banner
okt 7, 2025
119 Views
Reacties uitgeschakeld voor De eerste Ieperse scholen

De eerste Ieperse scholen

Written by
banner

Het was interessant om na te gaan wanneer en op welke manier de eerste Ieperse school tot stand gekomen was en hoe het onderwijs in de stad verder verlopen was. Bij het ontstaan van de feodaliteit waren er veel leenheren die nog niet konden lezen of schrijven. En net op dat moment groeide al de gedachte bij de stad en zijn burgers om scholen te stichten waar men het lezen en schrijven kon aanleren. Van zodra het Ieperse stadsbestuur regelmatig samengesteld was, hielpen zijn schepenen actief mee om die tendensen en verzuchtingen te realiseren. Later zouden ze met de meest prijzenswaardige bezorgdheid waken over het behoud van een goede organisatie van hun lokale openbare onderwijsinstellingen.

De stad Ieper mocht het vanaf het midden van de 13e eeuw toeschrijven aan het initiatief en de inspanningen van deze magistraten dat er in die tijd scholen met een stevige basis opgericht werden, onderwijs dat gebaseerd was op de voorrechten van de stad, de vrijheden van de burgers en de erkende rechten waar de clerus op dat moment over beschikte.

Op basis van een bul van 19 augustus 1196 van paus Celestinus III waren er in Ieper scholen tot stand gekomen. Het duurde niet lang vooraleer de proost en de kanunniken van Sint-Maartens zich het recht voorbehielden om conform die bul de alleenrechten op te eisen om scholen op te richten in hun respectieve parochies binnenin de stad Ieper of waar die zich extra-muros van het schependom uitstrekten.

En dus eisten ze het monopolie van het onderwijs op in Ieper. Maar de lokale burgerij ging niet mee in die geestelijke verzuchtingen. Nog voor het midden van de 13e eeuw werden er burgerlijke scholen opgericht zonder daarbij toestemming te vragen en verschenen die dus naast de kapittelscholen in het Ieperse stadsbeeld. Ondanks het verbod van de kanunniken, de arbeiders en zelfs de schepenen, bleven de burgers hun kinderen onderwijzen.

In de Sint-Maartensabdij was de irritatie groot. Dit onverwacht burgerverzet stoorde de proost en zijn kanunniken want volgens hen werden hun rechten miskend en op onwaardige manier geschonden. Dergelijk schandaal kon niet getolereerd worden en dus riep de proost de hulp in van de aartsdiaken van Doornik die vervolgens een onderzoek instelde en niet aarzelde om de burgers en weerspannige schepenen te excommuniceren. Deze strenge maatregel oogstte niet de verwachtingen die men er van verwacht had.

De schoolmeesters die volgens de proost door burgerlijk geweld gedwongen werden om les te geven omdat de Ieperse familievaders hun kinderen aan hen toevertrouwden, weigerden zich aan de wil van de paus te onderwerpen. En dus bleef alles zoals het was. De scholen die getroffen waren door de excommunicatie werden niet gesloten en bleven integendeel even druk bezocht als in het verleden. De tussenkomst van de schepenen die opkwamen in het voordeel van de burgers en dus tegen de Sint-Maartensproosdij verergerde de situatie alleen maar verder. En gezien de tussenkomst van het stadsbestuur kreeg het conflict nu een soort van officieel karakter.

Dergelijke aanvaringen tussen de stedelijke autoriteiten en de Sint-Maartensabdij kwamen in de 13e eeuw vrij frequent voor en ze werden gewoonlijk voorgelegd aan het Hof van Rome en soms beslecht door de heilige vader zelf. De Ieperse schepenen richtten zich nederig tot de paus met het verzoek om de uitspraak i.v.m. de scholen die getroffen was door de aartsdiaken van Doornik te annuleren. In elk geval bemoeiden de schepenen zich vanaf het midden van die 13e eeuw met de kwesties van het openbaar onderwijs die op hun aandringen op een vaste manier werd georganiseerd. De schepenen verdedigden tegenover de paus het standpunt dat de kerkleider nooit het privilege had toegekend dat Sint-Maartens het monopolierecht gekregen had om scholen te stichten in Ieper en dat de aartsdiaken van Doornik door de kerkban de limieten van zijn jurisdictie in ruime mate had overschreden.

Om het conflict uit te klaren, beval de paus aan de deken en de officieel van de grote St-Gery-kerk van Cambrai om een onderzoek te verrichten in Ieper en diens geestelijken kregen het recht om de ruzie te beslechten. Maar die prelaten in kwestie waren wijze en voorzichtige mannen, weigerden strenge maatregelen te treffen en stuurden aan op een overeenkomst die een einde zou maken aan het zwaar meningsverschil. Dit akkoord kwam er op 6 november 1253 en regelde de toekomstige werking van het onderwijs in de Ieperse scholen. De overeenkomst werd afgesloten tussen de proost van het Sint-Maartenskapittel aan de ene kant en de voogd, de schepenen en de gemeenschap van Ieper aan de andere kant. Het document verschafte complete inlichtingen i.v.m. het regime in onze stedelijke scholen vanaf 1253. Het akkoord luidde als volgt:

1. Er zouden in Ieper drie hogere scholen bestaan. De toekenning ervan lag in handen van de proost en het Sint-Maartenskapittel. Elk van die hogere scholen zou zijn eigen schoolmeester aanhouden en die werd verplicht om zich persoonlijk te verantwoorden voor het beleid van zijn school.

2. De verloning van de schoolmeesters zou bepaald worden door afzonderlijke conventies, maar die konden maximaal 10 cent per leerling krijgen. De schoolmeesters kregen geen recht om extra kosten aan te rekenen voor lesmateriaal, noch voor stro, noch voor inkt, noch voor papier. Ze mochten geen brood accepteren van hun leerlingen en hen lijfstraffen toedienen.

3. De burgers kregen de toelating om thuisonderwijs te organiseren voor hun kinderen en die van familieleden die onder hun dak leefden, zolang ze dat recht maar niet misbruikten om andere leerlingen te onderwijzen.

4. Iedereen kreeg het recht om lagere scholen te organiseren zonder daartoe eerst de toelating te moeten vragen en krijgen van ofwel de proost, ofwel de voogd, ofwel de magistraten van de stad die verkozen waren door de burgers.

Het was best belangrijk dat nu, vanaf het midden van de 13e eeuw in Ieper het recht bestond – toch tenminste gedeeltelijk – om de vrijheid van het middelbaar onderwijs te organiseren en dat burgers het recht kregen om in hun woningen onderwijs te verschaffen aan hun kinderen en dat het basisonderwijs nu kon gegeven worden aan de kinderen van de burgerij. Er konden nu open scholen tot stand komen zonder voorafgaande toelating van de geestelijke autoriteiten. En dus maakte deze regeling een einde aan het conflict tussen de wereldlijke en geestelijke overheden in de stad Ieper. Dankzij een nieuwe regeling die in 1289 tot stand kwam tussen de proost en de schepenen werd één van die drie hogere scholen geschrapt.

De twee overgebleven scholen waren die van de parochies Sint-Maartens en Sint-Pieters. Volgens het nieuw akkoord mocht maar één van die instellingen de leer van Donatius (grammatica en logica) onderwijzen. Hoe dan ook werd afgesproken dat de familievaders na 1289 (en later na 1353) deze materie mochten onderwijzen aan hun kinderen. Het betekende dat de vrijheid van thuisonderwijs in dat geval nog altijd aangehouden bleef.

Voor wat betrof de lagere scholen leek het er op dat er in de nieuwe regeling niets veranderde. Gedurende de volgende (15e) eeuw groeide de rol van de stedelijke autoriteiten voor wat betrof het openbaar onderwijs. Rond 1442 leek er het op dat het onderwijs in een soort verval terechtgekomen was te Ieper. Eén van de twee hogere scholen die overgebleven waren na 1289 was al geschrapt. De ontvolking van een stad in ellende en armoede kon dat wegvallen verklaren. Weldra zou het aantal leerlingen dat deze hogere school bezocht nog verder krimpen. Het niveau van het onderwijs zakte snel en de aanwerving van het onderwijzend personeel stootte op grote problemen. Om tegemoet te komen aan deze toestand diende men het beheer van de grote school toe te vertrouwen aan een ervaren schoolmeester.

Het kapittel had zich gewend tot een meester in de kunsten, genaamd Philippe Leewerke. Maar die weigerde om deze opdracht te accepteren aan dezelfde voorwaarden van zijn voorganger. De proost van Sint-Maartens stelde voor aan de schepenen om deze bezoldiging op te trekken. De schepenen stemden daarin toe, maar gezien de grote school tot bijna niets teruggebracht was, stemden ze er in 1443 in toe om voor de nieuwe regent op kosten van de stad een vergoeding van 7 Parijse ponden te voorzien. En een andere schoolmeester – Gheraerd de Visch – die ook naar Ieper aangetrokken werd, kreeg datzelfde jaar een subsidie van 24 centen. Men kon echter wel stellen dat onze magistraten nu ook niet speciaal de stadskassa plunderden om deze ‘pioniers van de beschaving’ aan te trekken. Maar het toekennen van die subsidies bewees op zijn minst dat het stadsbestuur vanaf die tijd toch al tussenkwam in de uitgaven voor het openbaar onderwijs. Deze financiële hulp was nog minimaal en accidenteel maar de volgende eeuwen zou die permanent en serieus worden.

We hadden alle redenen om te geloven dat de school die toevertrouwd was aan het bestuur van meester Leewerke nog voor 1536 ophield met bestaan. Dat konden we afleiden uit het feit dat prelaat Léon de Bane van Sint-Maartens het op 10 februari 1536 tot een nieuw akkoord gooide met de schepenen voor wat betrof de oprichting van een andere grote school. Volgens die conventie kregen de magistraten het recht om een capabele man voor te stellen om die school te leiden. Het was dan aan de proost van Sint-Maartens om hem te benoemen in zijn functie van rector. Deze schoolmeester kon slechts afgezet worden omwille van zeer gewichtige redenen en met de goedkeuring van de schepenen. Een aangepaste vergoeding zou hem uitbetaald worden door de stad.

Het lokaal van de oude school werd ter beschikking gesteld van de proost, maar die verplichtte zich ertoe een jaarlijkse huur van 24 Parijse ponden te betalen aan de meester die dan wel op zijn eigen kosten een huis diende te huren in de parochie van Sint-Maartens, zo dicht mogelijk bij de kerk. Die prelaat hield zich het recht voor om aan zes leerlingen gratis onderwijs te bezorgen in deze nieuwe school. De schoolvergoeding werd vastgelegd op 40 schellingen per jaar. De meester of de ondermeester werd verplicht om zijn leerlingen te begeleiden naar de kerk waar hij hen lessen in zang moest verschaffen.

De nieuwe school bevond zich in 1559 aan de oostzijde van de Boezingestraat. Deze regeling zou eindigen met de dood van proost de Bane, maar toch was het interessant om de werking van die school te ontleden. Want die leerde ons dat de instelling een gemengde school was, dat het onderwijzend personeel bestond uit een schoolmeester en een onder-schoolmeester en dat de proost zich het recht toe-eigende om die te benoemen, en dus blijkbaar nog altijd beschikte over zijn pauselijke voorrechten uit 1253. De schepenen mochten die leerkrachten dan misschien wel kiezen, aanwijzen en betalen, maar de benoeming zelf bleef in handen van de Sint-Maartensabdij. De invloed van het schependom op het openbaar onderwijs was toch wel beduidend. Toch zou die toestand weldra een grondige verandering ondergaan. Na de religieuze rellen van de 16e eeuw volgde een hevige reactie van de clerus. Gouverneurs in dienst van vreemde heersers bestuurden het land. De stad Ieper, net zoals alle andere Vlaamse steden, verloor stukje bij beetje zijn oude voorrechten. De stedelijke bevoegdheden i.v.m. het openbare onderwijs werden opgeheven.

Het bisdom van Ieper kwam in 1559 tot stand. De kapittelschool maar eveneens alle onderwijsinstellingen – lager en middelbaar – werden onder het bestuur van een scholaster, een kanunnik verantwoordelijk voor het onderwijs – geplaatst. Vanaf 1585, na de inname van Ieper door de troepen van Alexander Farnese en het herstel van het bestuur van de koning van Spanje, kregen de leden van de vereniging van Jezus – de jezuïeten – de toelating om zich in onze stad te vestigen. Naast de basisscholen voor het lager onderwijs die onder het bestuur van de clerus stonden, richtten ze een college op. En al gauw kregen ze het alleenrecht om het onderwijs van de menswetenschappen te organiseren en dat monopolie zouden ze houden tot in 1773 toen hun orde afgeschaft werd door paus Clement XIV. Keizerin Maria Theresia stichtte in Ieper vervolgens een middelbare school die nog talrijke veranderingen zou ondergaan maar toch het stedelijk college van Ieper zou blijven.

En toen in 1830 België zijn onafhankelijkheid had verkregen, verklaarde het nationaal congres – net zoals dat al in 1253 het geval was geweest – het groot principe van de vrijheid van onderwijs. Het congres besliste dat het openbaar onderwijs zou gegeven worden op kosten van de Staat en geregeld zou worden door de Wet. In 1836 gaf de wetgever aan de steden het recht terug om hun eigen onderwijsinstellingen te besturen en voor die scholen leraren en schoolmeesters te benoemen. Onze magistraten haastten zich om zich – niet zonder moeilijkheden en strijd – dat recht toe te eigenen. De stad Ieper was er dankzij zijn vernuftige inzet in geslaagd om scholen voor basis- en middelbaar onderwijs tot stand te brengen die tot de meest complete en beste georganiseerde scholen van het land behoorden. Dat was zo een beetje de geschiedenis van het onderwijs in onze stad vanaf de 13e eeuw tot aan 1836.

Wat de geestelijkheid en vooral de monniken in de middeleeuwen hadden bijgedragen tot de vooruitgang van de beschaving, door het koesteren van de taal, de wetenschap en de kunst, was immens. Het klooster van Sint-Maartens had al vroeg gezorgd voor scholen, het was een feit dat niet kon of mocht weerlegd worden. Het zou dus niet correct zijn om de diensten die onze Ieperse abdij had bijgedragen voor wat betrof het openbare onderwijs in twijfel te trekken. Maar het zou evenzeer verkeerd zijn om te miskennen dat onze schepenen zich ook al niet voortdurend bezorgd hadden getoond over die belangrijke materie.

De invloed van onze magistraten op het bestuur van de scholen was snel gegroeid. Onder het bestuur van Filips de Goede kwam de stad tussen om voor Ieper meesters aan te trekken die capabel waren om degelijk onderwijs te verschaffen aan de kinderen van hun medeburgers. En nadat dit gebeurd was, namen ze de verloning van de schoolmeesters op zich en kregen ze het recht om het onderwijzend personeel aan te werven. Het was pas later dan de oude vrijheden van onze steden miskend en aangeslagen werden door de vreemde soevereinen die zich meester gemaakt hadden van ons land.

Dit is een fragment uit Boek 1830-1876 van De Grote Kroniek van Ieper

Article Categories:
1830-1876
banner