De burgerij of de Ieperse gemeenschap was nog voor de 14e eeuw een juridische entiteit die wettelijk vertegenwoordigd werd. Deze entiteit kon gronden, heerlijkheden en molens bezitten. Dat alles was het resultaat van een lange ontwikkeling in de loop van de 13e eeuw en zelfs vroeger. Johanna van Constantinopel keurde op 6 juni 1236 de acquisitie goed van 106 bonnieren bosland gelegen in Poevelde. Die akte werd mede ondertekend door de schepenen van de stad Ieper.
Dat bos in kwestie werd voor de gravin in leen gehouden door een ridder, genaamd Michel. Johanna maakte deze bezitting vrij van alle feodale rechten en bracht die onder de hoede van de schepenen die haar en haar opvolgers als tegenprestatie jaarlijks met Pasen een paar gulden sporen zouden bezorgen. Sinds 1241 waren de schepenen en de stad volle eigenaar van een terrein, genaamd Upstal, dicht bij de stad.
Dat braakliggend perceel werd hen in dat jaar 1241 geschonken door graaf Thomas en gravin Johanna van Constantinopel, op voorwaarde dat de grond onder de seigneurale jurisdictie van de schenkers zou blijven. Vervolgens werd de heerlijkheid van Ketelkwaad samen met zijn bewoners onder de hoede van het schependom en de wet van Ieper geplaatst. Dat gebeurde in 1259 door Margareta van Constantinopel die er wel het hoog- en laaggerecht in eigen bezit hield. Maar deze gravin behield die bevoegdheid niet toen ze de andere heerlijkheid, Hoveland in 1269 onder de wet van Ieper plaatste.
Het betrof hier een voormalige eigendom van het Brugse kapittel van Sint-Donaas. De schepenen genoten op deze eigendom dus van de meest uitgebreide feodale rechten, zoals dat het geval was in de andere heerlijkheden, zoals bijvoorbeeld in het leen Vlinckambacht dat ze in 1354 zouden kopen van Lambrecht van Velencque. Ook de molen van Brielen werd in 1235 verworven door de schepenen. Later zouden ze nog meer andere molens bezitten. We waren er niet in geslaagd om het charter terug te vinden dat de stad Ieper het recht toekende om niet belast te worden zonder zijn eigen toestemming. Maar het leed geen twijfel dat onze stad al vroeg over dat belangrijk privilege beschikte.
Filips de Schone had dat recht in 1296 erkend. Gwijde van Dampierre had immers een belasting geheven in dat deel van zijn graafschap dat afhing van de Franse koning. Meerdere van onze schepenen en inwoners weigerden om hun bijdrage te betalen. De graaf had hen in de gevangenis laten gooien en hun eigendommen aangeslagen. Maar de schepenen wezen de koning er op dat ze niet konden belast worden zonder hun toestemming. Filips de Schone wilde hun rechten vrijwaren en hij kwam tussen zodat die belasting alsnog afgeschaft werd.
We hadden trouwens vastgesteld dat vanaf 1225 en dan vanaf 1231 en 1235 de schepenen een hypotheek namen op de inkomsten van de lakenhalle. Die opbrengsten werden dus minstens deels toegewezen ten voordele van de stad. Heel wat charters en documenten toonden aan dat een deel van de geëiste boetes gestort werd in de stedelijke kassa en dat de leiders van de stad het recht hadden om taksen, accijnzen en andere belastingen te heffen op alles en nog wat.
Deze inkomsten, de renten, de feodale tienden en de inkomsten van de stedelijke eigendommen vormden inderdaad de belangrijkste financiële bronnen van de stad. Volgens onze chroniqueurs had Ieper vanaf 920 het recht van versterking verkregen en de stad was toen voor de eerste keer omringd geworden door een gordel of een aarden dijk, gekoppeld aan een slotgracht. Maar het was pas in 1214 dat daar voor de eerste keer sprake van was in authentieke documenten.
In dat jaar, niet lang voor de veldslag van Bouvines, nodigde Ferrand van Portugal de schepenen en de burgers van Ieper uit om zonder uitstel hun stad te versterken. Gezien de hoogdringendheid gaf hij hen de toelating om direct bezit te nemen van de noodzakelijke terreinen om de verdedigingswerken uit te voeren. Hij waarborgde hen tegen alle mogelijke vervolgingen die in dat verband mochten opduiken.
Bij het aantal in te nemen gronden behoorden ook enkele eigendommen van Sint-Maartens Buiten. Deze gronden genoten van een geestelijke of klerikale immuniteit. Daarop bedreigden de kanunniken de schepenen om hen te excommuniceren als ze het waagden te roeren aan hun eigendommen wat ze als heiligschennis beschouwden. De uitvoering van de werken werden daarom prompt stilgezet.
Maar graaf Ferrand kwam snel toegelopen naar Ieper. Op 10 april 1214 inspecteerde hij de verdedigingswerken die al uitgevoerd waren. Hij beval hen om de werken verder te zetten en verklaarde dat in het geval de magistraten en de inwoners om die redenen in de ban van de kerk zouden geslagen worden hij hen op een andere manier genoegdoening zou verschaffen.
Ze bouwden vervolgens vlijtig verder en rondden hun versterkingsgordel af. Na de slag van Bouvines durfden de zegevierende Fransen het niet aan om de stad aan te vallen. Ieper was uitstekend in staat van verdediging gesteld en dat betekende dat de nieuwe gordel de stad beschermd had tegen de verschrikking van een inval.
Wat betrof het conflict tussen de schepenen en de kanunniken werd dat bijgelegd in 1217 door een akkoord tussen beide partijen. Volgens onze Ieperse historici Lambin, Vereecke en anderen had Ieper voor die tijd al meerdere belegeringen ondergaan, voornamelijk dat van 1128. Dat betekende dus dat de stad bijgevolg al voor 1214 over de rechten van versterking moest beschikt hebben. Maar aangezien er pas in 1214 melding van gemaakt werd, konden we pas dan aangeven in welke omstandigheden de schepenen van dit privilege gebruik hadden gemaakt.
Dit is een fragment uit Boek 1290-1380 van De Grote Kroniek van Ieper


