banner
dec 11, 2025
99 Views
Reacties uitgeschakeld voor De bouw van het belfort

De bouw van het belfort

Written by
banner

Historicus Schayes schreef dat de lakenhalle in zijn geheel het perfecte voorbeeld van de eerste spitsbogige architectuur was die toegepast werd bij burgerlijke constructies. Hij beklemtoonde dat het belfort dat centraal van de zuidelijke vleugels van dit monument oprees het meest opmerkelijke belfort was van al diegene die de schepenen van de toen al machtige Vlaamse steden in het centrum van hun stad vanaf het einde van de 12e eeuw hadden laten bouwen.

Dit type van belforten – hoewel ze later niet langer zouden gebruikt worden om de steden tegen hun vijanden van buitenaf te beschermen – zou het karakter en de stijl van hun voorgangers, de primitieve ‘belefrois’ aanhouden die ooit opgericht waren om de verdediging van de burchten en de steden te vergemakkelijken.

Het belfort van Ieper werd geflankeerd door zijn vier hoektorens en was geperforeerd door smalle openingen zoals de uitkijktorens. Dit torengebouw met zijn feodale kerkers, het met zijn met leistenen en lood bedekte dak, met zijn lantaarns bestemd voor de wachtposten, zijn galerie van kantelen en borstweringen mocht men als uniek bestempelen. Het belfort met de wijde boog van zijn ovale poort waarvan men verwachtte dat het valhekken klaar hing om naar beneden te donderen en de hefbrug zou opgetrokken worden.

Ja, dat belfort herinnerde ons – ondanks zijn versieringen – nog altijd aan de verdedigingstorens van de militaire constructies uit de middeleeuwen. In de klokkentoren hing de klok zoals dat in alle gemeentelijke belforten het geval was. De standaardklok van de bevoorrechte stad. Het beeld van de patrones van Ieper getuigde van de religieuze sentimenten van de bevolking. En hoog boven de belforttoren schitterde nog altijd de oude draak, het symbool van de stedelijke onafhankelijkheid.

Geen enkel origineel en authentiek document liet ons toe om te weten in welk jaar het belfort tot stand kwam. De oudste stadsrekeningen maakten er geen melding van. Sanderus die de geschiedenis van Ieper en zijn monumenten had beschreven, had nederig moeten toegeven dat ook hij in het duister tastte rond de ontstaansdatum van het belfort. Deze geleerde kanunnik van onze kathedraal beperkte zich met de vaststelling dat de toren ouder was dan de lakenhalle. Een aantal details van de constructie bevestigden deze inschatting.

Dat werd in elk geval aangenomen door de beste bouwkundigen. Volgens Lambin was het op 1 maart 1200 dat graaf van Vlaanderen Boudewijn van Constantinopel, zijn echtgenote Maria en Erlibald of Herlebald, de grootbaljuw van Ieper de eerste stenen van de Ieperse lakenhalle plaatsten. Men zou dus aangevangen zijn met de constructie in de loop van het laatste jaar van de 12e eeuw.

Maar de exacte datum werd dus in geen enkel authentiek document bevestigd. Onze gewezen archivaris Lambin had die 1 maart 1200 gevonden in de kroniek van Gerard de Feu, een man die leefde in 1630 en deze chroniqueur had niet vermeld uit welke bron hij deze informatie vandaan had gehaald. Er kon dus gerede twijfel bestaan over de juistheid van deze datum.

Het was hoe dan ook waarschijnlijk dat het Ieperse belfort rond die tijd gebouwd werd. Want we troffen er nog de karakteristieken aan van de eerste spitsbogige constructies die aangewend werden in de burgerlijke gebouwen van die tijd. Later zouden we ook zien dat de oostelijke vleugel van de lakenhalle nog meerdere jaren voor 1250 werd afgewerkt. En aangezien de toren het oudste deel van de lakenhalle was, moest die dus dateren van de eerste jaren van de 13e eeuw. De oudste gemeentelijke rekening van Ieper dateerde van 1280. En dat verklaarde waarom er in de archieven geen melding gemaakt was van de bouw van het belfort dat in die dagen al een hele tijd geleden opgetrokken was.

Archeologische deskundigen en oudheidkundigen met kennis van zaken hadden maar al te vaak ons belfort omschreven en afgebeeld. Zijn constructie en zijn kunstige versieringen lieten ons toe zijn stijl, karakter en de uiterlijke aspecten van dit gigantisch monument te appreciëren. Maar de inrichting van onze stedelijke burcht, t.t.z. die van zijn diverse kamers en hun bestemming tijdens de middeleeuwen waren niet zo goed bekend.

Maar, …. nog voor kennis te maken met het geheel van de inrichting van de diverse lokalen was het wel van belang om een fout recht te zetten. Een misvatting die begaan werd door al onze Ieperse kroniekschrijvers en achteraf overgenomen werd door onze geleerde historici. Volgens de schrijvers hadden de schepenen en de raadslieden van Ieper aan het begin van de 14e eeuw en zelfs in de voorgaande eeuw hun zittingen gehouden in de toren van de lakenhalle. Tot op heden was dit ook de algemene overtuiging. Zelfs Lambin in eigen persoon had dat herhaalde keren vermeld in zijn werk. Hij schreef immers dat op 29 november 1303 het gemeen het stadhuis omsingelde, de poorten brak en zich meester maakte van de schepenkamer die zich op dat moment op de tweede verdieping van de hallentoren bevond.

Daar hadden ze op barbaarse wijze enkele heren van de wet gelyncht en uit de ramen van de halletoren gegooid. Volgens Lambin kon men in zijn tijd nog de plaats in de toren zien waar het magistraat zijn vergaderingen gehouden had vooraleer men een nieuwe schepenkamer gebouwd had onder de conciërgerie die opgetrokken werd in 1342. Maar de schepenkamer bevond zich allerminst in de toren van het belfort. Toen de Ieperse ambachtslieden immers in 1303 gerevolteerd hadden en de schepenen met enkele goede lieden vermoordden, kon die gebeurtenis ook bevestigd worden uit diverse documenten uit de Ieperse archieven.

Maar nergens werd echter melding gemaakt dat deze feiten zich afspeelden in het belfort of in de schepenkamer in zijn toren. Nergens stond trouwens aangegeven dat de slachtoffers uit de ramen van deze kamer gegooid werden. Bij het vermelden van deze details hadden onze kroniekschrijvers de revolte van 1303 verward met die van 1359. Het verslag van Lambin die hij van hun kronieken gekopieerd had, was feitelijk een vage schets van het ontroerend beeld dat geschetst werd door Martin Hoedins in zijn pleidooi tegen de volksmenners van de opstand tussen 1359 en 1361.

Volgens diens akte van beschuldiging hadden de rebellen inderdaad de baljuw van de graaf van de toren gegooid. Maar in dat document was geen sprake van enige schepenkamer in het belfort. Men zag integendeel dat de heren van de wet te Ieper vergaderden in de lakenhalle van hun stad. Het was zeker mogelijk dat ze de baljuw in de belforttoren hadden opgesloten en dat de slechte moordenaars hem ervan gedropt hadden en hem zonder enige vorm van proces gedood.

Vreemd toch dat Lambin die ook op de hoogte was van het pleidooi van Hoedins zich zo had kunnen vergissen. Het bleef natuurlijk de vraag waarom Lambin nog restanten van die schepenkamer had kunnen zien, daar in de tweede verdieping van het belfort. Op het einde van de 19e eeuw waren er in deze kamer immers alleen maar muren van zandsteen of bakstenen te zien.

Van beelden, sculpturen en muurschilderingen was geen sprake. Dergelijke muurschilderingen werden in de 13e eeuw te Ieper al regelmatig aangebracht in onze gasthuizen en hospitalen, zoals dat van Voet in 1230. Zouden de leiders van onze machtige stad trouwens toegestemd hebben om in een hoge toren te zetelen, in een beperkte ruimte die niet aangepast en amper bereikbaar was, met rauwe muren zonder enige artistieke versiering? Onze voormalige en naarstige archivaris had veel lange uren doorgebracht in ons belfort. Hij had er zo veel documenten van onze archieven geklasseerd, paperassen die er allemaal onoverzichtelijk opgestapeld lagen na de inname van Ieper door de Fransen in 1794. Aan welke tekenen kon hij dan gezien hebben dat hij zich daar in de voormalige schepenkamer bevond?

Hoe had deze onvermoeibare vorser die zo vaak door de stadsrekeningen gezworven had, er niet op gelet dat onze penningmeesters uit het begin van de 14e eeuw die het regelmatig hadden over ‘la cambre deschevins sour la Halle’ of ‘de schepenkamer in de lakenhalle’ nooit ook maar één keer beweerd hadden dat de schepenkamer ingericht was in de toren? Onze magistraten zetelden dus nooit in een kamer van het belfort, niet in 1303 en niet voor die datum. Later zou ik daarvan het bewijs leveren. Het volstond trouwens om de bestemming van de diverse ruimtes van ons stedelijk huis te benoemen zoals ze bestonden in het begin van de 14e eeuw en zelfs ten tijde van de constructie van het gebouw.

Maar was het geen tijd om eens samen het belfort te bestijgen? Dit bezoek zou ons toestaan de toestand van de kamers en de inrichting van de toren te verkennen. De ruimtes waren vrij rudimentair en toch maar weinig bekend. Om te beginnen was er het Gulden Halletje waar een grote trap (de steger) van dit klein gebouw naar de Grote Markt voor de lakenhalle leidde. Volgens Lambin en diverse kroniekschrijvers gaf een trap, geplaatst onder de lakenhalle vanaf 1303 toegang tot het monument en vervolgens tot de diverse verdiepingen van de belforttoren.

En toch vonden we geen spoor van deze trap, niet in de stadsrekeningen en in andere documenten van voor 1363. Het was dan wel correct dat er in de westelijke binnenkoer van de lakenhalle sprake was van een kleine houten trap die opgetrokken was tegen het belfort, een constructie die er in de 19e eeuw vervallen zou bijstaan. Men zou er dan kunnen vaststellen dat het om een relatief moderne constructie ging en allerminst telde als een monument uit de 13e eeuw.

Hoe dan ook waren er (net zoals in de 19e eeuw) twee wenteltrappen die gevormd waren door een reeks traptreden die zich slingerend rond een cilindrische kern en die de lakenhalle verbonden met de drie verdiepingen van het belfort. Die draaitrappen stonden opgesteld in de noordoostelijke en noordwestelijke hoek van de belforttoren. De onderkanten van deze trappen gaven – in tegenstelling tot wat Lambin verklaarde – niet uit op de publieke ruimte onderaan de lakenhalle maar in de binnenruimte van het gebouw.

Die ruimte was een immense zaal die diende als opslagplaats van de Ieperse lakennijverheid. Oorspronkelijk was dit magazijn betegeld zoals de straten van de stad. Later (in 1642) zou men die betegelen met vierkante stenen van 29 op 29 centimeter, van blauwe of grijze kleur die samen een erg smaakvolle tekening vormden. De trap aan de noordoostkant liep door tot aan de eerste galerie en bood toegang tot de drie verdiepingen van het belfort.

De andere trap – die aan de noordwestzijde – leidde maar tot aan de kamer op de eerste verdieping. Twee nauwe trappen, de ene in hout (geplaatst aan de binnenkant) en de andere in steen, opgetrokken in de noordwestelijke toren, verbonden de derde verdieping met de tweede galerie en vervolgens met de zolder van het belfort. En tot slot was er nog een andere, een nog nauwere houten trap die leidde naar de oude kamer van de uitkijkposten en van daar tot in het klokkenhuis. De feitelijke toegang tot de twee belangrijkste trappen was afgezet door een stevige eikenhouten en ruw afgewerkte afsluiting.

De regelmatige opstanden waarvan sprake in de middeleeuwen hadden de noodzaak van deze defensieve muur noodzakelijk gemaakt, want de verovering van het belfort was natuurlijk het objectief van alle rebellen. De toren bezetten, kwam neer op het consolideren van hun overwinning. Deze inrichting van belfort en lakenhalle zou sinds zijn constructiedatum geen wijzigingen ondergaan.

Het belfort was ingedeeld in drie grote verdiepingen die op hun beurt elk één grote kamer vormden. Deze drie ruime vierkante lokalen vingen alle daglicht via hoge raamopeningen. Die ramen waren versierd met boogvormig gevormde stijlen met voetstukken en kapitelen. Eikenhouten luiken sloten aanvankelijk deze ramen af maar men zou er later witglazen ruiten plaatsen. Die ruiten werden in 1330 trouwens hersteld door glaswerker Michel.

De muren van de drie belfortkamers vertoonden nog altijd de zandstenen blokken en de geelkleurige bakstenen die regelmatig gevoegd waren. Zoals gezegd was de binnenzijde van de belforttoren ruw, zonder enig spoor van schilderijen of beeldhouwwerk. De kamer op de eerste verdieping werd door de Ieperse penningmeesters omschreven als ‘la cambre de le trésorie au belefroy’, zeg maar de schatkamer.

Die ruimte kreeg zijn daglicht door drie grote ramen, waarvan twee aan de zuidkant en één aan de noordkant. Bepaalde restanten lieten veronderstellen dat hier ooit nog een schouw gebouwd was. Deze tresoriekamer diende als opslagplaats van de schatten, de privileges van de stad en alle voorwerpen die in tijden van rebellie hun belang hadden om die te beschermen tegen de aanvallen van het gemeen.

De kamer op de tweede verdieping diende als een van de stadsarsenalen. Het licht drong er binnen via acht hoge spitsbogige ramen, gelijkaardig aan die van de schatkamer en aangebracht telkens met twee ramen in elk van de vier gevels. In vredestijd stockeerde men hier het klein oorlogsmateriaal; de hand- en kruisbogen, lansen, goedendags en allerhande armaturen die de schepenen overhandigden aan de ambachtslieden en de gilden toen de stad zich tot de ‘wapening’ begaf.

In het arsenaal van het belfort bewaarde men eveneens de standaard van de heer van Vlaanderen en die van de stad, samen met de banieren van de gilden. Deze vlaggen, schatten, charters en wapens van Ieper-stad moesten op een veilige plaats bewaard worden in tijden van tumult of rellen. Het gemeen van de stad probeerde telkens opnieuw om zich meester te maken van deze symbolen.

En als ze eenmaal de standaarden in hun bezit kregen, plantten ze die dan ostentatief neer op de Grote Markt, recht voor de lakenhalle. Elke ambacht plaatste zich dan achter zijn eigen banier tot de rebellen uiteindelijk het pleit beslechtten ofwel verloren, dus tot aan het einde van de rebellie.

Op de derde verdieping van het belfort bevond zich de klokkenkamer. Vanuit deze ruimte leidde een smalle houten trap naar het ‘clockeluudershuus’, dat was een soort wachtlokaal waar de uitkijkposten gewapend met een kleine koperen hoorn, met hun vlag en lantaarn klaarstonden om de nadering van de vijand, eventuele branden of andere vreemde gebeurtenissen te signaleren.

Dat klokkenluidershuis ving zijn licht door smalle dakramen die aan de vier dakzijden van het belfort waren ingewerkt. De houten trap gaf maar toegang voor één persoon tegelijk. Een zware eikenhouten deur voorzien van stalen sloten blokkeerde de enige toegang. De Ieperse uitkijkpost aan de top van het stadhuis vormde op die manier een ultiem versterkt bastion tegen de relschoppers die probeerden om zich meester te maken van de stadsklokken.

Behalve de schatkamer, het arsenaal, de klokkenkamer en het klokkenluidershuis beschikte het belfort nog over een donkere ruimte. Die trof men aan op de tweede verdieping, in de noordwestelijke hoek van de kamer die diende als arsenaal. We hadden het hier over de stadsgevangenis, een nauwe ruimte waar licht en lucht moeite hadden om binnen te dringen door een smalle pijlspleet.

Een zwaar ijzeren rooster dichtte de toegang van de cel af. Het was in deze ruimte dat men gewoonlijk politieke gevangenen vasthield. De schepenen sloten hier in tijden van volksoproer de aanstokers op. Maar de keren dat de rebellen zegevierend doordrongen tot in deze ruimte, dan sloten ze op hun beurt de heren van de wet of andere ‘goede’ leliaard-lieden op in deze cel. Zoals dat voorviel in de periode 1359-1361. Wie daar dan opgesloten zat, kwam er vaak pas buiten om in de toren zelf afgeslacht te worden. Hun gemutileerde kadavers werden vervolgens door de ramen van het belfort op de Grote Markt gegooid.

Later, in de 19e eeuw zou het belfort nog altijd herinneren aan zijn oude inrichting. Te zien aan zijn stijl want de oudste belforten werden vanuit een militair perspectief gebouwd. De details van de inrichting bewezen in elk geval dat de constructie bedoeld was om zich zo lang mogelijk te verdedigen tegen volksopstanden en om daarbij de stedelijke schatten, de keuren, de banieren en de wapens van Ieper te beschermen.

Dit is een fragment uit Boek 1877-1913 van De Grote Kroniek van Ieper

Article Categories:
1877-1913
banner