Donderdag 6 mei 1915. We hadden slechts enkele minuten om ons klaar te maken in onze rustplaatsen te Ieper waar we nog maar net teruggekeerd waren en kregen niet eens de gelegenheid om onze rantsoenen te verdelen die we gisteren in dubbele hoeveelheden hadden ontvangen. We moesten met weinig bagage optrekken richting Hill60 en lieten onze jassen en zware uitrusting achter in de kazematten.
De B-compagnie moest eerst optrekken met tien minuten verschil tussen elk peloton. Mijn peloton kwam als eerste aan de beurt. Het was volop dag en de kanonnen gaven van katoen. We vroegen ons af hoe ver de Duitsers doorgebroken waren. Toen we na een helse driehonderd meter aan de gracht net buiten de Rijselpoort kwamen, beseften we maar amper wat ons te wachten stond.
We droegen allen ons katoenen monddoekje om de hals, klaar om direct te gebruiken. Van zodra we ons op open terrein bevonden verspreidden we ons en trokken we voorwaarts, er voor beducht om op elk ogenblik beschoten te worden door een of andere verscholen Duitser. Via onze eigen veldbatterijen die er ook al op los schoten, zetten we onze mars verder. Tot we na herhaalde onderbrekingen eindelijk het met granaattrechters doorzeefde terrein bereikten. Het was snikheet en we leden verschrikkelijke dorst. Wat we onderweg zagen was niet van aard om ons op te beuren. Hele aantallen dode of stervende soldaten, sommigen gekwetst maar allen danig aangetast door gifgas.
De meesten kronkelden rond, onderhevig aan de meest vreselijke doodsstrijd. De kleur van hun gezichten en het schruwelen die ze uitbrachten waren ijzingwekkend. We konden niets doen voor hen en moesten verder nu ze naar adem snakten en in de genadeloze zon crepeerden. We meldden ons aan bij de adjudant van wat moest doorgaan voor het resterende Dorset regiment en kregen te horen dat we hen moesten bijstaan in de vuurlinie. Onze eerste taak bestond er in om alle lijken uit de loopgraven en de verbindingsloopgraven te verwijderen. Zwaar werk en het drinkwater was schaars. We probeerden dan maar het water uit de poeltjes naast de spoorlijn, vies en bruin water maar het was tenminste fris.
We werden af en toe van op korte afstand en in de rug beschoten, de Duitsers bleven maar door onze linies breken. We hadden er het raden naar waar precies op de linkerflank zich de dichtstbijzijnde Britse troepen bevonden. Op een bepaald moment zagen we een groot deel manschappen die op een meter of zeventig verderop links van de heuvel afgerend kwamen.
We dachten dat het Britten waren en staakten het vuren. Tussen het stof en de ontploffende granaten zagen we geen hand voor ogen. Tot we plots begrepen dat het geen van ons waren, maar Duitsers. Beide kampen waren van slag, wij werden door onze eigen kanonnen beschoten en de vijand door die van hen. Onze scherpschutters togen meteen aan het werk om te verhinderen dat de Duitsers zich zouden ingraven op de top van de helling.
Na een paar uur kregen we het bevel om zoveel mogelijk door te dringen tot aan die linkse loopgraaf. Een eenzame officier van de C-compagnie vertelde me dat we binnen een meter of veertig Duitsers tegen het lijf zouden lopen. Maar toch trokken we verder met mezelf op kop. De loopgraaf was heel erg beschadigd en leek doordrenkt met geel poeder – een soort d.d.t. – dat wees op de passage van gifgas.
Het lag er vol dode Duitsers, de ene boven de andere. Die van ons hadden er blijkbaar twintig ineens te grazen genomen. We klauterden over hun lijken, ze wiebelden en maakten ons het stappen moeilijk. Tijdens een van mijn manoeuvres boorde een kogel zich net naast mijn gezicht in een zandzak.
Een vuile ongeschoren Duitser staarde me aan met zijn geweer in aanslag. Hij vuurde vanuit een tien meter afgelegen versperring. Ik zocht dekking achter een lijk, tussen de Mausergeweren en allerhande munitie. Ik chargeerde mijn eigen geweer en gluurde even boven het lijk, wat een vreemd duel toch, maar we maakten ons daar niet druk om. Ik moest nu toch wel uitkijken om een betere barricade te voorzien. We lagen zo dicht van elkaar en geen van ons schoot raak. Tot mijn tegenstrever vermoedelijk het zinloze van de toestand inzag en de plaat poetste. Ondertussen was mijn peloton gearriveerd en konden we beginnen met het vullen van zandzakken.
We slaagden er in om een nieuwe borstwering aan te leggen en we stapelden de lijken op elkaar. De hele tijd moesten we onze hoofden intrekken want we werden ook nog eens van achter en van de zijkanten beschoten. Het was hier toch geen al te gezonde plaats om te vertoeven en ons tapijt van Beierse lijken was nu ook niet je dat. De Duitse ledematen waren te verhakkeld en hun schouders niet stevig genoeg om als steun te gebruiken. Ik dook nu over mijn mannen naar een beter en vooral gezonder stuk loopgraaf. Het was nu kwestie van een goede stelling in te nemen en over voldoende munitie te beschikken. En om voldoende handgranaten op de kop te tikken. Mijn sergeant vond er al direct een grote doos die ons prima zou helpen.
Een van de dode Duitsers bleek een drinkbus met koude koffie bij zich te hebben. Het was een echt godendrankje en dat die dode Duitser er daarnet nog zijn lippen had aan gezet leek me helemaal niet te storen. Met onze nieuwe voorraad handgranaten was ik wat overmoedig geworden. Want ik gooide er al meteen twee exemplaren over de Duitse versperring van zandzakken. Hun verwarring zorgde voor lol bij mijn eigen manschappen tot ze ons nu terug trakteerden met een hele lading en we wisten nu wel zeker dat die mannen erg precies konden mikken en gooien. Er volgde zeker een half uur van intens vechten en een aantal van mijn mannen werd getroffen.
Bij het aanreiken van een nieuwe krat granaten onthoofdde een ontploffing een officier van het Dorsetshire Regiment en ik was kwaad op mezelf dat ik hem daartoe aangesproken had. Na een uur van hard vechten kalmeerde het schieten ietwat. De vermoeidheid sloeg toe in beide kampen. Tegen dan was het al donker geworden en naar de nacht keken we allerminst uit.
Met de Duitsers die bijna op onze schoot zaten en dan nog zwaar in overtal waren. Wie weet zouden ze ons niet proberen te omsingelen. Ik had een aantal mannen er op uit gestuurd om de toestand te gaan verkennen en zou pas achteraf vernemen dat ze een na een neergeschoten werden. We hadden het bevel gekregen om zo lang mogelijk stand te houden. Maar nu kwamen we toch wel erg zwaar onder vuur te liggen van de Duitse mitrailleurs die blijkbaar een goede neus hadden voor de plaatsen waar ze zaten.
Nu de duisternis was ingetreden kregen we plots te maken met een onwezenlijke stilte. Wat een verschil met het gebulder van het voorbije etmaal. Maakten de Duitsers zich klaar om uit hun loopgraven te springen en ons met man-tegen-man gevechten aan te vallen? En zouden ze opduiken van aan onze linkerkant? Of misschien via de verbindingsloopgraaf?
Al die prangende vragen raasden door onze geesten. Ik beschikte dan over hoop en al twintig man en daarvan waren er nog een paar die waardeloos waren omdat ze bevangen waren door Duits gas. Rond 20u30 flitsten de lichten nu aan! Duizenden vuurwerkflitsen – een echte Crystal Palace show – lieten zich zien onder een immens geknetter. Ons geweervuur moest ergens een voorraad Duitse stergranaten aangetast hebben.
Het resultaat zorgde voor een spookachtige voorstelling, vooral met deze bizarre omgeving als achtergronddecor. De rest van de nacht zou het nog zelden compleet donker zijn. Rond 21u sloeg onze achterliggende artillerie met hernieuwde moed weer aan het vuren. Granaten en shrapnels zorgden voor de nodige extraatjes voor het nachtelijk licht. Maar we mochten ons nu toch wel aan een vijandelijke tegenaanval verwachten. Zo te horen van een van onze spionnen zou dat rond 22u gebeuren. En inderdaad. Op dat gezette tijdstip klommen de Fritz over hun borstweringen en ze werden meteen onthaald op een regen van geweer- en mitrailleurvuur. Onze artillerie was goed bezig maar ook hun vuur barstte nu los.
Het Duitse lood blies de arme Schotten achter ons van hun sokken waardoor hun gekwetsten al snel toestroomden in onze loopgraven. De mannen schreeuwden en gilden, de mitrailleurs ratelden, granaatscherven huilden, het lawaai was oorverdovend en letterlijk overal. Oorlog op zijn slechtst was het. Op het niemandsland zagen we onder de lichtschijn van explosies meer en meer lijken liggen en de gewonde en achtergebleven Schotten maar bleven toestromen tot bij ons. Ze ondersteunden elkaar zo goed mogelijk of ze sleurden de lichamen van gesneuvelde kameraden met zich mee. De aan flarden gescheurde resten van dit mooi regiment vonden hun weg naar mijn nu al overbevolkte loopgraaf.
Na een half uur werd de toestand zo mogelijk nog slechter met nog altijd maar meer geweervuur. Tot plots vanuit de duisternis een rij schimmige figuren leek op te duiken, met blinkende bajonetten. Dat kon wel eens een groot probleem worden. Tot we plots een Britse officier hoorden roepen dat ze er moesten invliegen.
Het bleek om versterking te gaan die er zo hevig op los schoot dat we het zelf moeilijk hadden om duidelijk te maken dat wij geen vijanden waren, zo hard schoten ze. Met die bende geagiteerde manschappen was mijn loopgraaf nu plots getransformeerd tot een compleet inferno. De Duitsers aan onze linkerflank bleven zich amuseren. Het Dorsetshire Regiment trok zich terug. De Schotten namen hun plaats in en daardoor kregen we wat meer ruimte. We beleefden hoe dan ook een bange nacht, wat hoopten we toch dat het snel weer klaar zou worden.
Toen het eindelijk zo ver was, zagen we er compleet verloederd en verfomfaaid uit. We hadden de voorbije 24 uur niets meer gegeten en ging op zoek naar voedsel. We vonden wat oudbakken brood en vlees in blik, verdeelden alles onder elkaar waardoor onze honger toch een beetje stilde. Een kort hazenslaapje in een hoekje van de verbindingsloopgraaf zat er niet in voor me. Want een Schotse kapitein wilde me spreken. Het hoofdkwartier vroeg of ik een mogelijkheid zag om de Duitse borstwering met schietkatoen op te blazen. Ik was direct bereid om het op zijn minst eens te bekijken. Daarbij ontsnapte ik maar amper aan een kogel in het hoofd. Het zou in elk geval niet lukken. De rest van de ochtend verliep eerder ongestoord.
Rond 13u kregen we enkele beboterde sneden brood en een blikje vlees. We aten smakelijk maar op het einde van ons etentje begonnen we ons wel te storen aan de stank van de rottende Duitsers in onze loopgraaf. Hun lijken moesten hier dringend weg. Ik stond boven zo’n kerel in het grijs en keek toe dat er nog een ander corpus moest weggebracht worden tot ik plots uit het niets een geweldige plof moest verwerken. Ik stuikte neer op de grond en voelde het bloed uit de onderkant van mijn gezicht zeiken. Het bloed spoot als een fontein uit mijn mond en ik dacht meteen aan mijn tanden waar ik zo trots op was.
Iedereen moest nu plaatsmaken voor mij want ik was hun officier die geraakt was. Ietwat later kon ik de grote schuilplaats bij Larch Wood bereiken die dienstdeed als medische hulppost. De arts keek me verschrikt aan toen hij mijn eerste verband wegnam. Ik kreeg onmiddellijk een nieuwe zwachtel en zelfs wat morfine en daardoor werd ik in elk geval wat rustiger. Maar ik bleef bloeden als een rund. Zou ik het overleven? Zou ik voor de rest van mijn leven verminkt blijven? Het waren verschrikkelijk bange momenten. Ze vroegen of ik nog kon stappen en ik dacht dat dit me nog wel moest lukken.
Twee brancardiers ondersteunden me en we moesten nu zeker anderhalve kilometer te voet langs de spoorweglijn die nog altijd onder vuur lag. Maar daar leek ik me niets van aan te trekken. Uiteindelijk en na regelmatige rustpozen konden we hoeve Transport Farm bereiken. Ik moest er twee uur blijven wachten op wat stro. Pas dan zou de ambulance me komen ophalen. De hotsende en botsende rit in de duisternis was een ware verschrikking en er leek geen einde aan te komen. Na opnieuw een extra verzorging en een spuit tegen tetanus werd ik nu door een andere ambulance naar Belle gebracht waar ik pas vrijdagochtend 7 mei zou aankomen.
Dit is een fragment uit Boek 1915 van De Grote Kroniek van Ieper


