en dan al eens opstaan maar waren nog amper hersteld van de ziekte. Hun drie kinderen lagen kriskras op een miserabel bed en waren bevangen door hoge koorts.
De stinkende lucht die in hun triestig krotje hing, weerhield eenieder om hier binnen te treden en zelfs de moedigste en meest toegewijde persoon zou het hier maar vijf minuten hebben volgehouden. En nochtans, hoe betreurenswaardig dan ook, maar we waren er van overtuigd dat er hier nog twintig, dertig, veertig gezinnen in deze of nog ergere toestanden moesten proberen te overleven. Moesten we dan ook verwonderd zijn dat deze besmettelijke ziekte zich zo snel verspreidde? En wat konden we doen om daaraan te verhelpen? Niets of weinig! Volgens sommige rapporten waren we in onze stad dan nog bevoordeeld. De mensen hadden een vaste bewoning die zich binnen stadsmuren bevonden, ideaal om zieke mensen te isoleren.
Onze weldadigheidsinstellingen waren rijk en konden zich veel veroorloven. En daar waren wel fouten gemaakt. De eerste tekenen van de pokken waren vastgesteld bij kinderen en dat terwijl een reglement verbood dat kinderen jonger dan negen jaar mochten opgenomen worden in het hospitaal. Was het nu werkelijk nodig geweest bij deze uitbraak van de ziekte zich zo hardnekkig vast te klampen aan dit reglement? We dachten van niet, vooral omdat er niet de minste andere maatregelen waren getroffen. En vandaag was de ziekte nu ook al doorgedrongen tot in de woningen van de burgerij en tot in de luxueuze salons van de rijken.
De dodelijke buit van de pokken was hier zeker niet zo wreed als bij de arme lieden maar had hoe dan ook slachtoffers gemaakt in alle lagen van de bevolking. Maar dat was nog niet alles. De ziekte beperkte zich niet tot de stad Ieper zelf maar door de handel en nijverheid op de marktdagen op zaterdag en de dagelijkse contacten van onze landmensen in Ieper waren de omliggende dorpen ook al besmet en in sommige gemeenten verspreidden de pokken zich met een schrikwekkende vasthoudendheid. Zouden we eindelijk onze ogen openen? We hoopten het.
De dokters legden hun wetenschappelijke kennis en hun toewijding in de weegschaal, de pastoors die zich niet bezig hielden met electorale beslommeringen, eten en drinken en de haat in hun harten, de echte priesters dus die hun werk deden om de zieken bij te staan. Aan hen zou het niet liggen. Maar onze autoriteiten, hadden zij dan geen opdracht? Na vijf maanden inactiviteit werd het nu stilaan tijd om in te grijpen. De publieke opinie liet nu al duidelijk zijn afkeuring horen. Er moesten energieke maatregelen getroffen worden om de verspreiding van de ziekte af te blokken. Het stadsbestuur moest nu ingrijpen en niet langer schuldig en onbewogen blijven toekijken.
Dit is een fragment uit Boek 1830-1876 van De Grote Kroniek van Ieper


