Zondag 25 april 1915. De explosies bleven maar aanhouden. Vanaf 10u zaaide een reeks vernietigende obussen weer brand en dood. ‘s Ochtends was van de Sint-Jacobskerk niet veel meer overgebleven dan een brandende puinhoop. Tegen onze verwachting in hadden de vlammen zich niet beperkt tot de toren maar waren ze doorgewoekerd tot in het schip van de kerk. Aan de zuidzijde van het brandende godshuis stonden de aanleunende gebouwen ook al in lichterlaaie, de congregatie van Sint-Jacobs, de zaal Iweins en meerdere woningen. Het was zondag, de dag van de Heer. Ik droeg de mis op tussen 6u en 7u, voor een twaalftal assistenten met inbegrip van de zusters.
Achteraf holde ik (Gustaaf Delahaye) naar de hulppost in Sint-Jacobs om te kijken waar ik hulp kon bieden, daarbij geflankeerd door Joseph Cottenie en Henri Meersseman. We drongen binnen in brandende woningen en sleurden er de voornaamste meubelen naar buiten. Met veel moeite konden we hier en daar het vuur afblokken. Op die manier konden we huizen van de families Pinte en Bruynsteen vrijwaren, net zoals het werkhuis van Leupe en het bijhorende woonvertrek. Of het woonhuis van mevrouw Vanderheyde. Op andere plaatsen in de stad waren eveneens heel wat woningen vernield of ten prooi van de vlammen gevallen. In de Diksmuidestraat, de Janseniusstraat, enzovoort. Het justitiepaleis had vuur gevat, de Grote Markt, de Leet, de behuizing van de lakenhalle en de Diksmuidestraat leken op een desolaat achtergelaten slagveld.
Vijf paarden, een ontmantelde munitiewagen, een verwoeste ambulance, hier en daar kledij, een groot pak dekens, de lijken van twee vrouwen en een soldaat lagen luguber op de met aarde bezaaide grond, naast stapels van uit de bodem gerukte kasseistenen of obuskraters. Op mijn verzoek gingen mijn vertrouwelingen Cottenie en Kerrinckx, vergezeld van Melle deze drie lijken ophalen en ze legden ze onder de Donkerpoort van de lakenhalle. Ik las er onder een regen van geschut de liturgische gebeden voor de overledenen voor en maakte alles klaar om ze een begrafenis te bezorgen.
Later in de avond kwamen iemand me vertellen dat er gewonden gevallen waren op de Oude Houtmarkt. Ik liep er naartoe met een verpleegster. Het onweer der obussen wilde maar niet ophouden. We troffen er Eugénie Catteau aan, met afgerukt hoofd. Haar zuster Hélène lag erbij met een geopende borstkas. Alfred Landtsheere was er niet beter aan toe: een verpletterde hand en een gebroken knie. De twee laatstgenoemden zouden het niet overleven. Nadat we de nodige zorgen hadden toegediend wilden we terugkeren naar onze basis. Dat moest gebeuren in de duisternis en het leek er bij onze terugtocht wel op dat we in deze donkerte begluurd werden door barbaarse moordenaars die ons op de voet volgden.
Meerdere obussen en shrapnels explodeerden telkens op enkele meter van waar we voorbijkwamen door de Korte Torhoutstraat, de Grote Markt en de Sint-Jacobsstraat. We voelden ons herhaaldelijk compleet verloren, blindgemaakt door wolken stof en omgeven door puin en opgeworpen aarde. Dunne splinters van explosies en kogels alom lieten voortdurend glinsterde spetters van de blinkende kasseien opspringen. Het leken wel dwaallichten die het op ons hadden gemunt en ons leken te omsingelen. Op een zekere kant leek het fascinerend maar hoe dan ook luguber, bijzonder kwaadaardig en allerminst geruststellend.
Maar ze kregen ons niet te pakken. Melle en ikzelf bereikten gezond en wel het klooster, helemaal bedekt met stof. Deo Gratia! De nacht zou bewogen blijven. Een stortbui van bommen, korte na middernacht viel een obus op de kloosterkapel die ons beschermde en nog maar eens veel schade opliep.
Dit is een fragment uit Boek 1915 van De Grote Kroniek van Ieper


