banner
sep 4, 2025
111 Views
Reacties uitgeschakeld voor Geschut op de vestingen

Geschut op de vestingen

Written by
banner

Woensdag 6 september 1944. Ik (Jozef Deschuytter) was al vroeg uit de veren om de Duitse soldaten in mijn schuilplaats aan de berm van het kanaal wat koffie en brood te brengen, maar mijn twee gasten waren verdwenen, net zoals de soldaten aan de overkant van de vaart. Na zelf gegeten te hebben, drentelde ik langs het kanaal naar de Centrale Brouwerij waar ik een achttal Duitsers zich zag ingraven in het midden van de droge vaart. Ik maakte rechtsomkeer en ging naar huis om een wapen te halen. Ik liep dan al een eerste Britse of liever Poolse bevrijder tegen het lijf aan wie ik onmiddellijk kenbaar maakte wat ik gezien had.

Samen het Jef Depuydt en nog anderen die ook over een geweer beschikten, trokken we voorzichtig naar het groepje Duitsers. Bovenop de Centrale Brouwerij was iemand bezig met een vlag te plaatsen. We hoorden een schot en zagen hoe de man met de vlag neerstortte. Later zou blijken dat het om conciërge Jérôme Devreker ging die gedood was toen hij de Belgische vlag had willen uitsteken.

Onmiddellijk liep onze Poolse verkenner met de stengun in aanslag zigzaggend op het groepje toe en riep iets in het Pools waarop één van de Duitsers recht sprong, de armen in de hoogte zwaaide en ook de anderen volgden zijn voorbeeld. Zo gemakkelijk hadden we het ons niet voorgesteld, vooral na de verwarring van het schot vanuit de vaart. Terwijl we de Duitsers met de nodige voorzichtigheid ontwapenden, brabbelde onze verkenner en de Duitse Pool in hun moedertaal met elkaar, waarop ze elkaar omhelsden.

De Britse Pool bood zijn landgenoot sigaretten aan en een dronk uit zijn veldfles. Ik kreeg ook een slok, maar verschoot van kleur: het was pure whisky. In colonne per twee brachten we dan de eerste krijgsgevangenen naar de Dikkebusseweg en verder naar de Capucienenstraat. De beide Polen spraken heel hartelijk met elkaar in hun moedertaal en nu en dan vroegen ze me om inlichtingen, de ene in het Engels en de andere in het Duits.

Er stonden aan weerszijden van de straat al veel mensen buiten en ze klapten luidruchtig in de handen. Aan enkele huizen hingen er zelfs al vlaggen buiten, bij sommige zelfs de verschillende vlaggen van de geallieerden. De Pool was zeer verstoord toen hij tussen al die vlaggen ook een Russische ontwaarde en maakte de opmerking: ‘als we met de Nazi’s klaar zijn krijgen die ook hun beurt want ook de Russen waren Polen binnengevallen!’. Aan de Crescendostraat zagen we dan de eerste tank opduiken, die was bij een draaimanoeuvre tegen de gevel van een huis aangereden.

Ik maakte de tankcommandant er attent op dat er op de vestingen tegenover de Dikkebusseweg een antitankkanon en een machinegeweer opgesteld stonden. Hierop reed de tank tot op de brug van de vaart en loste een schot vlak op de vesting waar het mitrailleurnest zich bevond. De bres in de vestingmuur zou lange tijd zichtbaar blijven!

Wij togen met onze krijgsgevangenen verder tot aan herberg ‘De Vier Koningen’. Daar werden bloemen aangeboden aan de beide Polen en werden ook foto’s gemaakt van de Britse en de Duitse Pool die elkaar broederlijk omarmden. We trokken verder langs de Posthoornstraat (Capucienenstraat) naar de Poperingseweg. Aan de hoek van de Capucienenstraat en de Poperingseweg stond een andere verkenner die me bevel gaf om de krijgsgevangenen naar de wezenschool over te brengen. Hij ondervroeg de Duitsers en ze antwoordden op militaire wijze, t.t.z. met het klikken van de hielen, ze waren allemaal ‘Deutscher’. Een van hen antwoordde slordig ‘Jao’ met een stuk sigaar tussen de lippen en kreeg meteen een oorvijg. Gelukkig veranderde de man onmiddellijk van houding. De Duitse Pool werd naar een tank gebracht waar hem eten en drinken aangeboden werd.

We trokken nu met de gevangenen naar de wezenschool. Omdat het gebouw verlaten en gesloten was, schoot ik het slot van een deur stuk en bracht de gevangenen in een klaslokaal. Ze mochten het zich gemakkelijk maken tussen de schoolbanken en er blijven wachten op nieuwe bevelen. Ze waren in het algemeen opgelucht dat de ‘Krieg’ voor hen op zo’n verrassende manier afgelopen was. Ik keerde dan terug naar de tank op de Poperingseweg waar we vernamen dat er belangrijke weerstand geboden werd vanuit café ‘Au Faubourg’ aan de hoek van de Capronstraat en de Vaartstraat.

De tankcommandant gaf ons enkele handgranaten en een stengun en vroeg of we het café langs de achterkant van het H. Hartgesticht konden benaderen. Met enkele mannen slopen we voorzichtig achter de boerderij, door de velden tot achter de cabine van de spoorweg en tegen de vaart. Inderdaad: uit de bovenste vensters van het café werden bij tussenpozen salvo’s in de richting van de Poperingseweg afgevuurd door een machinegeweer. Nu en dan verschenen ook enkele geweerlopen die in deze richting schoten.

Een reus van een Pool sleepte een mitrailleur in het midden van de Poperingseweg en vuurde een salvo in de bovenste ramen van het café. Later zou ik vernemen dat die Pool daar gedood werd. We vuurden nu ook terug vanaf de spoorlijn en wierpen onze granaten die tegen de gevel van het café uiteenspatten. Met het gewenste effect want onmiddellijk werd heel voorzichtig een witte vlag uit het raam gestoken. We naderden voorzichtig de voordeur en één voor één kwamen een twintigtal Duitsers met de armen in de lucht naar buiten. Tamelijk hardhandig omwille van hun verzet en het neerschieten van de Pool werden de gevangenen ontwapend. Een brancardier toonde me angstig zijn geopend verbanddoosje en vroeg me om het te mogen houden aangezien er gewonden waren, iets wat we toestonden.

Een tweede maal keerden we naar het verzameloord terug met onze lange rij krijgsgevangenen, naar de wezenschool. Ondertussen waren daar verscheidene mannen van de Witte Brigade toegekomen die onze taak overnamen. De Poolse commandant van de tank kwam ons bedanken en zegde dat er voor ons verder niets meer te doen was in Ieper aangezien de hele stad bevrijd was. We wensten hem ‘goodbye’ en ik trok naar huis, erg vermoeid na zo’n bewogen dag. Tegen de avond was ik dan de wapens die in mijn bezit waren gaan inleveren op het stadhuis te Ieper. De droevige herinnering aan de overrompeling in 1940, mijn krijgsgevangenschap en mijn drie jaar lang onderduiken waren nu vergeten. We waren opnieuw vrij!

Dit is een fragment uit Boek 1925-1945 van De Grote Kroniek van Ieper

Article Categories:
1925-1945
banner