Begin februari 1919. Vader zei dat ik (Achiel Roose) ook eens een kijkje moest gaan nemen naar Poelkapelle. Ik reisde naar Bergues bij Duinkerke waar mijn oudste zus woonde en trok dan van daar per fiets het front in, via Roesbrugge, Poperinge en Ieper. Tot daar ging alles nog behoorlijk. De streek was bewoond. Maar dan begon het gruwelijke…. Ik dook het front binnen aan het Wieltje. Toen ik aan het Kattenkerkhof kwam, op de hoogte van De Blok keek ik uit over een eindeloze dodenwereld. En daaruit dook plots een eenzame wielrijder uit tegenovergestelde richting op me af. Het leek wel een spook. We sprongen beiden af van onze fiets en wisselden enkele woorden met elkaar.
We waren de enige menselijke wezens uren ver in de omgeving. Ik trok nu verder in de richting van Poelkapelle, naar het dorp waar ik mijn schooljaren had doorgebracht. Ik zocht het dorp overal maar vond het niet. Waar lag Poelkapelle dan wel? Ik bleef maar verder rijden tot ik bij mezelf dacht dat ik er toch al lang moest geweest zijn. Kon ik er gepasseerd zijn zonder het dorp te zien?
Ik keerde terug en zag er niets dan verwoesting en kon helemaal niets herkennen. Ik bemerkt plots tramrails die een meter hoog verwrongen uit de grond staken. Dat moest Poelkapelle zijn want de tram kwam slechts tot hier. Aan de ligging van de rails ontdekte ik dat ik me ergens ter hoogte van brouwerij Nevejan moest bevinden.
Ik keerde op mijn stappen terug tot aan een grote puinhoop. Dat moest vermoedelijk de kerk zijn. Ik legde mijn fiets aan de kant en klauterde op de puinhoop. Daar vond ik een ronde steen die voortkwam uit een pijler. Ik was er nu zeker van dat dit de kerk was geweest. Ik richtte mijn blikken zuidwaarts, in de richting waar ons huis gestaan had en bemerkte er iets aan een onderstand.
Ik nam mijn fiets op de schouder en struikelde over putten en door hindernissen naar die abri. Hij stond op de plaats waar Pauweleyns gewoond hadden. En …. hier stond ons huisje! Er was niets meer van te zien. Ik keek rond, het was een februaridag en op dit moment begon het lichtjes te sneeuwen. Ik wandelde door ons ‘tuintje’ dat achter het huis gelegen had en probeerde me de tijd van vijf jaar geleden in te beelden, tot ik plots struikelde over een paar laarzen die stijf in de bevroren grond zaten.
Een paar meter verder zag ik een helm liggen. Ik keek dichterbij en … daar lag een dode soldaat. Ik draaide me om en daar lag er nog een … helemaal bloot. Nog verder stonden twee, drie kruisjes. Ik wou weglopen, maar links stootte ik opnieuw op een blootliggende soldaat. Zijn gezicht was helemaal uitgevreten door een of ander dier. Toen kon ik daar niet langer blijven. Met pijn in het hart trok ik weg van mijn moedergrond en ik ging een blik werpen in de onderstand die twintig meter verder stond. De opening bevond zich aan de oostkant en dus was het een Duitse bunker. Binnen was er een opening die naar een tweede deel leidde. Ik aarzelde of ik er zou binnengaan, maar toe hoorde ik een vreemd geluid.
Terwijl ik bang bleef staan, schoot er iets voorbij. Een rat! Die wel zo groot was als een konijn. Voor het beest de abri terug inliep, keek die me nog eens aan alsof hij of zij zich afvroeg waarom ik niet dood was. Toen kroop ik bovenop de bunker en wierp een blik op mijn geboortegrond. Ik kon het onmogelijk begrijpen, tastte naar mijn hoofd en vroeg me af waar ik nu beland was.
Was dit nog de beschaafde wereld? Het was er zo gruwelijk stil. Alles was hier dood en het leek wel of ik in een andere wereld stond. En dan werd ik plots bang. Ik vloog naar mijn fiets, tilde die op mijn schouders, liep weg met het angstzweet op mijn lijf, sprong vervolgens op mijn fiets en reed zonder omkijken in één ruk naar Ieper.
…. Op oorlogsschade kregen we een paard en zes koeien en 72 schapen. Ik – Gaston Boudry -was schaper. De schapen liepen tot bij de vestingen van Ieper en tot de Palingbeek. Veel volk was hier niet. Het stak vol met Tjings in Ieper. Die moesten kuisen en alles opkramen. Een werkcompagnie. Maar ze richtten niet veel uit en deden niet anders dan alles afschuimen.
Ze moesten het front opkuisen maar ze doorzochten alles. Het eerste meisje dat begraven werd in Ieper toen wij er waren, was een meisje dat doodgeschoten werd door de Tjings aan ‘t Witten Huis. Het was een meisje van een jaar of zestien. Op straat werd ze achtervolgd door de Tjings. Ze liep binnen, sloot de deur en schoorde ze. Maar ze schoten hun kogels door de deur en ze was dood. Die kerels leerden pas schieten na de oorlog want daarvoor hadden ze nog nooit geschoten.
…. Ik (Emiel Tytgat) en mijn zoon Kamiel vonden bij hun terugkeer naar Boezinge niets meer terug van de woning waar we voor de oorlog hadden gewoond. Toch konden we er min of meer de plaats van vaststellen. We brachten de nacht door in een abri omdat het … te laat was om naar de vluchtelingenplaats terug te keren. Toch mocht niet iedereen zomaar terugkeren. Er moest eerst een aanvraag gebeuren en een toelating komen van de ‘Office de Repatriement’ te Parijs. En dat kon best duren want men moest eerst bewijzen dat men een woning ter beschikking zou hebben. Ik kon dat allemaal aan den lijve ondervinden.
We bouwden met enkele planken en balken een soort schuilhut zodat we onze familie konden laten overkomen. Daardoor kon mijn zoon Urbain met een vluchtelingentrein vanuit Frankrijk met een vluchtelingentrein overkomen naar België en vervoegde hij zijn broer Kamiel als de volgende Boezingenaar. Het was een helse reis geweest tot hij uiteindelijk op de juiste trein naar Kortrijk kon reizen. Op een zondagmorgen einde februari zag hij eindelijk de puinen van Ieper, aan het station was geen kat te zien. En dan maar naar Boezinge….
De hele dag bracht de ‘tjolare’ door met het zoeken naar zijn vader en broer in een oord dat ooit nog Boezinge was geweest. Om 18u doolde hij nog altijd rond door de wildernis. Hij ontmoette er geen mens, tot hij uiteindelijk bij zijn terugkeer uit ‘Het Voske’ het hok aantrof waar we huisden. Het wenen stond hem nader dan het lachen. Gedurende veertien dagen hadden we in dat hol gewoond, overdekt met golfplaten met aarde erbovenop. Er was geen enkel raam, de deur was een soort plankier uit een andere abri die rechtop gehouden werd met een stut. Een kaars was onze enige verlichting.
Het probleem was om aan voedsel te geraken. Om de twee dagen konden we brood halen in ….Poperinge! Om daar te geraken was een fiets de eerste vereiste. Voor 300 frank kon vader Tytgat er een op de kop tikken. Broer Kamiel was chef-kok van vak maar kon zonder grondstoffen niet veel recepten uitproberen. We moesten het water uit de bomputten scheppen en eerst ferm koken. De koffiebonen maalden we door ze op een plaat uit te gieten en er dan met een fles over te rollen.
In Poperinge konden we ook een soort vleeswaren kopen van het Amerikaans hulpfonds dat naar hun president ‘Wilson-vet’ werd genoemd. Het bestond uit een laagje mager vlees met heel veel vet er aan. Dat vet was volgens Urbain eerder geel dan wit, zelfs de muizen wilden er niet van eten.
Dit is een fragment uit Boek 1918-1924 van De Grote Kroniek van Ieper


