Woensdag 11 augustus 1855. Ik was teruggekeerd uit Ieper. Ieper in Vlaanderen, de stad aan de Ieperlee die het zijn naam had geschonken. Dankzij het aantal haltes onderweg en de snelheid van de trein kon ik in diezelfde tijd vanuit het binnenland even snel in Parijs geweest zijn dan in Ieper. Met daarbij niet het risico om twee keer vertrappeld te worden zoals in Mechelen als men van Antwerpen vertrok, in Kortrijk en een aantal keren bij het binnenkomen aan de stadspoorten van deze gezegende stad.
In Kortrijk moest ik er niet alleen op letten om me niet te laten verpletteren. Hier was er ook nog de drukte van het treinverkeer uit het noorden en het zuiden en het aantal treinen die allemaal op hetzelfde spoor moesten vertrekken. Veel plaats was er niet, bij het uitstappen van de wagon van Rijsel moest je er op letten dat je niet onder de wielen van de wagon naar Poperinge donderde. Ja, de reis naar Ieper was op zijn minst even lastig dan op weg te gaan naar Parijs. Terugkeren van Ieper, dat verliep vlotter, maar ernaartoe reizen? Dat was wat anders!
Maar ik bezocht deze stad dan ook niet elke dag. Op zich zeker spijtig, want voor een artiest was Ieper bijzonder charmant, dat was ook het geval voor allen die de grote herinnering van zijn geschiedenis koesterden, voor diegenen die een boontje hadden voor schone monumenten en voor wie van het goede leven hield. En door wat vaker naar hier te komen, zou men tot slot van rekening wat extra beweging en weelde bezorgen aan deze stad. Want deze kleine plaats van 15.000 zielen was ooit een edele stad van 200.000 inwoners geweest. Berucht en bekend omwille van zijn lakens die handelaars van heel Europa naar hier aantrokken met getuige daarvan stenen paleizen en een kathedraal groot genoeg om er keizers te laten in kronen.
Quantum mutata! Wat was alles hier toch veranderd. Op vandaag beschikte deze hoofdstad van de Westhoek niet over meer middelen dan gelijk welke plek in de omgeving na al de harde tijden die het als versterkte stad had moeten meemaken. Ooit ingenomen door de Gentenaars, door de prins van Condé, door Turenne, overgeleverd aan Lodewijk XIV dankzij het verdrag van Nijmegen, gesmoord door een vestinggordel die industriële steden ruïneerde. Het was in Ieper al zo ver gekomen dat de ontmanteling van zijn stadsmuren als een ramp beschouwd werd en dat zijn bestuurders de hemel moesten aanroepen om toch op zijn minst twee of drie bataljons infanterietroepen te mogen behouden. Huurlingen die toch ietwat uitzicht gaven op wat moderne welvaart. De Ieperlingen hadden gehuild als Calypso toen ze hun soldaten hadden moeten opgeven en toen de Minister van Oorlog op zijn beurt nog eens de afbraak van de vestingen had bevolen.
Maar het was nu tijd om wat te vertellen wat er vorige zondag gebeurd was tijdens mijn bezoek aan Ieper. Men opende er een tentoonstelling van schilderijen en een industriële beurs, een soort van prelude voor de grote landbouwtentoonstelling die volgende maand de deuren zou openen. En wat meer was; ze beleefden hier ook een soort kermis. Er zou een processie rondgaan en er was sprake van een foor en een wedstrijd van voordragen, zaken die op andere plaatsen drie keer niets voorstelden maar hier wel belangrijk waren in deze kleine stad. Ik wou graag de aangename aspecten koppelen aan de ernstige. De tentoonstellingen van kunst en nijverheid waren ongetwijfeld de meest serieuze kwesties waar ik niet veel over wou schrijven.
Mijn echt verhaal begon om middernacht. Het was bij dit fatale uur, met een heldere hemel lichtjes bevuild door enkele wolken en het geluid van de beiaard die in de provincie wel elke avond de plaats van een symfonisch orkest innam dat ik voor de eerste keer echt Ieper aanschouwde, of liever … niet kon zien. De plaats was stil, stom en somber en in de lucht zag ik een groot zwart spook opdoemen dat enkel maar het belfort kon zijn, met nog een ander en kleiner spook dat er rondwaarde en een nachtwaker bleek.
Het was tussen deze twee schimmen in dat ik mijn nachtelijke sigaar had gerookt, nu en dan eens struikelend over onbekende obstakels. Geen waterbuizen maar houtwerk van de barakken van de foor. Het spektakel op dergelijk ongepast uur, zelfs met de begeleiding van de beiaard kon me niet echt bekoren en ik keerde dan ook terug naar mijn hotel zonder iets anders gezien te hebben buiten de – vreemd genoeg – verlichte etalage van een pettenwinkel. Het was in elk geval een niet te weerleggen feit dat men in Vlaanderen overal excellente hotels en uitstekende bedden aantrof.
Ik werd de volgende ochtend gewekt door een helse muziek. Een trommelaar sloeg er op los en een orkest speelde fortissimo de triomfmars van de profeet. Met een ruk was ik uit bed, gooide me naar het raam en opende de blinden en zag ik …… Mijn kamer lag tegenover een binnenplaats met rechtover de ramen van andere kamers. Een charmante vrouw, jong en blond met lange lokken, gekleed in een witte ochtendjas keek me lachend aan met haar blauwe ogen.
Was ik nu werkelijk in Ieper? Wakker worden zoals schrijver Montaigne bij muziek met de allure van charme, bij een flinke zonnestraal en met daarbij de verschijning van een jonge blonde deerne met rode lippen en een witte badjas leek me allerminst onaangenaam. Ik keek op mijn horloge; 6u15, de muziek was niet langer te horen, tijd om wat verder te slapen. Toen ik ontwaakte was het al 9u, de vrouw stond er nog steeds en ik hoorde opnieuw muziek. Een kwartier later besefte ik dat het om een processie ging die maar bleef voorbijkomen.
Toen ik uiteindelijk op de Grote Markt aankwam, was ik helemaal verrukt. Het krioelde er van de mensen te midden van de barakken, de boetiekjes, de zonneschijn en de geluiden. Een waarlijk schitterend spektakel. Voor mijn ogen ontvouwde zich de immense voorgevel van de lakenhalle, door een van onze historici zo mooi vergeleken met wat men kon bewonderen in Sienna en Firenze. De twee verdiepingen gracieuze spitsbogen, reusachtige kantelen die aan de hoeken van het gebouw afliepen op elegante torens. En dan de belforttoren, dit antiek monument en bewijs van Iepers stadsrechten, het symbool van de burgermoed van zijn inwoners. Het belfort bekroonde deze tempel die opgericht was dankzij het werk van een onafhankelijk en vrij volk.
In de consoles aan de flanken van de gevel prijkten de beelden van de graven van Vlaanderen en de hertogen van Brabant die ons herinnerden aan eeuwen van glorie en strijd. De hoge klokkentorens van de kerken herhaalden de krachtige en actieve wil van onze voorvaderen. Al die weelderige huizen met hun slanke geveltoppen, levendige souvenirs van een rijk verleden. En in dit pittoresk kader beladen met die stralende zon als getuige speelde zich voor mijn ogen een levend schilderij af, met die massa, de traditionele handelaars van Vlaamse zoetekoek die ze met luide stem aanprezen, foorkramers van vreemde toestanden die op hun kassa sloegen om de mensen met hun klatergoud te verleiden.
Charlatans die van alles en nog wat kwijt wilden, bedevaarders die hun door Sint-Hubert gewijde ringen lieten zien, volkszangers die zongen over de slag van Sebastopol, rieten karren die landlieden aanvoerden, gekleed in hun zondagse kleren. Het was net een tafereel dat men kon aanschouwen in die oude schilderijen van de Vlaamse school en waar men miljoenen voor moest neerleggen om dergelijk tafereel op doek te kunnen bezitten. En dat ik hier zomaar kon aanschouwen op deze schitterende zomerochtend in een van de oudste steden van ons land. Het speet me niet langer om naar Ieper gekomen te zijn en ik gooide me meer dan een uur volop in het stedelijk gewoel. Ik kocht een Vlaams liedje over de slag van Sebastopol.
De processie van Onze-Lieve-Vrouw van Thuyne wenste ik niet te omschrijven want alle processies leken wel op elkaar. Die ging over het beleg van de stad in 1383 waarbij de stad gered werd. Met Sebastopol in het achterhoofd moest die vrouw sterk geweest zijn en verdiende ze haar processie. De stoet die ik in de vroegte had horen voorbijkomen, had er rondgetoerd tot na de middag en dan was er een nieuwe stoet gevormd. Niet langer plaats voor plezier maar voor de zwarte pakken van de lansiers en de vrijwillige brandweerlieden van de stad die allerhande marsen en de Brabançonne speelden.
De burgerlijke en militaire notabelen stonden al klaar bij de lakenhalle om er de grote tentoonstelling van schone kunsten te openen. In Ieper speelde alles zich af in de halle. Hier was het stadhuis, de tekenacademie, de muziekschool, de basisschool, het werkhuis van de stad, de openbare weegschaal, de kleine slagerij, de grote wachtplaats, de opslagplaats van de archieven en een herberg.
Mijnheer Vandenpeereboom had er een mooie toespraak gehouden en de aanwezigen gewezen op de antieke schoonheid van zijn stad. Voor hem was het duidelijk dat die bewaard moest blijven. De kunsttentoonstelling zelf bevatte bijna 300 doeken, te veel om alle schilders op te noemen. Ik had geschreven over Ieper en zou er blijven over schrijven. Ik wou nu niet speciaal zeggen ‘Eerst Ieper zien en dan sterven’, zoals dat het geval was met Napels, maar de vreemdelingen die deze tweede editie van Brugge niet kenden, moesten kost wat kost komen kijken naar Ieper, achteraf konden ze dan wel wonen waar ze wilden.
Dit is een fragment uit Boek 1830-1876 van De Grote Kroniek van Ieper


