banner
mei 25, 2025
149 Views
Reacties uitgeschakeld voor Preus lijk een pikhaak

Preus lijk een pikhaak

Written by
banner

Woensdag 6 september 1944. 22 jaar was en ik woonde in de Omloopstraat te Brielen. Het was mooi weer. Over de middag, nadat we gegeten hadden, lag ik te rusten op mijn bed want ik was in de voormiddag overal gaan kijken in de stad. Plots schoot ik wakker door een ontploffing. Ik wist nog niet dat de bevrijders daar waren. Maar mijn broer kwam binnengelopen en riep dat er tanks op de Poperingse route reden. Ik vroeg me af wat er gebeurd was. Mijn broer Jerôme en Willy Carlé die bij ons ondergedoken was, waren iets gewaar geworden en toen ze gingen kijken aan de zijgevel konden ze de tanks zien.

Maar, één van die tanks die aan herberg ‘De Anker’ stilhielden, moest bij ons beweging hebben gezien en misschien wel Willy’s grijze soldatenbroek bemerkt hebben, want hij schoot een granaat af op onze hofstede. Ze hadden maar één schot gelost en de granaat was bij ons in de nok van de paardenstal terechtgekomen. Het moest dan rond 13u15 geweest zijn, of misschien iets later.

Jerôme en Willy lieten zich dadelijk neervallen langs de gevel, op het moment dan de pannenbrokken langs de gevel naar beneden vielen. Iedereen was daarna in de paardenstal gegaan want de ‘fosseure’ was daar tamelijk sterk. We hadden er ook al gezeten in 1940 toen de Duitsers hun intrede hadden gedaan. Ik had me nog maar pas aangekleed toen Roger Alleweireldt van de Augustijnenstraat al toekwam om met mij tegen te gaan naar de tanks op de Poperingse route. We zijn dan gelopen naar de Poperingseweg, maar aan de hoek van de Augustijnenstraat met de Poperingseweg waren nog geen Poolse tanks te zien.

Er waren daar wel al Poolse soldaten. Ze kwamen van de hofstede van Devoldere en ze hadden Duitse krijgsgevangenen mee die ze daar uit de hangar gehaald hadden. Ze namen hun geweren af en begonnen hen te fouilleren.

De Polen waren wel wat agressief … ze rukten alles ruw open en zegden dat we samen met die gevangenen achteruit moesten. We kregen dadelijk een geweer en trokken met die Duitse krijgsgevangenen tot over de ‘grote traveer’ waar de tanks stonden. Daar stond ook de tank van de commandant. Ik had nooit gekeken wie dat was, een generaal of een kolonel of wie dan ook, hij was in elk geval de commandant van de tankbrigade. Ondertussen was er een verkenningswagen – een chainette – met de chauffeur en twee mannen er bovenop op de Poperingseweg langs de wezenschool voorbij de Capucienenstraat langs het ‘zothuis’ Ieperwaarts gereden.

Rechtover dat gesticht woonde de boer en beestenkoopman Gaston Outtier. Er lag daar een overschot van een bietenhoop voor de deur en daarachter zaten Duitsers met een machinegeweer. Ik dacht niet dat het een antitankkanon was.

Toen de chainette aan het ‘zothuis’ kwam, werd ze beschoten door die Duitsers achter die bietenstapel. De rupswagen maakte direct rechtsomkeer, maar de mannen die er bovenop lagen waren gewond. Ik zag hoe ze bij de ‘grote traveer’ in de ambulancewagen werden gelegd die wegreed in de richting van Vlamertinge. De commandant was razend, hij was ‘wroed van colère’ en dreigde ermee om Ieper te beschieten. Hij vroeg me wat er daar was en of Ieper bezet was. Ik antwoordde dat er niet veel Duitsers zaten in Ieper en ik was er vanochtend nog geweest.

Ik gaf aan dat hij beter Ieper kon omsingelen. Hij kon via de linkerkant langs de Augustijnenstraat naar Brielen-Hoekje rijden, en van daar naar de Kaai. Of hij kon rechts rijden, langs de Omloopstraat waardoor hij zou uitkomen op de Dikkebusseweg, waar later ‘Het Hoeveke’ zou liggen. Er waren Poolse soldaten bij die gingen kijken bij Jef Delporte die woonde in de eerste hofstede over het Rozelaarkasteeltje in de richting van Vlamertinge. Er stond daar een oud ‘hennenkot’.

Een van die Polen ging kijken in dat kippenhok en ik hoorde hem zeggen ‘Ha ha, ein Mädchen!’. Er bleken daar twee, drie Duitse soldaten te zitten, samen met een Française. De officier gaf me een schaar en zei dat ik wist wat ik daar moest mee doen. Ik had daar al iets over gehoord en zou het haar van die vrouw moeten afknippen. Ik gaf aan dat ik dat niet wilde en hij stak dan maar weer zijn schaar op zak. Ik ging binnen bij Delporte’s en vroeg of hier nog meer Duitsers zaten. Ze zegden me ‘wel Jef, er is een hele bende weggelopen langs de dreef naar achter!

We gingen dan met enkele Polen in die dreef waar een partij tabak stond achter het Rozelaarskasteeltje. En één van die Polen zette zich op zijn knie en schoot met zijn mitraillette een salvo boven de tabak. Er sprongen seffens een stuk of acht Duitse soldaten recht met hun armen in de lucht.

De Polen deden ze uit het tabaksveld komen. Er zat een dikke bij die beefde als een blad. Een Pool griste de revolver uit de holster van de Duitse onderofficier, een prachtige Lüger en hij wierp die over de haag in al dat struikgewas. Ik was die achteraf nog gaan zoeken maar had die niet meer gevonden. Ondertussen was heel de colonne tanks in beweging gekomen. Ze reden de Augustijnenstraat in en dan vervolgens door Vangheluwe ‘s weide waar een grote waterput was, achter de huizen in de richting van Brielen-Hoekje.

Bij ons was er ook nog een kerel van Vlamertinge, een zekere ‘Monksje’ – Raymond Leuwers van de Guido Gezellestraat in Vlamertinge en op zijn 18 jaar al tot de weerstand behoorde. Roger Alleweireldt was weg en Monksje vroeg of we ook eens zouden opschuiven in de richting van Ieper.

En ik zei van ja. En we vertrokken Ieperwaarts, elk met een geweer op onze schouder, ‘preus lijk een pikhaak’, eerst langs de Poperingse route, dan de Capucienenstraat en de Tuinwijk in, alleen onder ons, want daar was geen enkele Pool te zien. We gingen langs de Centrale Brouwerij zodat we uitkwamen op de Dikkebusseweg voor café ‘Sint-Elooi’ aan de brug. We stonden daar aan de zijkant van de weg en plots kwam daar een oude Duitser af, zijn gezicht in bloed alsof hij erg gekwetst was. Hij droeg geen wapens meer.

We namen die Duitser mee en stapten verder langs de Dikkebusseweg tot aan herberg ‘De Vier Koningen’ en dan de Capucienenstraat in. We zagen juist aan de Paterskerk Duitse soldaten de straat oversteken in de richting van de kerk. We schoten naar hen maar we troffen niemand en dat was maar best ook. Onze Duitse gevangene zei dat hij dorst had. We belden aan bij een huis om te vragen of ze geen water of een andere drank hadden voor die soldaat.

We vervolgden nu onze weg naar de Paterskerk, belden aan bij het klooster. Maar de paters zegden dat de Duitsers door de poort in de tuin verder getrokken waren. Onze Duitser begon weer te pruttelen maar de paters vermoedden dat hij vreesde om doodgeschoten te worden. Ze slaagden er in om hem wat te kalmeren. We lieten de tuin van de Paters links liggen en keerden via de Capucienenstraat terug naar de Poperingseweg. Er bevonden zich daar twee Poolse estafetten met hun motoren. De ene was een groot slank type, een vriendelijke vent.

De andere was bleek van vel en zag er een ‘koleirigaard’ uit. Het eerste wat hij zag, was het ijzeren kruis aan het lint van onze Duitsers. Hij legde er zijn vuist op en rukte het af met de revers van zijn jas. We vertelden dat we Duitsers gezien hadden aan de Paterskerk en ze wilden er snel achteraan gaan.

Hij liet zijn motor ter plekke staan en wij gingen samen met hem de Tuinwijk in. We bereikten de oever van de vaart en zagen ze daar liggen op een droge plaats, dicht bij de Centrale Brouwerij. Onze Pool zette zich neer en schoot een salvo met zijn mitrailleur boven hun hoofd en riep hen toe dat ze moesten rechtspringen en hun wapens laten vallen. Het moest rap gaan want vanaf het station waren ze ons met mortieren aan het beschieten. We trokken dadelijk met onze krijgsgevangenen langs de Dikkebusseweg achteruit.

De Pool vroeg ook aan de Duitse krijgsgevangenen of er geen Polen bijzaten. En er was één van hun landgenoten bij. De twee Polen vielen in elkaars armen. De Duitse Pool kreeg direct een revolver. Aan de hoek van de Dikkebusseweg en de Capucienenstraat nam Roland Depuydt – de zoon van de bakker – een foto van de twee Polen, de Engelse en de Duitse. Hij had eerder ook al een foto genomen van Monksje en van mij met onze Duitse krijgsgevangene.

We keerden nu terug naar de hoek van de Poperingseweg en de Capucienenstraat, met onze krijgsgevangenen. Ook de Duitse Pool werd meegevoerd en mocht direct andere kleren aantrekken en meevechten als hij dat wou. Er waren nog meer Duitse krijgsgevangenen. Een van hen rookte een sigaret. De Pool ging voor hem staan en hij sloeg met zijn hand in een zwarte handschoen met een klets de sigaret uit de mond van de Duitser. De infanterie arriveerde om langs de Poperingseweg naar Ieper te trekken. Maar in café ‘Au Faubourg’ aan de hoek van de Capronstraat en de Vaartstraat – bij de overweg – zaten Duitsers op de verdieping met een mitrailleur.

Ze konden van daaruit de Poperingseweg op een afstand van 200 meter tot aan de bocht helemaal bestrijken. De Polen waren dan gekomen met een ‘chainette’ en een mortier en begonnen granaten te schieten naar dat raam in die herberg. Maar ze konden geen doel treffen, hun granaten vielen overal in het rond op de straat.

De Polen werden er in elk geval een tweetal uur tegengehouden. Ze waren dan één van die kleine straatjes ingegaan en ook achter de muur van het Heilig Hartgesticht om dichterbij te geraken. Aan het station en aan de vestingen zaten ook nog veel Duitsers. Aan de Dikkebusseweg werd een Poolse estafette die de stad wou inrijden, neergeschoten. En dan … eindelijk, om 20u30 – 20u45 bij het vallen van de avond, gaven al de Duitsers zich over. Ze kwamen met de witte ‘drapeau’ de Poperingseweg op en werden eerst naar de wezenschool op de Poperingseweg gebracht, waar Roger Alleweireldt hielp om die krijgsgevangenen te bewaken. En dan waren we de stad ingetrokken. Wat een euforie heerste daar!!

Dit is een fragment uit Boek 1925-1945 van De Grote Kroniek van Ieper

Article Categories:
1925-1945
banner