banner
jan 21, 2026
51 Views
Reacties uitgeschakeld voor Kokerulle, Kokerulle, Kokerulle

Kokerulle, Kokerulle, Kokerulle

Written by
banner

Bij de algemene en aanslepende uitingen van mistevredenheid die zich manifesteerden tijdens de regering van Gwijde van Dampierre speelden nog andere effecten hun rol bij de Ieperse publieke opinie. Het despotisme van de leidende klassen was niet langer te verdragen. Als ‘jugeurs’ velden de schepenen arbitraire vonnissen. Hun uitspraken waren niet onderhevig aan beroep terwijl ze zich maar al te vaak onverantwoord gedroegen.

Diezelfde rechters en schepenen die hun almacht misbruikten, beheerden eveneens de stedelijke kwesties en vooral de financiën. De accijnzen en de taksen die ze naar eigen willekeur opeisten, stegen altijd maar weer zonder dat de aanwending van deze financiële middelen kon gecontroleerd worden. Want de bestuurders vergaderden immers in besloten omgeving. Het was zelfs mogelijk dat ze niet eens correct handelden, rekenden of inboekten. We troffen in elk geval geen enkele stadsrekening van voor 1280 aan in onze archieven.

De rekeningen waren zekerlijk onregelmatig en allesbehalve volledig. Toch diegene die opgesteld waren voor dit jaar 1280. Het was in alle geval niet moeilijk om elk spoor van mogelijke malversaties te doen verdwijnen door hun beheerders. En daarmee hield het niet op. De schepenen en hun aanhang maakten zich vaak schuldig aan een niet te verantwoorden machtsmisbruik. Ze stelden keuren op die niet alleen maar voordelig waren voor de geprivilegieerde kasten maar eveneens nadelig voor de ambachtslieden en in strijd met het algemeen belang.

Om de aanhangers van hun klassen te beveiligen, deden ze niets anders dan de groten te bevoordeligen. En de poorters moesten dat allemaal maar tolereren. Dat dubieus, zelfverrijkend en verdacht bestuur en deze keuren groeiden wel dagelijks aan, meer en meer.
De in hun belangen getroffen ambachtslieden zagen zich bedreigd in hun voortbestaan.

De publicatie van nog maar eens enkele bedenkelijke keuren zorgde uiteindelijk voor een kolossale woede-uitbarsting in Ieper. De publicatie van die nieuwe keuren was, zoals Gwijde van Dampierre achteraf zou vaststellen niet meer dan een gelegenheid geweest om de meute op te zwepen. De echte oorzaak van die eerste revolte was te vinden in de onacceptabele situatie waar de werkende klasse al lang in vertoefde.

De gespannen toestand bij het volk was op het einde van de 13e eeuw zo goed als algemeen in Vlaanderen. En ook te Ieper leidde die tot een gewelddadige uitbarsting. De wevers van Douai revolteerden. Te Luik was de geest van vereniging – overgewaaid van de overzijde van de Rijn – al lang tot stand gekomen. De plaatselijke arbeiderscorporaties kwamen in opstand tegen hun bisschop.

Die van Brugge die ook al net zo opgehitst waren, wapenden zich en doodden alle graafgezinden. Het was de eerste wapening in het graafschap en werd door geschiedschrijvers omschreven als de grote Moerlemaeye. En dan barstte ook in Ieper het geweld los bij de volksmeute, zeg maar een democratische revolutie gekend onder de naam van de Kokerulle.

Bij het begin van het jaar 1280 hadden de schepenen diverse keuren uitgeschreven die bijzonder schadelijk waren voor de ambachtslieden en het gemeen van de stad. Deze nieuwe aanslagen op de materiële belangen van de ambachtslieden betekenden de druppel die de emmer van bitterheid waarmee de schepenen hen hadden opgezadeld, liet overlopen. Van zodra de baljuw de ongelukkige keuren had afgeroepen, begon het gemeen te reageren. De wevers, volders en scheerders die vooral getroffen werden door de nieuwe wetten, zetten zich aan het hoofd van de volksbeweging.

Ze vroegen aanvankelijk nog beleefd dat die keuren zouden aangepast worden. Maar de schepenen verwierpen deze verzoeken met hun typisch neerbuigende houding. De volksmassa bleef ondertussen aanzwellen, de ambachtslieden maakten zich kwaad en met luide stemmen eisten ze niet langer de aanpassing van die rampzalige wetten maar wel degelijk de complete afschaffing ervan.

Maar het schepencollege weigerde halsstarrig om die in te trekken, de weerstand van het stadhuis leek onoverwinnelijk. Het rumoer bleef ondertussen maar toenemen en ontaardde in opstandig geschreeuw en scheldpartijen. Wevers, volders, scheerders en andere mannen verlieten hun werkhuizen en begonnen aan een algemene staking. Ze liepen met zijn allen door de straten van de stad terwijl ze altijd maar ‘Kokerulle, Kokerulle, Kokerulle’ riepen.

Zoals geschiedschrijver Le Glay aangaf, was de echte betekenis van dat woord verloren gegaan in de loop van de Vlaamse geschiedenis. Zou het niet mogelijk zijn dat het woord afgeleid was van het oud Vlaams woord ‘kokerullen’ dat volgens Kilian ‘celebrare hilaria’ of ‘feestvieren’ betekende? Men kon zich dus de vraag stellen of onze ambachtslieden, vooraleer ze hun werkruimte verlieten hun stakingsdagen niet beschouwden als rustdagen zoals feestdagen of dagen van vertier.

Hoe dan ook werd hun strijdkreet ‘Kokerulle’ overgenomen door onze arbeiders toen die terugkeerden naar het platteland vooraleer te beginnen aan de eerste vijandelijkheden tegen diegenen die hen nu al zo lange tijd overheerst hadden.

Het geschreeuw en de tumultueuze optochten hadden uiteindelijk toch voor de nodige schrik gezorgd bij de schepenen en hun aanhang. Ze beslisten om de keure alsnog in te trekken en nieuwe keuren op te stellen. Om dat te doen, begaven enkele boodschappers zich naar Parijs om de nieuwe teksten te laten onderwerpen aan de goedkeuring van Gwijde van Dampierre die aan het koninklijk hof van de Franse koning verbleef. De teksten van de originele keuren waren verloren gegaan en misschien wel vernietigd in het tumult. Toch bleek het mogelijk om de voornaamste principes ervan te achterhalen.

Geschiedschrijver Gheldolf had de drie nieuwe (vervangende) keuren onderzocht en geanalyseerd. Deze tweede reeks ordonnanties legde ongetwijfeld arbeidersvoorwaarden op die net de tegenovergestelde waren dan diegene die verschenen waren in de oorspronkelijke keuren. We konden er ons dus een goed beeld van vormen waarom die gezorgd hadden voor deze uitbarsting van geweld bij onze Ieperse ambachtslieden. Maar die studie zou ons nu te ver leiden.

Het enige dat we er nog bij konden opmerken was de wetenschap dat de nieuwe statuten gemaakt waren in het profijt van de schepenen en van de goede lieden, dat van de meesters en de knechten van de lakennijverheid en voor de scheerders. De nieuwe verordeningen formuleerden eigenaardige maatregelen. Ze regelden de verkoop van de laken, de aankoop van de Engelse wol en in het land zelf, de productie van de stoffen, de controle die er diende uitgevoerd te worden op deze productie, het werkregime van de arbeidersgilden, het salaris en de plichten van de ambachtslieden.

Samengevat: de organisatie van de handel en arbeid te Ieper rond 1280. De aantasting die daarmee toegebracht werd aan de materiële belangen van de ambachtslieden was zoals eerder geschreven de gelegenheid en niet de oorzaak van de revolte. Door de ruggen te rechten, wilden de ambachtslieden hun emancipatie afdwingen. Om te beginnen zeker hun participatierechten in hun streven maar een bestuurlijke en politieke gelijkwaardigheid.

De nieuwe keuren die ter goedkeuring voorgelegd werden aan de graaf waren bedoeld om een einde te maken aan de misbruiken van het oude regime. Ze dienden de perverse organisatie van het werk aan te pakken en dus wat te doen aan de materiële situatie van de werkende klasse. En tegelijk de privileges van de poorters te dimmen. Enkel de notabele handelaars waren toegelaten in de Vlaamse Hanze te Londen waar ze beschikten over het monopolie van de hoge handel ten nadele van andere handelaars en producenten.

De voorgestelde ordonnantie was opgesteld in het voordeel van de schepenen en de goede lieden en bevatte ook enkele regelingen van lokaal bestuurlijk belang, met de bedoeling om de bevoorrechte invloed van de superieure kasten af te zwakken op het niveau van de gemeenschap, om de werking van justitie te verbeteren en om de financiële malversaties aan te pakken.

Die laatste regelingen verzekerden inderdaad de controle op de stedelijke boekhouding door de burgers. Het schepencollege hoopte met de nieuwe keuren de publieke nervositeit te kalmeren. Het was zeer de vraag of dat nog zou lukken want de ergernis van de stakende ambachtslieden was immens. Het was natuurlijk mogelijk dat die nieuwe ordonnanties nooit gepubliceerd werden. Bij het begin van een revolutie was de tijd van onderhandelen maar van korte duur geweest. De ambachtslieden moesten zich haasten om te profiteren van de toegevingen, want anders zou het te laat zijn.

Hoe dan ook gingen te Ieper de wevers en de andere ambachtslieden al over tot de open revolte terwijl onze schepenen nog altijd overleg pleegden met de graaf te Parijs. De mistevredenheid van de arbeiders was in onze streken algemeen. De Kokerulle bleef geen revolutie die zich alleen maar op lokaal niveau afspeelde. Het Brugse noodweer was te horen tot in Ieper en de echo’s ervan leken op bliksemflitsen van een naderend onweer en wekten de landarbeiders die nog altijd in een feodaal keurslijf gehouden werden.

De onrust was vooral heftig in de parochies ten westen van Ieper. Voornamelijk te Poperinge, Westouter, Steenvoorde, Houtkerke, Rexpoede, Bambeke, Boeschepe, Linselles, enz. Die strekte zich ook uit tot enkele locaties in noordelijke richting, ten oosten en ten zuiden van onze stad. Zo bijvoorbeeld in Stavele, Bikschote, Noordschote, Elverdinge, Bavinchove, Komen, Kemmel, Belle en in andere plaatsen die deel uitmaakten van de generaliteit die dan benoemd was als het Westland en later zou uitgroeien tot ‘Westflandre’ en nog later het Westkwartier.

De meesters-wevers te Ieper beschikten dan al over talrijke weversknechten in deze parochies waar de lokale weefnijverheid nog niet gestoeld was op privileges en keuren. De verslagen van deze meester-wevers gericht aan hun arbeiders verklaarden de plotse ophitsing van de gemoederen die zich al snel verspreidde over deze dorpen waar de kreten ‘Kokerulle, Kokerulle, Kokerulle’ ook al direct aansloegen.

De emoties en de verhitte gemoederen waren dus levendig op het platteland toen de revolte van de Ieperlingen bekend werd. Net zoals de Ieperse wevers verlieten hun landelijke collega’s hun werkplaatsen en zetten ze zich aan het staken. Vervolgens namen ze de wapens op en snelden ze ter hulp van hun stadsbroeders. De stad Poperinge was blijkbaar uitgekozen tot verzamelplaats voor de diverse benden die gevormd werden door de inwoners van de parochies ten westen van Ieper. Een groot deel kwam van Westouter en stormde toe onder de leiding van de broers Meurin.

Zij arriveerden als eersten. Gewapende arbeiders uit andere buurdorpen sloten zich weldra bij hen aan. Te Poperinge zelf waren de ambachtsgilden al volop aan het rebelleren. Henri Oudewin had de ambachtslieden samengebracht en er werd besloten om een mars naar Ieper te ondernemen. Oudewin deelde wapens uit aan zijn ouders, zijn vrienden en aan andere lieden ten getale van meer dan honderd.

Maar de echte aanvoerder van de muiters was Henri del Eeckhout. Die bewapende de Poperingenaars en zorgde voor de nodige denieren om naar Ieper op te stappen. Ze kregen ook nog de hulp van een aantal van zijn klerken, de genaamde Guillaume en Pieterkin. De arbeiders van de diverse parochies ten noorden, westen en zuiden van Ieper vulden weldra de rangen van de rebellen aan. Men organiseerde te Poperinge zoveel als mogelijk een arbeidersleger te Poperinge.

De dorpsbenden, aangevoerd door hun landelijke aanvoerders stelden zich op naast de Poperingse ambachtslieden en onder het bevel van de stedelijke aanvoerders waarvan hun namen al geciteerd waren. Daarnaast was er ook sprake van de broers Lambins, Jehan Bliek, wevers, Hanin li Bom van de ‘Poterstrate’ en Lambins Barde naast andere samenzweerders.

Van zodra ze zich georganiseerd hadden, zette de colonne zich in beweging. Met aan het hoofd Henri del Eeckhout. Voor het vertrek van Poperinge stak del Eeckhout een tirade af tegen zijn mannen. Hij motiveerde hen, overhandigde hen denieren en zegde dat ze zich sterk moesten houden. Uiteindelijk begaven de luidruchtige, onstuimige en tumultueuze benden zich op weg naar Ieper.

We spotten er een menigte wevers, volders, scheerders en andere ambachtslieden zoals kaarsenmakers, schippers, molenaars, bakkers en beenhouwers die belast waren om de bevoorrading te verzekeren tijdens de tocht. Ouderlingen of gebrekkigen – zoals volder Johannes Boidings de le Porte – die niet bij machte waren om de trip te voet te doen, werden tot in Ieper meegedragen. Guillaume le Clerc – de raadsman van del Eeckhout – vergezelde zijn chef.

Hij had zonder twijfel de opdracht om de laatste geestelijke hulp te verschaffen aan de slachtoffers die in stervensnood zouden belanden. De colonne had nog maar amper Poperinge verlaten toen ze op de weg de ruiters Gerard van Reningelst en diens schildknaap Hunes li Skuvers tegen het lijf liepen.

Ze hielden stil. Was de heer van Reningelst met een deel wapenlieden naar hier gereden om de geallieerden van de Ieperse muitmakers aan te vallen? Die bewuste Gerard was een nobele ridder, dapper en geducht. De paniek was dan ook groot. Maar ze werden al direct gerustgesteld toen ze zagen dat het duo alleen op weg was. Moesten ze het opnemen tegen hen? Wat te doen? De benden beslisten wijselijk om hun reis verder te zetten, gevolgd door de heer van Reningelst die hen overlaadde met de meest nutteloze raadgevingen.

Bij aankomst in Ieper – voor de Boterpoort – sprak hij voor een laatste keer de kwade bende toe. Het was een moedige en lovenswaardige maar wel bijzonder riskante poging want de heer van Reningelst en zijn gezel dreigden opgeknoopt te worden. Achteraf zou hij getuigen over zijn ervaringen van die dag. Hij was de mannen van Poperinge inderdaad gevolgd tot aan de Boterpoort in Ieper en had hen gesmeekt om terug te keren want wie dat niet deed, zou later opgeknoopt, gestraft of in de gevangenis gegooid worden. De kolonne drong hoe dan ook zonder slag of stoot binnen te Ieper.

Wie zou er tenslotte tegenstand bieden? De schepenen hadden alle gezag verloren en zagen zich zelfs al van bij de aanvang verplicht om zich te verstoppen. Ondertussen hadden de ambachtslieden zich gehaast om alle stadspoorten open te breken. De volksbenden maakten zich meester van de stad, vergezeld van hun geallieerden en hun medeplichtigen van de omringende stadjes en dorpen. Ze leefden zich uit in verschrikkelijke gewelddaden, sloegen de deuren en ramen van woningen in, braken binnen en verbrijzelden er de meubelen.

Na deze inbraken volgde plundering en diefstal. De rebellen roofden het zilver en de waardevolle inboedel waar ze de handen konden op leggen. Hanin li Bom pikte onder andere 30 ponden die hij te Poperinge verdeelde onder zijn kompanen. Na het plunderen en verwoesten van die eigendommen begonnen de ‘slechte moordenaars’ personen aan te vallen. Burgers werden aangetast en gevaarlijk verwond met steenslagen. De Wilde doodde er twee, net zoals Williaumes Bellekin. Jean de Bavinchove bracht er zes of zeven om het leven. Andere rebellen begingen gelijkaardige misdaden.

Vooral de familieleden van de schepenfamilies of -geslachten waren blootgesteld aan de wraakzucht van het gemeen. Een plunderbende onder de leiding van de broers Blick vernielde de woning van schepen Jean Fierton die dat jaar zetelde. Ze vernielden zijn meubelen en ontvreemdden aanzienlijke sommen geld. Pierekin li Vroede de Wijze, de vader van schepen Jean le Sage werd ongenadig mishandeld en Hannekin Mont die behoorde tot de familie van Jehan Mont die in het schepencollege gezeteld had in 1271, 1276 en 1277 werd zwaar aangepakt en aan de schouders opgehangen.

De baldadigaards respecteerden niet eens de kerken. Dat konden we lezen aan termen als ‘heiligschennende aanvallen’. We mochten daarbij niet vergeten dat de geestelijken beschouwd werden als vriendjes van de notabelen. We moesten ons er dus niet over verbazen dat ze net zoals hen bekeken en aangepakt werden. Ten gevolge van die alliantie en de inmenging van de godsdienstklerken in de stedelijke kwesties was het religieus sentiment al voor het midden van de 13e eeuw sterk verminderd. De inwoners van Ieper verwaarloosden het vaak om naar de kerk te gaan, vooral dan als ze over ‘het woord van god’ wilden preken.

Een jaar eerder – in november 1279 – had bisschop Henri van Terwaan, zoals een van zijn voorgangers in 1235 maatregelen getroffen om dit misbruik in de kiem te smoren. Hij eiste van de proost van Sint-Maartens om zijn parochianen ertoe te dwingen om naar de preken in hun parochies te gaan. Hij moest de namen van diegenen die dat verwaarloosden, doorgeven aan hem of aan de deken van de christenheid en zijn afgevaardigden. Die moesten de recidivisten in de ban van de kerk slaan, net zoals ze dat deden met ketters.

Dit is een fragment uit Boek 0000-1289 van De Grote Kroniek van Ieper

Article Categories:
0000-1289
banner