Woensdag 7 april 1819. De gemeenteraad kondigde een nieuwe reglementering af i.v.m. het optrekken van woningen in de stad en andere kwesties. Het was voortaan strikt verboden aan eigenaars, metsers, timmerlieden en andere aannemers om te beginnen aan een of andere constructie, afbraak of welke herstelling dan ook aan gebouwen, deuren, vakwerk, trappen of muren die zich langs de straatkant van deze stad bevonden zonder de voorafgaande toestemming van het schepencollege. Hiertoe moest elke kandidaat-bouwer de plannen in twee exemplaren afleveren en de noodzakelijke vergunningen afwachten. Wie dat niet deed, riskeerde de afbraak van de begonnen werken, en een boete die niet hoger kon zijn dan 50 florijnen.
Het bestaande verbod van 10 augustus 1710 om niets te veranderen, te herstellen, te schilderen aan houten gevels, deuren, vakwerk bleef onverminderd van toepassing met dezelfde boete voor de overtreders. Eigenaars of anderen die een vergunning verkregen hadden om te bouwen dienden hun materialen op dermate wijze op te stapelen dat die op geen enkele manier het verkeer zouden hinderen. Afbraakresten mochten maximaal 24 uur blijven liggen en zelfs dan nog moest dat vooraf aangevraagd worden bij het schepencollege. In dat geval moest er bij de materialen een brandende lantaarn aangebracht worden die de hele nacht moest blijven branden. Arbeiders of anderen mochten onder geen beding leistenen, pannen of andere dakmaterialen in de straten of de rivier gooien.
Ze werden er aan gehouden om dat materiaal met manden naar beneden te brengen en het op te slaan tegen de muur van de woning in kwestie. Deze arbeiders moesten een lattenwerk in kruisvorm aanbrengen om de voorbijgangers te verwittigen dat ze werkzaam waren op het dak. De dakgoten in de straten van André Gérard (de Recollettenstraat of de Andries Geerardts straat ), Oude Houtmarkt, Nieuwe Houtmarkt, Elverdingestraat, Boezingestraat, Torhoutstraat, Sint-Jacobsstraat, Dhondtstraat, Boomgaardstraat, Sterrestraat, Lombaardstraat, Boterstraat te beginnen van aan de Bellestraat tot op het einde zouden vanaf 1 oktober 1819 voorzien worden van afvoerbuizen tot op een hoogte van 30 cm boven het voetpad. Het herschilderen van gevels van woningen kon enkel in een kleur dat vooraf – op basis van een staal – diende goedgekeurd te worden door stadsarchitect Donckers die zou nagaan of dit kleur goedgekeurd was door het schepencollege.
Geen enkel bord mocht gehangen of geplaatst worden zonder voorafgaande goedkeuring en mocht in dat geval niet groter zijn dan 15 duimen. Het was verboden aan gelijk wie om zich te amuseren in de straten of op de publieke plaatsen – tenzij goedgekeurd door de politie – d.m.v. boogschieten, kruisboogschieten, katapulten of andere instrumenten, noch om zich in te laten met het bollen, handspelen, vliegers, ronden, of andere spelen op het risico om direct aangehouden te worden en voor de politierechtbank veroordeeld te worden tot een boete van 2 florijnen en een dag gevangenisstraf.
Dit is een fragment uit Boek 1785-1829 van De Grote Kroniek van Ieper


