Donderdag 22 april 1915. Aan de Times werd gisteren vanuit Noord-Frankrijk geseind dat, hoewel het schitterend en zegevierend gevecht ten zuidoosten van Ieper dat afgelopen was met de verovering van Hill 60 toch van relatief geringe omvang was vergeleken met de grote slag bij Neuve Chapelle. Maar met de resultaten van de verovering van Hill 60 lag de weg wel open om een gevoelige slag toe te brengen aan de vijand. Hill 60 was een hoge rug tussen Zillebeke en Klein Zillebeke, met zijn top bij het Zwarte Leen. Deze was rijkelijk voorzien van loopgraven en werd door de infanterie bezet gehouden.
Hill 60 vormde een beschutting voor de grotere heuvel bij Zandvoorde – Geluveld – ongeveer vijf kilometer meer oostelijk, aan de weg tussen Ieper en Menen, waar zich de artilleriestelling van de vijand bevond. De heuvel van Zandvoorde was de hoogste heuvel in dit district. Hij beheerste de hele streek en vormde de sleutel van de stelling in Belgisch Vlaanderen. Dit werd ook vastgesteld bij de gevechten die zich ontwikkeld hadden t.g.v. de Eerste Slag om Ieper in oktober 1914. Er werden veel en verwoede gevechten geleverd om het bezit van de heuvel bij Zandvoorde want zij die er meester van werden, zouden de toestand beheersen. Op 31 oktober viel heuvel nummer 60 – Hill 60 – in handen van de vijand en die had zich er zich sindsdien gehandhaafd.
Hij had er batterijen van zware kanonnen geplaatst die Ieper verwoest hadden en maandenlang hadden ze er de opmars van de Britse troepen van Ieper naar Menen en Rijsel vanop die plaats belet. Nu was Hill 60 in onze macht. Het scherm van de loopgraven was veroverd. De gelederen en de vijand waren doorbroken en teruggedreven. De heuvel van Zandvoorde was beroofd van zijn voornaamste bescherming en lag nu gevaarlijk. Indien de vijand van Zandvoorde verdreven werd, zou de linie over een aanzienlijke afstand in de richting van Menen teruggebogen worden. Een daarop uitgeoefende druk kon zeer goed tot een doorbraak leiden, want hier hadden de Duitsers geen vooruitspringend front als bij La Bassée en Saint-Michel. Hier hoefde men een binnenwaartse kromming met Zandvoorde in het midden.
De verovering van Hill 60 was gevolgd op een lange periode van betrekkelijke rust in dit deel van Vlaanderen. Gedurende de wintermaanden hadden onze soldaten moedig in de loopgraven gewerkt en gevochten. Maar ze hadden weinig indruk gemaakt op de vijand, aangezien ze blootgesteld waren aan een vuur van granaten en shrapnels die vanuit Zandvoorde op hen neerregende, en aan de kogels van de scherpschutters die op de gunstig gelegen plaatsen van Hill 60 geposteerd waren. Maar al die tijd waren onze geniemannen aan de arbeid geweest. Meter na meter hadden ze hun gangen verder gebracht naar de loopgraven van de vijand op de heuvel. En eindelijk werd een mijn geplaatst, die zondagavond ontplofte en de weg voor een aanval op de heuvel vrijmaakte.
Maar ook de vijand was bezig geweest met het graven van mijngangen. Maar die van onze eigen genie hadden hen overtroefd. Naar verluidt had het niet zo veel gescheeld want een half uur later zou de vijand zelf zijn mijn onder onze loopgraven hebben doen springen. De voorbereiding tot de aanval, de aanvoer van kanonnen en de versterking van de infanterie was goed verborgen gebleven. De stelregel dat men moest aanvallen bij het aanbreken van de dag, werd opgegeven en de vijand was blijkbaar compleet verrast. De mijn onder de heuvel liet men zaterdagavond ontploffen en onmiddellijk daarna regende het granaatkartetsen en granaten uit onze kanonnen in de loopgraven op de heuvel.
Iemand die bij de aanval aanwezig geweest was vertelde dat het gebulder oorverdovend was geweest. Toen sprong onze infanterie uit haar loopgraven om de eerste linie loopgraven op Hill 60 te bestormen. Deze werden na geringe tegenstand veroverd, zo groot was de uitwerking van de ontploffing en van ons artillerievuur geweest. De tweede linie werd nog door een talrijke vijandelijke macht bezet gehouden en de Duitsers – verrast en zeer onder de indruk – vochten hardnekkig. Maar het élan, de moed en de vastberadenheid van onze manschappen waren onweerstaanbaar en de hele heuvel was weldra in ons bezit. Toen de duisternis inviel werden nieuwe troepen in de veroverde loopgraven gebracht. En tijdens deze nacht waren krachtige pogingen ondernomen om de beschadigde loopgraven te herstellen en ze in staat van verdediging te brengen.
Het werd echter een vreselijke beproeving voor onze jongens. De vijand had de heuvel binnen schootsafstand en de hele nacht door regende het granaten en de resultaten ervan. Toen de dag aanbrak, kregen ze nog geen rust want de Duitsers ondernamen hun eerste tegenaanval. Dichte gelederen van de in het veldgrijs geklede troepen zwermden uit over de vlakte en ze werden gedecimeerd door ons granaat-, mitrailleur- en geweervuur. De Bosch vormden zich opnieuw en zetten hun voorwaartse beweging dan met verwoede kracht voort.
Meer dan eens bereikten ze onze loopgraven aan de voet van de heuvel en dan was de bajonet nog extra nodig om hen daar weg te houden. Weer en nog eens weer werd de aanval herhaald. De strijd woedde hevig gedurende de hele dag. Maar toen de avond aanbrak hadden de moed en de voortreffelijke vechteigenschappen van onze mannen de overhand gehouden. De vijand droop af, met het achterlaten van stapels doden en gewonden. Ook onze verliezen waren zwaar, maar niet zo ernstig als eerst verondersteld was.
Dit is een fragment uit Boek 1915 van De Grote Kroniek van Ieper


