Maandag 6 mei 1918. De Berlijnse oorlogsverslaggever ging verder op pad in de geteisterde frontstreek. ‘Na het offensief van de Duitsers had ik Ieper gezien van het oosten uit. Ieper, groot, uitgeleefd, wit gebleekt, waarin zijn beroemde dood zich nu eerst knusjes thuis moest voelen. We waren van Kortrijk over Menen naar Geluwe gereden. Maar halfweg Geluveld, de heuvels op, was de weg nog te primitief, wilden we er de auto niet verder aan riskeren en gingen we te voet. In tegenstelling tot het land van Bapaume en Péronne waar alles uren en uren ver van oost naar west gaande, verwoesting was omdat de frontlijn daar in de afgelopen jaren telkens heen en weer gedrukt was, toonde Vlaanderen meer een plaatselijke vernieling.
Je kon een uur van de frontlijn verwijderd zijn en eigenlijk nog weinig van de oorlog merken, op het land totaal niets, in de dorpen alleen hier en daar wat vliegerschade, wat artillerietreffers van de offensieven van 1914, maar dat was alles. Moesten de Duitse wegwijzers en opschriften, de vreemde uniformen en de militaire colonnes er niet te zien zijn, dan zou het hier lijken op vredestijd. Vooral omdat alle velden bebouwd waren, het vee – niet veel – liep rustig door de weiden, de voorjaarsgewassen stonden er prachtig bij en in de lentezon kleurden ze op met die heerlijke onverschilligheid van de natuur te midden van het oorlogsgeweld.
Maar koerste je naar het westen, dan begon langzamerhand de omgeving te neigen naar het abnormale. Het viel op dat de burgerbewoning verdween, dat nog alleen wat soldaatjes uit de vaak glasloze ramen van de dorpshuizen nieuwsgierig de voorbij stuivende auto’s nastaarden. Het waren ook niet langer de vrolijke dorpen van daarnet. Meer dan de helft van de huizen was vervallen, getroffen, uitgebrand of gedeeltelijk ingestort. Dan kwamen rechts of links van de weg de eerste trechtergaten in de mulle aarde, meestal kleine kuilen die weinig indruk maakten. Maar hier en daar ook diepere, vlak bij de weg, zwaardere kalibers die onmiskenbaar voor de straat bedoeld waren. Hier was het ook afgelopen met de landbouw.
Hier waren de bomen langs de weg gekapt voor het uitzicht. En waren het in Frankrijk de hoog tegen de hemel aftekenende Christusbeelden die van hun kruisen met droevige blik in de wildernis en de verwoesting staarden, dan waren dat in Vlaanderen vooral de Maria-figuren die met stille glimlach door het land keken. We arriveerden nu in de strijdzone. Bordjes langs de weg gaven de opmars- en terugtochtwegen aan, duidden op munitie-bergplaatsen, die door de ondervinding geleerd niet langer uit grote opeenstapelingen bestonden, maar uit talloze met tientallen meter tussenruimte geplaatste hoopjes munitie, in de akker ingegraven, met gegolfd plaatijzer en daarna met aarde bedekt.
We reden langs afscheidingen van divisies, langs gewondenverzamelplaatsen en langs ineengestuikte schuilplaatsen van vroegere gevechten. Nu kwamen de dorpswrakken. De meeste huizen waren onbewoonbaar geschoten, van hun dak beroofd. De kerken waren ruïnes, de torens vaak middenin getroffen, het bovengedeelte opzij gestort of ineengezakt. Een enkele stond nog recht in een komische poging om zijn collega van Pisa te evenaren. Ongemerkt nam het aantal trechtergaten toe, ook midden op de straat. Zodat we langzaam moesten rijden en als een bootje in de branding moesten rondhuppelen.
Tot we midden in de trechtervelden van de laatste weken beland waren en onze auto moesten achterlaten. Dat hier toch nog, zo kort na de offensieven, weer een weg was voor infanterie en artillerie, ja zelfs nog begaanbaar voor zware mortieren, was een wonder van pioniersarbeid. Het was weliswaar niet langer de liniaalrechte weg van vroeger, maar we zagen na de droge dagen van de afgelopen weken dit alles op zijn gunstigst. We moesten ons dus best even inbeelden dat de artillerie de infanterie op de voet moest volgen op een ogenblik dat er niets was dat ook maar op een weg geleek.
En dat men onder het zwaarste artilleriegeschut de trechtergaten met puin had moeten aanvullen en over al de te grote trechters bruggen had moeten aanleggen die een ogenblik later door een granaatregen weer tot splinters geslagen werden. En dat in een tijd toen het stortregende, dag en nacht aan een stuk en een laag vette brij alles bedekte. Dat waren misschien nog de grootste helden, die pioniers die niet als de infanterie vooruit stormen in de koortsige opwinding van een voorwaartse beweging, maar stil moesten voortwerken op momenten dat de granaten en granaatkartetsen in massa’s neervielen, zonder dat ze zich zoals de mannen in de eerste linie konden indekken, zich konden verspreiden of zich neerleggen.
Dat was het terrein tussen de tweede en eerste stelling. Het was een golvend heuvelland waarin de stellingen grillig kronkelend over de toppen liepen en de verbindingswegen door de dalen gingen. De Ieperboog tekende zich af … in de lucht! Niet door een fata morgana, maar door een werkelijk beeld: door tien, twintig Duitse kabelballonnen die aan hun staalkabels hemelhoog stonden te draaien in de frisse wind. Vergeefs zocht ik naar het westen naar hun Engelse collega’s. Die leken een heel stuk teruggehaald te zijn naar de kanten van Hazebrouck. Waarom was dat? Stond dat in verband met het feit dat er vanochtend geen enkele Britse of Franse granaat in onze richting viel? Duidde dat misschien op een voornemen van Foch om Ieper tenslotte toch op te geven en terug te trekken op de Hazebrouck-linie nu ze er nog de tijd voor hadden?
De Duitse officieren die ik hier ontmoette, bevestigden dat het opvallend rustig was. Tot gisteren zelfs lag de weg waarop we liepen zwaar onder Brits vuur gelegen. Ik kreeg de indruk dat de Engelsman, hoe hij ook Ieper zelf aan het versterken was, in de stad slechts een opnamestelling zag ter dekking van zijn latere vrijwillige terugtocht die hij door tegenaanvallen in de sector Kemmel hoopte van nog te kunnen uitstellen tot zijn nieuwe stellingen die hij met koortsachtige ijver aanlegde in de lijnen Hazebrouck-Poperinge-Sint-Omer-Duinkerke gereed waren.
Zodra we de lijn van de voorste Duitse stellingen voorbij waren en dus in niemandsland dat hier slechts enkele tientallen meter breed was, begrepen we hoe in dit arme land gevochten was. Dus tussen deze heuvelruggen had jarenlang een vreselijke strijd heen en weer gegolfd! Om meters was hier gestreden! De Duitsers lag met zijn voorste stelling op de voorlaatste hoge heuvelrij, de Engelsman op de laatste ruggen naar Ieper toe. Alleen de Duitse kabelballonnen en vliegers konden Ieper in de vlakte zien liggen. Voor de infanterie bleef de dodenstad die ze sinds 1914 niet kon bereiken, verborgen. Ze braakte haar vuur uit, dag en nacht voort, maar vertoonde zich niet. Wel kwamen in 1917 de Britten met grote overmacht uit hun loopgraven en drongen ze de Duitsers steeds verder van Ieper weg.
En zo werd meter naast meter van deze rampzalige landstreek doorboord en omhoog gespoten, dooreengemengd met het bloed van duizenden met het puin van voor eeuwig verdwenen dorpen, met het ijzer van granaten en in honderden stukken verbrijzelde vuurmonden. Een griezelige onnoemelijk vuile, alles bezoedelende oorlogspap! Felle losbrandingen naast het scheuren van de atmosfeer knalden met dierlijke woede en rommelden na als de echo van honderd opgejaagde olifanten in een oerwoud. Dat waren Duitse batterijen die de terugtochtwegen van Ieper naar het westen onder vuur hielden.
De vuurmonden stonden ongedekt in het open veld, slechts beschut door hun grillige beschildering. Geen rookwolkje echter verried hun standplaats. Nog verder naar voor gingen we tot voorbij de eerste Britse stelling. Van draadversperringen was hier niets meer over. Ze waren murw geschoten door het vuur dat aan de stormaanval voorafging. Maar de loopgraven waren er nog, met hier en daar de betonnen blokhuisjes op de hoogste punten. We stonden op de hoogste rand van het heuvelterrein, en daar … beneden ons …in de vlakte … lag Ieper! Je kon Ieper vanaf deze deuvels op twee manieren zien. Dat leek het toch. Op vijf kilometer afstand lag de stad, badend in het zonlicht.
Van onze standplaats af daalde het terrein nog even tot aan de voor ons liggende veel lagere heuvel, om dan langzaam over te gaan in de vlakte. Onderaan die tweede helling lag wat nog over was van het door de Duitsers bezette Hooge. En nog voor het Hooge, naar Ieper toe, duidelijk te herkennen aan de shrapnelwolkjes die er onophoudelijk boven zweefden, lag de nieuwe voorste Duitse stelling, op sommige plaatsen hoogstens duizend meter van de stad. Rechts naar het noorden toe, in de richting van Verlorenhoek en Langemark beletten nieuwe heuvels het uitzicht. Links, vlakbij lag het stille meer van Zillebeke waar nu Duitser en Engelsman elk één oever bezet hielden.
En nog verder naar het zuidwesten dook de kegel op die Kemmel heette, die honderdzestig meter hoge aardklomp die zich in deze dagen om zijn plotselinge beroemdheid meer verbeeldde dan alle toppen van de Alpen, de Himalaya en de Rocky Mountains samen. En recht voor ons lag het dode Ieper. De sterke artilleriekijker was voor ons ingesteld op de kathedraal en de lakenhalle. We waren er, dankzij de prachtige lenzen nu vlakbij. En we geloofden onze ogen niet. Was dit Ieper, die reuzencollectie broksteen, die grote puinenverzameling, die armzalige uitstalling van dakloze huizenkadavers?
Moest dat, dat niets, nog vallen?? Wat nu al in de eeuwigheid gevallen was? Zo leek de vlakte van Ieper. Maar het was immers anders! We stonden immers aan de rand van een onmetelijke doodskrater van peilloze diepte. Alle wereldse misère, alle jammer van wat in deze eeuw van verschrikking ‘oorlog’ heette, was duizendvoudig verzameld om deze helleplek.
Straks zou die zon belichte stad als een moderne Hades haar vuur uitbraken en de randen van deze jammerkrater zouden trillen; een dikke walm van gifgassen zou aanrollen uit de diepte en opkruipen tegen de heuvelwanden, die als eindeloze kerkhoven waren. In het nachtduister zouden straks de mondingsvlammen van duizenden Krupp-satellieten hun vuilrode schijnsels omhoogwerpen, vuurpijlen en lichtkogels zouden ten hemel schieten als kronkelende, krachtige grijparmen, lichtend als spookachtige, helse ogen. En midden uit de jammer-ruïnes zou wit gebleekt het reuzenskelet opstijgen van de Vlaamse hellewachter, de dood van Ieper….
Dit is een fragment uit Boek 1918-1924 van De Grote Kroniek van Ieper


