banner
okt 16, 2025
151 Views
Reacties uitgeschakeld voor Het Kleen Rijselken

Het Kleen Rijselken

Written by
banner

Woensdag 10 juni 1744. Koning Lodewijk XV had op 8 juni zijn kamp voor Menen verlaten en was rond 10u gearriveerd in Rijsel. Al op de 4e juni nadat Menen zich had overgegeven, was de koning de werken gaan bezichtigen die gediend hadden om de twee aanvalspogingen op deze stad uit te voeren en die de lokale gouverneur ertoe verplicht hadden om de capitulatie aan te vragen.

Zijne majesteit leek bijzonder tevreden. Als een gevolg van de resolutie die hij op 5 juni getroffen had om de stad Ieper in de tang te nemen, was de graaf van Clermont belast met de orders van zijne majesteit en was hij aan het hoofd van twintig eenheden Grenadiers, twintig eenheden Lansiers, een detachement Cavaleristen van zeshonderd man en nog eens zeshonderd Dragonders opgerukt in de richting van deze stad. De heer Desgranges had met dezelfde opdracht een deel van zijn legers toegewezen aan maarschalk, de graaf van Saksen. Het betrof hier twintig eenheden grenadiers, evenveel Lansiers, een detachement van duizend mannen van de cavalerie, tweehonderd Dragonders en honderd Huzaren.

De graaf van Saksen die de voorhoede ingenomen had met een escorte van honderd Dragonders en honderd Huzaren met de bedoeling om het terrein te gaan verkennen, werd door zijn voorhoede ervan verwittigd dat ze een groep vijandelijke Infanteristen gadegeslagen hadden die bezig waren met de stad Ieper te versterken. Deze troepen waren aangevallen geweest op bevel van de generaal. De gouverneur van Ieper stuurde een nieuw detachement van zijn garnizoen ter hulp en de graaf van Saksen liet zijn twee eenheden op de nieuwkomers chargeren.

Het had er enige tijd heftig aan toegegaan. Bij de vijand werden een officier en meerdere soldaten gedood en de Fransen hadden vier Hollandse officieren, twee sergeanten en vierenzestig soldaten krijgsgevangen genomen. Bij de Dragonders en de Huzaren was niemand gedood. Op de dag dat de graaf van Clermont opgerukt was om het beleg van Ieper aan te pakken, had hij zich meester gemaakt van de redoute van Dikkebus en daarbij waren een sergeant en vijftien krijgsgevangenen gemaakt.

Maarschalk de Noailles was door de Franse koning belast met de voorbereidselen voor het beleg van Ieper en was op 9 juni vertrokken uit Menen naar de gemeente van Vlamertinge die uitgekozen was als kampplaats van zijne majesteit. Het grootste deel van de troepen die gekampeerd hadden onder Menen marcheerde diezelfde dag om zich naar Ieper te begeven en de rest van de soldaten zou de volgende dag arriveren. Maarschalk de Noailles die de omgeving van Ieper verkend had, bezocht de diverse posten van de bezettingsgordel en de redoutes waar de eerste troepen al hun intrede hadden gedaan met de opdracht om de stad van Ieper in te sluiten. Hij had de meest ideale locaties uitgekozen van waaruit er kon aangevallen worden.

Het regiment van de koning moest zich positioneren aan het kanaal van Boezinge. De Noailles plaatste het kamp van de koning links van dat regiment. Die twee korpsen bezetten nu het terrein aan de linkeroever van dat kanaal tot aan de kasseiweg van Vlamertinge. Hij liet het koninklijk kwartier speciaal afdekken en insluiten door de brigade van de Franse garde. Het infanterieregiment van de Noailles en de brigade van Rohan werden opgesteld tussen de kalsijde van Vlamertinge en de Dikkebusvijverbeek.

Vanaf die beek tot aan de molen, genaamd ‘Verbrande Molen’ – vlakbij de abdij en het kasteel van Voormezele – liet de Noailles het regiment van de kroon, de Dragonders van Suze en de brigade van Artois zich positioneren. Tussen de Verbrande Molen, rakend aan Zillebeke tot aan het Wieltje koos hij voor de brigade van Bourbonnois, het koninklijk regiment Dragonders, de brigade van de koninklijke infanterie, het regiment van Gondrin, de infanteriebrigade van Orléans en die van Berry.

Bij het Wieltje had de graaf van Clermont zijn hoofdkwartier opgericht en het terrein tussen zijn positie tot aan het kanaal van Boezinge werd ingenomen door de Ierse brigade, door het regiment van Piedmont waarvan de linkerflank aanleunde tegen het bewuste kanaal ter hoogte van de plaats waar aan de linkeroever het regiment van de koning posteerde. De artillerie die onder het bevel stond van de heer de Vallières, stond opgesteld achter het kamp van de koning, tussen de steenwegen van Vlamertinge en Elverdinge.

En de artillerie onder het bevel van de heer du Brocard bevond zich tussen het dorp van het Wieltje en Zillebeke-dorp. Terwijl maarschalk al zijn troepen op vermelde plaatsen had opgesteld, liet hij de wegen naar Roeselare en Kortrijk open zodat er mogelijk hulp kon geboden worden aan de maarschalk de graaf van Saksen in het geval de vijand vanuit Gent, Aalst en Oudenaarde hem onverwacht zou willen aanvallen.

Ze brachten twee gekwetste Hollandse officieren binnen in de stad. Men had eveneens de repatriëring gedaan van de Hollanders die doodgeschoten waren. We zagen ze in zakken verpakt de stad binnenbrengen. Een verlies dat gerekend werd op 81 mannen, met inbegrip van de deserteurs en krijgsgevangenen. Daar was ook een groot getal van de Fransen dood gebleven. De Hollanders hadden opnieuw woningen in brand gestoken. Dat gebeurde zonder enig spoor van genade met de huizen van de warmoezeniers tussen de Boezinge- en de Boterpoort, tot aan de Tempelpoort, zonder enige voorafgaande verwittiging aan de gebruikers. Door een resolutie van het magistraat voorzagen ze de goten van het stadhuis en de lakenhalle van water, tot twee à drie voeten hoog, door de spuiten van de stad, om te voorkomen dat brandperikelen door de belegering konden voorvallen.

Bij resolutie van het kapittel van de heren kanunniken van de kathedraal van Sint-Maartens werd het noodzakelijk bevonden het water op te trekken om de goten van het koor en van deze kerk van water te voorzien, om te voorkomen wat hierboven geschreven was. Dat werd uitgevoerd recht voor de sacristie van het koor, in vaatjes. Zo werd het ook gedaan in vele kloosters van deze stad, terwijl er ook water in kuipen gezet werd op de zolders van de particulieren. Na de middag hadden de Hollanders de overgebleven huizen tussen de Antwerppoort en de Mesenpoort in brand gestoken.

Ze gedoogden opnieuw niet dat de inwoners hun meubels zouden wegvoeren en hadden die deels zelf gestolen terwijl ze de gebruikers ervan wegjaagden. En waar de gebruikers niet zelf met haast vertrokken, werden ze bedreigd van persoonlijk in brand gestoken te worden. De bisschop van Ieper en de gedeputeerde kanunniken waren naar Vlamertinge getrokken om de maarschalk de Noailles te gaan begroeten, die dan al gearriveerd was. Met het verzoek of hij zich zou willen believen tijdens aanstaande belegering zoveel mogelijk de kerken en de kloosters te willen sparen. Hij antwoordde dat het niet zijn intentie was die te beschadigen tijdens de belegering, waarop ze weer afscheid van elkaar namen.

Ook de gedeputeerden van het magistraat waren naar Vlamertinge getrokken, zijnde voogd Jacques Frans Wynckelman, twee schepenen, de raadspensionnaris en griffier Florysoone om de Noailles te gaan begroeten en hem te verzoeken dat hij de stad en zijn burgerij gracieus zou willen behandelen. Hij antwoordde hen dat het niet zijn bedoeling was om grote schade aan te brengen aan de stad en dat hij die zou sparen, zo veel als dat mogelijk zou zijn. Hij beklaagde het voorval aangedaan aan de stad Menen tijdens die belegering, hoewel zijne majesteit Ludovicus XV, koning van Frankijk daar in eigen persoon met zijn macht van oorlogstuig de stad tot aan grond was komen vernietigen, maar dat hij niet wilde doen zoals de Hollanders gedaan en bedreven hadden tot de ondergang van veel volk en namelijk op het grondgebied van de stad Ieper.

Donderdag 11 juni 1744. Er waren enkele Hollandse soldaten gedood door de Fransen, wiens lijken in zakken de stad binnengebracht werden. Een deel van de Engelse nonnen verliet Ieper richting de stad Rijsel om – zo dachten ze – daar hun leven te kunnen redden. In de voormiddag werd gepubliceerd dat diegenen van wie hun huizen achterpoortjes hadden die uitkwamen op de stadsvesten die moesten toenagelen.

Diegene die wilden voorkomen om in brandperikelen te belanden of met destructie te maken konden krijgen, moesten hun vensters beslaan met bordhout voor de glasvensters, namelijk diegene die naast de stadsvesten gelegen waren, hetgeen voor een groot deel gedaan werd en zelfs de glasramen werden weggenomen. Het werd nu plots toegelaten om vlees te eten, zowel op de vigiliedagen, quatertemperdagen en zelfs de vrijdagen en zaterdagen, zolang de belegering zou duren. Er werd nog gepubliceerd dat niemand tabak mocht roken langs de straten van de stad aangezien de Hollanders met buskruit werkten.

Vrijdag 12 juni 1744. Afgelopen nacht werden er veel Hollanders doodgeschoten door de Fransen. We hadden hun lijken zien binnenbrengen in de stad, in zakken om het garnizoen niet te bedroeven. Men rekende het verlies op 108 mannen met inbegrip van de gekwetsten, deserteurs en krijgsgevangenen. Het was ook zeker dat er vannacht een groot aantal Fransen doodgeschoten was. In de loop van de dag werd water opgetrokken in de halletoren om de goten te voorzien tegen de perikelen van brand. De Hollanders brachten een Franse officier in de stad die ze naar de gevangenis geleid hebben.

De Hollanders meenden dat ze een officier van de Fransen gedood hadden op zijn paard, aan herberg genaamd ‘Het Panhuis’ buiten de Tempelpoort, binnen de kruisen. Maar ze kwamen bedrogen uit. Het bleek om een man te gaan die gemaakt was van stro en gekleed vastgemaakt op een paard zat. De Hollanders hadden de stropop van het paard geschoten in de mening dat het een vijand was die kwam met listen om hen en de stad te verraden. Wat waren ze blij dat ze hem met hun kanon hadden kunnen treffen.

Zaterdag 13 juni 1744. De Hollandse blijdschap wegens het doodschieten van een Franse officier veranderde eerst in spijt en vervolgens in wreedheid. Vandaag, toen eenieder meende dat het brandstichten eindelijk afgelopen was en dat ze de Fransen ten volle verjaagd hadden, staken de Hollanders nu de hofstede Deraedt tussen de Tempel- en de Mesenpoort in brand. Dat betekende de totale vernietiging voor de gebruiker want hij had enkel maar zijn paard en de koeien kunnen redden, vermits ze hem de tijd niet lieten om zijn meubelen te redden en te vluchten, in zover dat ze hem in het huis wilden opsluiten om hem mee op te branden.

Daarna hadden ze ook herberg ‘Het Kleen Rijselken’ in brand gestoken. Die lag buiten de Mesenpoort, binnen de kruisen gaande naar Waasten en werd bewoond door weduwe Verdonck, voorheen Pyckaert en in huwelijk met Jacobus die het huis vijf weken geleden gekocht had aan Jacobus Fouster, getrouwd met weduwe Joannes Merlevede wonende in de hostellerie-herberg genaamd ‘Het Kleen Rijsel’ bij de Grote Markt in de Zuidstraat.

Die dag, wezende zaterdag, had men binnen Ieper geen markt gehouden. Dan werd er ook een publicatie gedaan dat diegene van de burgers die geweren hadden, die op het stadhuis van de stad moesten binnenbrengen op straffe van een boete. Dat was om te voldoen aan het verzoek van de commandant, de prins van Hessen aan het magistraat van de stede. Want hij vreesde dat de burgers tegen zijn troepen zouden rebelleren en in opstand zouden komen.

Dit is een fragment uit Boek 1600-1784 van De Grote Kroniek van Ieper

Article Categories:
1600-1784
banner