De Antwerpstraat was de vijfde hoofdstraat van de stad. Beginnende aan de oostkant van de Grote Markt. Ze had deze naam verkregen omdat ze naar de Antwerppoort leidde. Sedert 500 jaren werd ze, maar bij gebrek in de uitspraak, Hankwad- of Hanewartstraat genoemd, zoals bevonden werd in bescheiden van de jaren 1309, 1328 en 1430. Nu was ze in 1807 hernoemd in de Menenstraat omdat ze leidde naar de poort langs dewelke men naar Menen ging. Jules Cornillie; deze straat kwam uit aan de Sint-Jacobstraat aan de oostelijke kant van de markt. Eertijds heette ze de Hancwarg- of Hancguerstrate (1249) en deze naam ontaardde met verloop van tijd in de Auwaerstraat.
Volgens Warnkoenig werd ze zo geheten naar de naam van de edele familie Hangouart. Hoewel ze van de 15e tot de 19e eeuw de naam van Antwerpstraat of Handwerpstraat droeg en later de naam van Menenstraat kreeg. Halfweg de 19e eeuw zouden de Ieperlingen nog altijd spreken over de Auwerstraat. Dat ze de naam van Menenstraat kreeg, was niet verwonderlijk. De weg naar Menen verliep oorspronkelijk langs de Komenpoort en vervolgens via de Rijselpoort. Het was in deze Menenstraat dat bisschop Rythovius zich tijdens de beeldenstorm verscholen hield in ‘Het Land van Belofte’ dat door een koordendraaier bewoond werd.
107. Bezaetsestraatje. Dit straatje lag volgens de aangehaalde bescheiden in de oude tijden in de buurt van het erf van het Onze-Lieve-Vrouw godshuis, rond 1200 gesticht op de Grote Markt. Het straatje liep van de Antwerppoort noordwaarts tot aan de Korte Torhoutstraat. Het eerste links als men van de Grote Markt kwam. Het was gedood toen het zogenoemde blauwe schoënhuis in het jaar 1574 gebouwd werd.
108. Bellewaerdstraatje. Liggende aan de zuidzijde (rechts als men van de Grote Markt kwam) van de Antwerpstraat, liep eerst zuidwaarts en dan met een arm westwaarts die uitkwam in de Klierstraat (112). Men beweerde dat dit straatje genoemd werd omdat hier een persoon woonde die eigenaar was van de zogenaamde Bellewaerde, gelegen buiten de stad. In onze oude bescheiden had ik ook ontdekt dat deze straat vroeger ook genoemd werd als zijnde de Kalvestraat of de Harpestraat. Waarschijnlijk was het zo geheten nog voor ze de naam van Bellewaerdstraatje kreeg.
Nu, in 1807, was ze hernoemd tot Straatje van Marengo, naar de veldslag bij de plaats waar de veldslag voorgevallen was tussen de Fransen en hun vijanden en waar de Fransen onder het bevel van Napoleon een volstrekte overwinning behaalden. Dicht bij de Grote Markt ontving de Menenstraat langs de zuidzijde een steegje, het Bellewaerdestraatje. Toch volgens Jules Cornillie. Het was oorspronkelijk een steegje zonder uitweg. Het westelijk deel dat uitkwam in de Klierstraat (112) werd vermoedelijk maar aangelegd rond 1600.
Het straatje dankte zijn naam omdat het langs de oost- en zuidkant het goed van de heren van Bellewaerde afsloot. Onder het Frans bestuur kreeg het Bellewaerdestraatje de naam van Marengostraat die het zeker nog zou bewaren tot in 1842.
109. Keirshof. Zijnde het tweede straatje rechts in de Antwerpstraat als men van de Grote Markt kwam, langs de oostzijde van de Klierstraat (112), dicht bij het Bellewaerdestraatje. Dat straatje had geen uitgang en men wist ook niet waarom het zo genoemd werd. Ik vond in een oud bescheid van 1430 dat de Keirshof dan ook uitgesproken werd als Kersestraatje of Kersewatstraatje. Tegenwoordig was het Keirshof bewoond door een groot deel arme weduwen wiens huisjes toebehoorden aan het godshuis van de heilige geest. Maar het Keirshof werd niet langer meegerekend tot een van de Ieperse straten.
110. Bollens Straat, Bollinckstraat of Bollingstraat. Van dewelke gewag gemaakt was in handschriften van 1276, 1324, 1328 en 1436. Het begon op het einde van de Antwerpstraat, komende van de Grote Markt, laatste straat rechts ervan of aan de zuidzijde en het liep van daar zuidwaarts langs de vestingen, tot aan het kerkhof van Sint-Jacobs waar de Aalmoezeniersstraat (111) haar aanvang nam.
Men vond nergens de oorsprong van haar naam. Ik zag uit gedenkschriften van de jaren 1498, 1659 en andere dat er aan de westzijde (rechts komende van de Antwerpstraat) van deze straat een klein straatje lag, genaamd Juffrouw Mariestraatje, dat gedood was en toegevoegd werd aan de tuin van de religieuzen van de abdij van Mesen aan de westkant van diezelfde Bollingstraat die dan later bij de Kauwekijnstraat gevoegd was en nu in 1807 dus samen de Napoleonstraat geworden.
Jules Cornillie beweerde dat de Bollingstraat tot 1678 aan beide zijden met huizen bezet was, dat zegden de kronieken in alle geval. En dat de jonge lieden zich daar met het bolspel vermaakten. Er diende daarbij opgemerkt te worden dat volgens de keure van 1310 het op boete verboden was om in de stad met bollen te spelen. En wat de keuren in de tijd schriftelijk vaststelden, was gewoonlijk sedert eeuwen in voege. Het leek eerder waarschijnlijk dat Bollinc een familienaam moest geweest zijn in analogie met Grimminc en Craminc. Hoewel de naam ook mogelijk verwees naar de term ‘bolwerk’ en dus in relatie stond met de verdedigingswerken van de stad.
111. Aalmoezeniersstraat. Zo genaamd omdat er in deze straat vroeger twee personen woonden, te weten Boudewijn Loot en Isaac Baelde, dewelke aalmoezeniers genoemd werden omdat ze de vrijdag van elke week aan alle arme mensen elk een aalmoes gaven, bestaande uit een wittebrood, een half pond boter en een denier in geld. Deze straat begon aan het einde van de Bollingstraat en liep van daar eerst zuidwaarts langs de vestingen en daar omkerende van westwaarts verder tot tegen de Klierstraat (112). Deze straat stond meer bekend onder de naam van Sint-Jacobskwartier omdat daar in latere tijden tegen de vestingen barakken voor de krijgslieden van onze bezetting gebouwd waren.
112. Klierstraat. Deze was de zesde hoofdstraat, beginnende aan de Grote Markt en zich zuidwaarts strekkend tot aan de stadsvestingen bij de Paddepoelstraat. Deze naam zou ze naar verluidt bekomen hebben omdat hier in het verleden ooit mensen in deze straat woonden die gekweld waren door een gezwel aan de hals welke men een klier noemde. Waardoor er meer dan dertig inwoners op acht dagen tijd uit het leven werden gerukt.
Zeer ongelooflijk en wonderlijk moest dat geweest zijn. Het was aan de westzijde van deze straat (links als men van de Grote Markt kwam) en aan de hoek van de Sint-Jacobs Nieuwweg dat de abdij der Nonnenbossen gebouwd was. Deze werd afgeschaft op 31 oktober 1796. De Klierstraat was nu hernoemd tot Sint-Jacobstraat omdat deze kerk zich daar bevond.
Volgens Jules Cornillie kon men de Klierstraat bereiken langs de Rijkeklarenstraat. De Klierstraat heette in 1246 de Cliestrata maar dat werd algauw Clierstrate in al zijn varianten. De straat kreeg volgens de kronieken deze naam omdat daar op acht dagen tijd meer dan 30 personen stierven ten gevolge van het zwellen van de keelklieren, een ziekte die zich alleen maar in deze straat vertoonde. Maar dat was vermoedelijk niet correct. Clie had in het oude Vlaams de betekenis van zemelen en gruis.
In de wetenschap dat er op het uiteinde van de Sint-Jacobstraat een molen op de vestingen stond, zou dit mogelijk een builmolen geweest zijn, waar men de kleine doppen van het graan door het builen verwijderde. Dit gruis werd vervolgens in deze straat verkocht zodat ze de Zemelen- of de Clietstraat genoemd werd. Een andere mogelijke verklaring voor de term ‘clie’ kon eventueel ook de verwijzing naar ‘Collie’ zijn. Inderdaad; de vroegere Zillebekevijverbeek die hier in de vesting vloeide ter hoogte van de Paddepoel aan het uiteinde van de Sint-Jacobstraat, heette eertijds de Colliebeek.
113. Kerkhof van Sint-Jacobs. Liggende tussen de Klierstraat westelijk van de Aalmoezeniersstraat (111) in het oosten en de Rozestraat (117) in het zuiden. Dit kerkhof was nu hernoemd tot de Sint-Jacobsplaats aan dewelke plaats ook deze Rozestraat toegevoegd was. Volgens Jules Cornillie was die naam van ‘Rozestraat’ er gekomen omdat de zetel van de rederijkerskamer van Sint-Anna in de 17e eeuw door het leven ging met de kenspreuk ‘Rosieren met Melodie’.
Hij beweerde dat die gilde in deze straat gelegen was. Naar verluidt zou de gilde in 1214 opgericht geweest zijn na de slag van Bouvines. Ze zou teniet gegaan zijn in 1578 tijdens de godsdienstige beroerten maar werd weer opgericht in 1605 en was definitief verdwenen met de Franse Revolutie.
114. Gevangenhuisstraat. Staande aan de westkant van de Klierstraat (112), de eerste straat aan de rechterkant komende van de Grote Markt. Ze liep van daar westwaarts en dan noordwaarts tot aan de Grote Markt. Het had zijn naam ontvangen van het gevangenhuis (het bezant) dat reeds voor het jaar 1244 aan de oostkant op de Grote Markt gebouwd was.
Volgens de handschriften van deze stad bleek dat gravin Johanna van Constantinopel gedurende haar bestuur eens door de stad trok en bij de gevangenis een aantal gevangenen om genade hoorde smeken. Ze bleef stilstaan en vergaf hen hun misdaden en ze gaf daarbij het bevel aan haar drossaard om jaarlijks op Goede Vrijdag in haar naam de gevangenen omwille van zowel burgerlijke misdaden als om halszaken uit hun banden te verlossen, het welk sedertdien in gebruik gebleven was.
115. Straatje van den Hert. Ook aan de westzijde van de Klierstraat, het tweede aan de rechterkant als men van de Grote Markt kwam. Westwaarts lopende tot waar het geen uitgang had. Men had redenen om te geloven dat het alleen diende om uitgang te geven aan herberg ‘Den Rooden Hert’ dat vroeger aan de hoek van deze straat gebouwd was en er ook haar naam aan gegeven had.
116. Sint-Jacobstraatje. Lag vroeger aan de westzijde van de Klierstraat, niet ver van het Straatje van den Hert. Het was het derde straatje aan de rechterkant als men van de Grote Markt kwam. Het liep naast de abdij van de Nonnenbossen en zo westwaarts langs het klooster van de geschoeide karmelieten tot aan de Dhondtstraat. Het werd vermoedelijk zo geheten omdat men aan de Dhondtstraat een nieuwe weg gemaakt had waarlangs men naar de Sint-Jacobskerk kon gaan. Dit straatje was gedood sedert dezelfde abdij er zijn klooster had naast gebouwd.
117. Rozestraat. Beginnen aan de oostzijde van de Klierstraat, het laatste aan de linkerzijde als men van de Grote Markt kwam. Van daar oostwaarts strekkend langs het kerkhof van Sint-Jacob tot aan de Aalmoezeniersstraat (111). Men wist niet waarom ze zo genaamd werd maar dat zou wel eens kunnen zijn door het feit dat het gildehof van de Rosieren daar gelegen was, meer bepaald aan de zuidzijde van de Rozestraat. De Rozestraat vormde nu samen met het Kerkhof de Sint-Jacobsplaats.
Dit is een fragment uit Boek 1785-1829 van De Grote Kroniek van Ieper


