Maandag 9 september 1793. Afgelopen nacht hoorden we alle kanonnen en caissons passeren. Ze kwamen van Ieper. De plaats van Reningelst stond vol. Ze klopten op alle deuren. Elke burger had zijn woonst verlaten en de mensen kwamen wel elke nacht met pak en zak in het kostershuis slapen omdat het een weinig ten uitkante lag. Het leek er op dat ze pas gerust waren toen ze daar mochten rusten. De Fransen braken ondertussen enkele deuren open. Omdat ze niet veel vonden, vertrokken ze al gauw. Het was best aangenaam om dat te kunnen meedelen want ik kon alles afloeren door een zoldervenster. Ze bleven hangen in Zevekote. Martinus Hallynck had zijn pendule verstopt in de vuurplaats. De Nations meenden dat het een hesp was en hadden ze aangeslagen.
Door de aanval van gisteren was de schrik in de stad algemeen, maar vandaag – rond 15u – was de vijand al opnieuw voor Ieper gekomen. Die van ons hadden dapper geschoten toen de Nations schuin over hetzelfde Augustijnenstraatje een lichte batterij hadden opgesteld. Die werd uiteindelijk door het voortdurend losbranden van ons grof geschut vanaf de vestingen omver geschoten. Heel de Kalverstraat, een deel van de Lange en Korte Meersstraat en andere wijken van de stad waren grotendeels beschadigd, maar eindelijk had de vijand voor de tweede maal moeten wijken. Die terugtocht gebeurde pas om 22u met een merkelijk verlies van manschappen. Er waren bij ons integendeel maar drie doden en verscheidene gekwetsten.
Al de woningen van de Kruisstraat en het omliggende werden ook zeer gehavend door het kanon van onze stad, vermits de vijand zich er achter verschanst had, voornamelijk de herbergen genaamd ‘Het Pannenhuis’, ‘Het Poperingje’, ‘De Vier Koningen’ en ‘De Drie Posthoorns’. Door het in elkaar stuiken van een huis in de Kalverstraat waren winkelier Jacobin Sauvage en een dochter gedood. Op de Grote Markt werd scharenslijper Francies Chenex een bil afgeschoten waardoor hij korte tijd later gestorven was.
De vijanden kwamen voorbij door de Klijtte, met vijf of zes wagens waarop gekwetsten lagen die van Ieper kwamen. Door Reningelst werd een gekwetste generaal gedragen, met acht mannen die men opeiste om te helpen dragen. De man was een arm afgehakt door een Huzaar en had nog een schot in de onderbuik. En nochtans deed hij van tijd tot tijd een Rijsels schietgebedje. Ze bleven hier pauzeren bij de woning van Pieter Le Maire, want hij moest zijn grote toer doen en men zocht ondertussen om nieuwe dragers te vinden. Maar de plaats was zo leeg alsof de pest gemaaid had onder de inwoners. De Nations leken wel op een eiland te staan. Pieter De Rie, kleermaker aan de Ouderdom en Philippe Baelde, ook al een kleermaker werden dan toch ontdekt en waren nu gedwongen om een handje te helpen om de gekwetste naar het hospitaal te Belle te dragen.
Bij hun aankomst deden ze moeilijk om de gekwetste generaal te ontvangen. Want, zo zegden ze, men zou nog acht of negen wagens met gekwetsten moeten opvangen. Ze werden bedankt en de Fransen gaven onze twee kleermakers een vrijgeleide voor hun moeite. Ze hadden in elk geval de eer om een generaal gedragen te hebben. Toen de dragers nog onderweg waren naar Belle met hun gewonde maakten ze soms een verkeerde stap waarbij de gekwetste dan ‘Jezus, Maria!’ uitriep en toen spotten onze mannen in het Vlaams tegen elkaar dat hij nu wel tijd genoeg had om een heilige te aanroepen.
Bij hun terugkeer was een van de dragers nog te moe om helemaal naar huis terug te keren. Ze bleven dan maar slapen in Westouter waar hij ondertussen nog bestolen werd van zijn kazak. Veel van die Franse troepen die van Ieper afgekomen waren, bleven ‘s avonds kamperen op de velden van de Rentakker.
Maar ‘s anderendaags kwam hier een patrouille keizerlijken voorbij op de plaats en de Fransen braken hun kamp op.
Dat gebeurde rond 14u en ze lieten nogal wat marmieten en kasserollen achter. Ondertussen voerden de Fransen tuig weg uit de hofsteden van Geloen, Crabben en van Caerel Beuns op Westouter. Zo was er onder andere sprake van 26 wagens met hooi. Een deel van de Nations hield lelijk huis in Vlamertinge. Ze hielden er twee dagen halt. Ze staken herberg ‘De Engel’ in brand en ook het schoolhuis. Ze pluimden Gryson van zijn horloge, laarzen, collet-slot en 6 kronen. Dat was de knecht van de koster en de man die belast was met het onderhoud van de kerk. Terwijl ze hier bezig waren, voerden ze de zes klokken van Dranouter weg. Een Franse commandant die zich alleen gewaagd had te Vlamertinge werd door de burgers aangevallen en ze dreigden ermee om hem te vermoorden.
Tussen 14u en 18u zetten de Nations hun aanval verder. Hun kanonnen en batterijen schoten gloeiende ballen over de stad, maar ook vanuit Ieper kregen ze kanonvuur te verwerken. De Fransen waren dan maar terug vertrokken naar Dikkebus en Poperinge, met het verlies van wel enkele honderden mannen, wel 1.500, want de kasseiwegen, dijken en weiden lagen vol naakte doden. Het verlies in Ieper-stad was dat de binnenstad grotendeels beschadigd was, maar bij de militairen waren er weinig gedood en gekwetst, een stuk of vijf, zes. Drie à vier burgers stierven. Het garnizoen in Ieper bestond uit 1.200 mannen. De commandant van de stad was kolonel de Salis, een commandant van het regiment van Stuart.
De Fransen hadden in de nabijheid van het Augustijnenstraatje een lichte batterij gemaakt en ze beschoten de stad. Weer kwam de artillerie van de stad tussenbeide en de Franse batterij werd weggeschoten. Er was echter serieuze schade binnen de stad. Een deel van de Korte en de Lange Meersstraat was getroffen, net zoals de Kalverstraat.. Er waren een drietal doden gevallen in de stad. De volgende morgen brachten de boeren van Vlamertinge een gevangengenomen verdwaalde Franse kolonel binnen in de stad.
Generaal-majoor baron von Salis was militair gouverneur van Ieper en voerde het bevel over een garnizoen van meer dan 6.000 man. De samenstelling van zijn troepensterkte zag er als volgt uit: de Oostenrijkse infanterieregimenten van Stuart en Schroeder, een bataljon van Kallenberg en een Hannovers cavalerie eskadron. Later zouden daar nog zes Hessense compagnies uit de regimenten van Losberg en prins Charles aan toegevoegd worden. Zo bedroeg de getalsterkte van het garnizoen meer dan 7.000 man.
Daags na de inname van Hondschote kwam een divisie Fransen vanuit Poperinge tot voor de poorten van Ieper en de stad werd gesommeerd om zich over te geven. De gouverneur – generaal-majoor de Salis – die nochtans maar over een klein garnizoen beschikte, antwoordde negatief op die eis. Hierop begon de Franse artillerie om 15u vanuit de kanten van Vlamertinge Ieper verwoed te bestoken met kanonballen. Het hevig bombardement sleepte aan tot 19u. Het klein Oostenrijks garnizoen, ondersteund door veel keizergezinde Ieperlingen hadden een dapper vuurgevecht geleverd tegen de Fransen die nu hun beleg opbraken.
Te Stavele bevonden zich heel wat vluchtelingen. Pastoor Vandermeulen was er één van en getuigde dat ze op amper 2 mijl van Hondschote al om 8u het geschut gehoord hadden en dat zou duren tot 12u30. Het deed de toehoorders sidderen van schrik en schroom. De musketschoten leken wel aan elkaar te houden, dat moest zonder meer het afgrijselijkste geschut zijn dat Vlaanderen ooit gehoord had.
Na de slag van Hondschote waren de Fransen binnengevallen in Leisele, Izenberge, Houtem, Wulveringem en Vinkem. De 80-jarige pastoor Boddaert van Houtem en zijn collega Hamers van Izenberge werden gevangengenomen en naar Frankrijk overgebracht. De pastoor van Leisele en de onderpastoor van Izenberge hadden kunnen vluchten. Maar de splinternieuwe pastorie van Leisele werd helemaal leeggeplunderd en verwoest. Een overgrote hoeveelheid wijn werd er gestolen en leeggedronken. De Fransen rukten Beveren binnen en net als in Leisele, Houtem en Izenberge plunderden ze in alle huizen, mishandelden ze de inwoners om hen geld en andere waardevolle zaken af te persen. De kerk van Beveren werd lelijk toegetakeld.
Dit is een fragment uit Boek 1785-1829 van De Grote Kroniek van Ieper


