In de maand april 1384 hield Filips de Stoute zijn hof in de stad van Rijsel. Het was dus via de Mesenpoort dat hij op die 24e april zijn intrede zou doen in de goede stad van Ieper. Al spoedig begonnen de schepenen op te stappen in de richting van die stadspoort. Ze deden dat via de Zuidstraat waar ondertussen al de wapengilden en talrijke ambachtsgilden opgesteld stonden. De magistraten liepen er natuurlijk bij in vol ornaat. De geestelijkheid droeg zijn priesterlijke kleding met het kruisbeeld voor zich uit.
Gevolgd door de ‘piper’ en de ‘tromper’ van Poperinge en de minstrelen die op kop van de stoet liepen. De hoofdmannen, dekens en gezellen van de wapengilden vormden nu een soort van escorte. Een bedienaar van de stad droeg de standaard van Ieper en een andere het banier van de hertog, geschilderd door Labaes. Terwijl ze bij de Mesenpoort stonden te wachten op de hertog stelden de proost van Sint-Maartens en zijn geestelijken zich op op de loopbrug, achter de schepenen, de honderdmannen met de lieden van hun kwartieren of vierendelen. Ze vormden een haag van twee rijen tussen de aanloop van de vestingen tot aan de poorten van de stad. De pipers en trompetters hadden zich geplaatst bovenaan de Mesenpoort.
Weldra kondigden de minstrelen de nadering van de hertogelijke colonne aan. En vervolgens weerklonken de harmonieuze akkoorden van de pipers. Ze gaven te kennen dat monseigneur het ‘Niewescet’ had overschreden. Die grens of ‘Nieuwgescheid’ was de uiterste grens van het Ieperse schependom, ter hoogte van het kruispunt van de wegen van Waasten en van Mesen, de limieten van de Ieperse ‘extra muros’. Langs dat ‘Niewescet’ hadden de twee edele ridders Michel van Lembeke en Philippe van de Poule op 2 april 1270 in opdracht van gravin Margareta van Constantinopel het eerste kruis geplaatst om de grens van het Ieperse schependom af te bakenen.
De nieuwe heer reed dan al te paard op het extra muros grondgebied van Ieper en hij naderde de stad. In een wolk van stof zagen ze de schittering van de helmen, wapens en rijke klederdracht belegd met goud en zilver weerschijnen in de zon. Margareta van Male en hun oudste dochter, de toen nog bijzonder jonge juffrouw van Bourgondië of ook al Margareta genoemd die later de gravin van Henegouwen zou worden, vergezelden Filips de Stoute.
Een omvangrijk gevolg van heren en hovelingen volgde de prins. Allen waren te paard en hun gevechtskledij was bekleed met een schitterende wapenuitrusting. De hertog en hertogin hielden stil op het moment dat ze in de omgeving van de vestingen aangekomen waren. De pipers gaven dan al hun beste klanken ten beste terwijl de – door Jean le Boom en zijn twee broers in 1377 gegoten grote klok – bovenop het belfort aan de burgers de aankomst van de nieuwe graaf in hun stad meldde. Nadat ze de hertog hartelijk welkom geheten hadden, nodigden de schepenen het gezelschap uit om zijn intrede te doen in Ieper.
De stoet kwam meteen tot stand en stapte onder de poort door. Op kop stapte de clerus, gevolgd door de schepenen en de magistraten en dan kwamen de hertog, hertogin, juffrouw van Bourgondië en hun talrijke hovelingen die traag in hun voetspoor traden. Deze schitterende stoet zette zich op weg naar de Sint-Maartenskerk. Via de Zuidstraat, de Neermarkt, de Aalstraat en de Leet. De woningen van die straten waren bekleed en zaten verstopt achter Ieperse lakens.
De leden van diverse ambachtsgilden vormden een erehaag bij de doortocht van de prins. De mensen van het gemeen juichten Margareta van Male toe, de dochter van hun laatste graaf van Vlaanderen. Terwijl de hertogelijke stoet het kruispunt opsloeg op de plaats voor het belfort, begonnen de ‘pipers’ en de trompetter die al toegelopen kwamen van de vestingen en al opgesteld stonden op de galerie van het belfort hun harmonieuze klanken te spelen, daarbij aangemoedigd door de menigte. Bij de kerk werden de hertog en hertogin ontvangen door de proost van Sint-Maartens, omringd door zijn kanunniken. Nadat de hertog en hertogin een gebed hadden gelezen bij het koorgestoelte, schonk het koppel nu twee goudkleurige lakens en een som van 30 frank. Vervolgens werden ze in stoet naar het Gulden Halletje gebracht.
Daar zetten de prins, prinsessen en de heren voet aan de grond en beklommen ze de grote trap die naar de lakenhalle leidde en naar de schepenkamer. De burgers en de ambachtslieden – zeg maar alle inwoners van Ieper – stonden verzameld op de Grote Markt die amper groot genoeg was om plaats te bieden aan de bevolking van deze volkrijke stad om eerst en vooral de eed van de nieuwe heren te ontvangen en vervolgens om zelf hun eer van trouw en manschap af te leggen.
De gilden en de corporaties stonden opgesteld onder hun talrijke banieren waarvan de wind hun emblemen in de lucht lieten wapperen. De standaard van de stad fladderde op de eerste rij. Filips de Stoute, hertog van Bourgondië en Margareta van Male, erfgename en ‘natuurlijke’ dame van Vlaanderen verschenen op de bretesk. Op het goudkleurig laken lag het boek van het evangelie. De prins en de prinses legden hun handen op het heilig boek en, toen het stil werd, legden ze hun eed af aan de verzamelde stad. Dat gebeurde met volgende verklaring:
‘Wij zweren aan onze stad van Ieper en aan de burgers van hier dat we een goede en loyale heer en dame zullen zijn en dat we onze stad van Ieper en zijn burgers zullen beschermen, verdedigen en in stand houden in hun wetten, privileges, vrijheden, gewoonten en gebruiken. Dit zweren we tot god en al de heiligen van het paradijs’.
De menigte juichte vervolgens zijn nieuwe heer toe en de klok van het belfort vermengde zich met de uitbarsting van vreugdegeluiden. Maar dan werd het opnieuw stil. Een raadslid-pensionnaris, vergezeld van de schepenen stond opgesteld naast de hertog en de hertogin. Met een zware en luide stem las hij daar hoog op de bretesk de gebruikelijke formule voor van de belofte van trouw en manschap: ‘Dan zweren wij, allen van het gemeen, bij dezelfde eed die onze geduchte heer en prins die we hier voor ogen hebben en die hij ons afgelegd heeft als graaf en prins van het land en het graafschap van Vlaanderen, dat ook wij zijn goede en getrouwe onderdanen zullen zijn en zijn recht en heerlijke justitie, de grenzen van zijn land en graafschap te bewaren en te doen wat getrouwe onderdanen verschuldigd zijn te doen tegenover hun geduchte heer en prins, zo moeten god en al zijn heiligen ons helpen.’ Bij die woorden heften de burgers en de ambachtslieden de hand in de hoogte en schreeuwden ze als uit één stem ‘dat zweren wij!’.
Dan zwaaiden de banieren van de gilden in de hoogte, de ‘pipers’, de trompetter en de minstrelen voerden de laatste stukken van hun programma uit. De zware klank van de grote klok op het belfort mengde zich met het geluid van de kleine klokjes en het juichen van de Ieperlingen. De gemeenschap was nu terug in zijn stadsrecht hersteld. Al zijn oude privileges, vrijheden en voorrechten waren herbevestigd en de nieuwe heer had de eed van trouw ontvangen van zijn onderdanen. Een nieuw pact was gesloten. De officiële ceremonie was afgelopen.
Filips de Stoute en Margareta van Male, dochterlief juffrouw van Bourgondië en de heren van hun hof werden nu naar de schepenkamer gebracht. De trappen lagen vol biezen en dat was ook het geval voor de omgeving en de vloer van de schepenkamer. De magistraten complimenteerden er hun nieuwe heer. En dan presenteerden ze hun gasten en de personen van hun gevolg gesuikerde amandelen, fruit en Malvoisiewijn. Vervolgens werden de hoge gasten teruggebracht naar hun logies.
Twee knapen hielden de wacht rond de herberg. Ze stonden onder het bevel van vier hoofdmannen die belast waren om dag en nacht te waken over de orde, rust en vrede in de stad. ’s Anderendaags werden aan mevrouw van Bourgondië vier scharlakens, vier andere exemplaren, twee groene, twee ‘sangwyne’ lakens en zes tonnetjes wijn aangeboden. Samen met 643 ponden was en twaalf snoeken die bedekt waren met een linnen doek. Die geschenken die men in de 19e eeuw zou beschouwen als onwaardige cadeaus voor een soeverein, zorgden in de middeleeuwen voor een aanzienlijke uitgave die opliep tot een bedrag van meer dan 1.475 Parijse ponden.
Aan juffrouw van Bourgondië schonken onze magistraten iets meer geschikt dan wijn of snoeken. Ze overhandigden haar een zilveren kroes met deksel en een kruik voorzien van een waterfontein, met een gewicht van 8 marken. Die geschenken legden dus niet al te veel gewicht in de schaal en kostten amper 61 ponden. De snoeken kostten daarentegen 143 pond en dus meer dan 20 pond per exemplaar. Deze vissoort was dermate waardevol en vooral zeldzaam in 1384 en vormde een gerecht dat maar zelden te zien was aan de tafel van de prinsen of van de grootste heren.
De secretaris van de hertog kreeg misschien als vergoeding voor de kamerheer, mevrouw de Salgy en mevrouw de Reneval, als teken van erkentelijkheid zes Ieperse lakens met een totale kost van 468 ponden. Jehan de Cleemerchy – de hotelmeester van de hertog – ontving een gift van 70 ponden. Volgens de rekeningen die onze tresoriers hadden opgemaakt, betaalden ze bij die fameuze blijde intrede de aanzienlijke som van 2.710 ponden. En dat op een moment dat de financiële toestand van de stad die vorig jaar geruïneerd werd zich in grote moeilijkheden bevond. Maar hoe dan ook hadden ze in Ieper nood aan een schitterende ontvangst van hun nieuwe en machtige heer.
Dit is een fragment uit Boek 1381-1528 van De Grote Kroniek van Ieper


