banner
jun 19, 2026
100 Views
Reacties uitgeschakeld voor Het kwaadste rampbericht

Het kwaadste rampbericht

Written by
banner

Zaterdag 1 augustus 1914. De zaterdag voor Tuindag was de markt een zonderlinge markt. De orgels hadden twee, driemaal hun deuntjes afgespeeld en de paardenmolens enkele rondjes gedraaid. Maar elkeen vond dat het gezien de omstandigheden – als een haar in de soep – niet erg paste. Het zeil werd over de molen gehaald. De orgels zwegen en de arme kermislieden trokken hun wagen binnen, zeurend over het verlies van hun dagelijks brood. Het was treurig maar het moest nu eenmaal.

Want muziek klonk vandaag vals als een vloek en geen mens trad op de molen. Treuriger was het om te zien hoe de landlieden naar de markt gestroomd kwamen, met heel hun hoenderhof die ze geplunderd hadden. De maïs was ineens tien percent in prijs gestegen en het gevogelte was geen geld meer waard. Elk trok ‘s middags naar huis, geladen met jonge kiekens, oude hanen en hennen, eenden en ganzen die ze gekocht hadden voor een appel en een ei, aan een spotprijs had men een pot vol hoendervlees gekocht.

Geringe en arme lieden mochten nu ook eens kiekens eten, maar het zou binnenkort ‘s morgens kiekens zijn, ‘s middags kiekens en ‘s avonds alweer kiekens zijn, kiekens in ‘t wit, kiekens in ‘t groen, kiekens gekookt, gebraden, gestoofd. Maar het bleven altijd kiekens en men werd er zodanig ‘vernoegd’ van, dat men ze niet meer konden rieken of zien.

Treurig was nog het beslag dat gelegd was op alle dienstbare paarden. Mobilisatie en opeising waren woorden die bij het uitbreken van een oorlog door de taal vlogen als de eerste obussen door de lucht. Veel voerlieden, nijveraars, boeren die met hun paarden naar de markt kwamen, hoorden het eerst ronken van opeisingen toen ze hun dieren die ze voor hun wagens spanden of uit hun stallen moesten halen om naar de veemarkt te voeren om daar onmiddellijk geprezen, verkocht en geleverd te worden, voor de dood. Het grootste deel van die schone dieren was vertrokken om nooit meer terug te keren.

Sommige mensen verkochten hun dieren zoals hun hooi en stro – als loutere koopwaar – blij om de klinkende munt want paarden gingen groot geld. Zulke mensen zouden met dezelfde voldoening en de lach op hun tronie hun huis, hun land, hun hart en ziel verkopen als het maar geld opbracht. Dat was de commercie, t.t.z. de geldjacht en die legde alle hogere gevoelens stil.

Het merendeel van de eigenaars bracht zijn paarden – hoewel tevreden om de hoge som die ervoor beloofd was – toch maar met een benepen gemoed binnen en velen van wie hun hart bloedde, lieten dat niet blijken omdat met hun paard een stuk van hun leven en hun broodwinning er vandoor ging. Allen trokken treurig terug naar huis. De stad zelf ging rusten, half verlegen en wat ziekjes door de eerste pijn van die nieuwe oorlog.

Zondag 2 augustus 1914. Een van de eerste dagen in de oogstmaand ontving Ieper het kwaadste rampbericht die het ontvangen kon, te weten dat van de oorlogsverklaring van Duitsland aan België. Pas was het krijgsrumoer over de Balkanstraten gaan liggen of daar schoven weer zwarte wolken over de politieke hemel. Men was er tamelijk gerust in geweest.

De vorstenmoord te Sarajevo werd door de Oostenrijkers in de schoenen van Servië geschoven en Frans-Jozef stelde onhaalbare eisen ter vergoeding. De tsaar wou niet dat er onrecht gedaan werd aan de Slavische Serviërs en Duitsland zat op de loer om Oostenrijk in de gordijnen te jagen. Italië als derde lid van het drielandenverbond hoorde bij Duitsland en Oostenrijk.

Frankrijk was de trouwste bondgenoot van Rusland en Engeland zat al vele jaren aan het meesmuilen en zoete oogjes te trekken naar zijn eeuwenoude erfvijand Frankrijk. Wolken genoeg dus en daar zat de hemel er zwanger van vol. Nu konden bliksems gaan flitsen, de donder beginnen te rommelen en de poppen aan het dansen gaan.

Dit is een fragment uit Boek 1914 van De Grote Kroniek van Ieper

Article Categories:
1914
banner