Eind september 1923. Het leek een goed idee om voor de inwoners van de stad eens een stand van zaken door te geven rond de heropbouw van de openbare gebouwen tijdens het afgelopen jaar. De gebouwen van de gemeentelijke jongensschool waren het verst gevorderd.
De klassen waren klaar om de leerlingen op te vangen na hun terugkeer uit vakantie op 1 oktober. De hoofdvleugel aan de straatkant zou compleet afgewerkt zijn voor het einde van oktober. De nieuwe middelbare school was al sinds Pasen gedeeltelijk in gebruik en naderde nu zijn totale afwerking die men voorzag voor half november.
Weinig grote gebouwen beschikten over dergelijke grote constructie, zo goed ontworpen en perfect geschikt voor onze nieuwe school. Aangesloten aan de middelbare school, schoot de vakschool uit de grond. Aanvankelijk traag maar de voorbije maanden was er hard doorgewerkt en de verloren tijd werd ingehaald zodat onze scholieren die op 15 oktober zouden kunnen betrekken.
De gebouwen aan de overzijde van de straat zouden vermoedelijk voor begin december klaar voor gebruik zijn. Onze muziekschool was enkele maanden geleden uit de grond geschoten en stond nu bijna onder dak.
Momenteel bestonden er voldoende redenen om te veronderstellen dat de afwerking en de ingebruikname mocht verwacht worden voor 1 januari eerstkomend. Onze officiële schoolgebouwen boden allen een nieuw en artistiek uitzicht en de hygiënische voorschriften waren scrupuleus opgevolgd. Het enige wat nu nog ontbrak, was een inboedel en meubilair in overeenstemming met de grote ruimtes.
Het slachthuis waar er nu al enkele jaren in regie aan gewerkt werd, had de werken enkele maanden geleden zien staken. De aanbesteding om de metsers opnieuw aan het werk te zetten, was in volle behandeling. Momenteel waren er nog drie slachtlijnen te bouwen vooraleer de hele constructie – met inbegrip van een verblijf voor de directeur – afgewerkt zou zijn.
Het Vleeshuis of ons museum waarvan de bouwkost dit jaar in de stedelijke budgetten werd opgenomen, zou binnenkort aanbesteed worden. De plannen waren afgewerkt en het bestek lag ter studie. De constructie van het Vleeshuis zou een lege plaats van onze Neermarkt invullen terwijl het gebouw zowat de hele lengte ervan zou opvullen.
Wat betreft het voorlopig stadhuis (het gebouw van de kasselrij) dat voor lange tijd het kunststuk van onze Grote Markt zou vormen, wel die bouw schoot maar langzaam op ten gevolge van de technische problemen bij de uitvoering van de opgelegde stijl en het sculptuurwerk. We mochten redelijkerwijze de installatie van onze gemeenteraad in zijn salons verwachten rond Pasen van 1924.
Volgend jaar zouden we in elk geval niet moeten rekenen op onze stadsschouwburg. Eerst en vooral was het kwestie om de gronden van het Parnassushof blijvend te reserveren. Ondertussen was de kwestie van de heropbouw nog niet aangeroerd. Het kwam er nu eerst en vooral op aan om de belangrijkste stedelijke diensten op te richten. En dan zou er zeker ruimte komen voor onze spektakelzaal.
En wat moesten we dan nog zeggen over de heropbouw van onze lakenhalle? Het scheen ons toe dat dit werk in grote mate zou afhangen van de beschikbare financiële middelen van onze regering. Aan de snelheid waarmee die trein zich voortbewoog zouden het ongetwijfeld onze kinderen zijn die de laatste steen zouden zien leggen.
In Ieper konden we nog meer dan in de andere plaatsen vaststellen welke ontzettende verwoestingen er waren aangericht en anderzijds ook hoeveel er al terug hersteld was. Ongeveer twee derden van het aantal inwoners was teruggekeerd en deze vonden huisvesting in de 1.700 woningen die al waren opgebouwd, naast 238 tijdelijke woningen en in 300 barakken.
Alle woningen in Ieper waren inderdaad vernield. Een groot aantal was thans nog in aanbouw. Verder was men bezig het puin van de helemaal verwoeste lakenhalle op te ruimen en er was sprake van dat men dit prachtig gotisch bouwwerk weer zou gaan opbouwen, ook al zou die bouw de kapitale som van 8 miljoen frank moeten kosten. Ook de Sint-Maartenskerk en de Sint-Pieterskerk zouden opnieuw opgebouwd worden.
Diverse scholen waren al gedeeltelijk voltooid of deels in aanbouw. Buiten Ieper waren er ook een tweetal tuinwijken opgebouwd. Het tuindorp Kalfvaart bevatte 100 arbeiderswoningen en in het tuindorp Ligy waren 140 goedkope woningen opgebouwd, op vijf maanden tijd. Deze woningen bevatten behalve een vrij ruime huiskamer, vier slaapkamers, een zolder en een tuinkamer.
Dit is een fragment uit Boek 1918-1924 van De Grote Kroniek van Ieper


