Woensdag 1 juli 1863. Karel-Lodewijk Kestelyn was door het assisenhof van West-Vlaanderen ter dood veroordeeld geworden. De dag te voren – in de vroege morgen – was reeds het gerucht met bliksemse snelheid verspreid geworden dat de strafuitvoering gisteren zou plaatsgrijpen. De tijding ervan was via een telegrafiek-bericht te Ieper aangekomen. Dinsdagnamiddag om 17u berichtte de bestuurder van het gevang van Brugge waar Kestelyn was opgesloten aan de veroordeelde dat hij nog slechts zijn betrouwen in god moest stellen, dat zijn voorziening in cassatie en in genade verworpen waren, dat hij nog diezelfde avond naar Ieper zou vervoerd worden om er de volgende dag zijn straf te ondergaan. Kestelyn die sedert zijn veroordeling niets verloren had van die ‘stoefferij’ en grootspraak waar hij tijdens de debatten zo vele bewijzen van had gegeven, vernam die verschrikkelijke tijding met een schijnbare kalmte, maar zijn wezen was zeer bleek geworden en hij was zichtbaar ontsteld.
‘Ik verwachtte er mij aan’, zegde hij, ‘ik heb liever morgen te sterven dan hier in dit droevig gevang te moeten kwijnen.’ Enige tijd nadien zegde Kestelyn vaarwel aan zijn ongelukkige vrouw. Dit afscheid was zeer kortstondig. Hij had zijn vrouw met de uitstorting van zijn hart omhelsd, haar zeggende van zich te troosten in de overtuiging dat hij onschuldig stierf en haar aanmanende, wanneer ze haar vrijheid zou teruggekregen hebben, goed zorg te dragen voor haar drie kinderen en hen op het pad van de deugd op te leiden. Kestelyn en zijn vrouw wisten toen niet eens dat de oudste van hun drie kinderen onlangs door het gerechtshof van Ieper veroordeeld was om tot de leeftijd van 21 jaar in een verbeteringshuis te worden opgesloten.
Dit ongelukkig kind was voorlopig opgesloten in dezelfde gevangenis van zijn vader en wist niets van het hartverscheurend toneel dat slechts op enkele stappen afstand van hem plaats greep. Kestelyn was vervolgens in een celrijtuig naar het station gebracht, waar hij geplaatst werd in een rijtuig van eerste klasse, vergezeld van drie gendarmen, van eerwaarde heer Vande Walle, aalmoezenier van het gevang van Brugge, en van pater Platteau. Gedurende de hele reis van Brugge naar Ieper had Kestelyn een grote onverschilligheid aan de dag gelegd. Volgens zijn reisgezellen had hij zich gedragen als een man die naar de kermis ging, zich niet bekreunend om het vreselijk doel van zijn reis. Hij had eerst een sigaar gerookt die mijnheer Vande Walle hem gegeven had. Toen hij zei dat het een sigaar was van 15 centiemen, had Kestelyn hem geantwoord dat dit wel een gelukkig man moest geweest zijn van dergelijke goede en dure sigaren te kunnen roken. Hijzelf moest zich tevreden stellen met 7 centen tabak voor een hele week.
In het station van Roeselare had hij een glas water gevraagd en gedronken, dan had hij een pijp gerookt, altijd pratend met zijn reisgenoten. In het station van Roeselare waar de trein aankwam om 8u20 had hij een tweede glas water gedronken en een koek gegeten. In het station van Kortrijk was een grote menigte van volk samengetroept, hijgend naar de aankomst van de trein die de veroordeelde bevatte. Maar de gordijnen van het rijtuig bleven zorgvuldig dicht. Kestelyn die het lawaai van daarbuiten hoorde, vroeg meermaals aan de gendarmen om zich aan het portaal te plaatsen. Een bediende van de ijzerweg, moest, verplicht aan zijn dienst in het rijtuig treden. Kestelyn vroeg hem om welk uur te Ieper zou aankomen. ‘Rond 10 uur’, antwoordde de wachter. ‘Nog zo lang’, zegde Kestelyn, ‘ik wilde er reeds zijn. Ik verveel mij op den ijzeren weg.’ In al de stations, te Menen, Wervik, Komen wachtte een grote menigte de doortocht van de trein af, waar zich ook de afschuwelijke guillotine op bevond.
In het station van Ieper was het nog erger, de menigte was zo groot dat de reizigers niet eens uit de trein konden stappen. De gendarmen konden de veroordeelde met moeite tot aan het celrijtuig brengen. Kestelyn had veel moeite om zich te bewegen. Hij zegde tot de gendarmen: ‘help mij toch om op en af te stappen of ik breek nog mijn nek en dan zult ge hem niet meer moeten afsnijden.’ Het was 10u in de avond. De nacht viel. Men kon de gelaatstrekken van Kestelyn niet onderscheiden en de menigte rond het rijtuig geschaard, volgde de stoet tot aan de gevangenis. Onderweg verzocht Kestelyn de gendarmen van hem niet te verlaten. ‘Ik zie de gendarmen van Ieper niet graag’ zei hij; ‘ze zijn te stout’.
Bij het binnenkomen van de gevangenis liet hij zijn gebruikelijke grootspraak horen, ‘hier ben ik’, zei hij. In zijn cel had hij gevraagd waar Goebe was, ‘die schobbejak die de fout van alles was, voegde hij er aan toe. Goebe was een van de wachters van de gevangenis van Ieper, die de justitie op het spoor van de schuldigen had gebracht, en hij was de ergste getuige tegen Kestelyn geweest. De bestuurder vroeg hem of hij iets wilde eten, maar Kestelyn weigerde want hij had goed gegeten in Brugge. Dan werd de deur van zijn cel gesloten en op het register van de gevangenis werden deze noodlottige woorden geschreven: ‘nummer 1249 Kestelyn, Karel, dagloner, oud 42 jaren geboren te Elverdinge, veroordeeld tot de dood door het assisenhof van Brugge, passagier, neergezet in het arresthuis voor een nacht om ter dood te worden gebracht.’ Men zou zeggen dat die koude en naar bloed ruikende woorden daar door een hand van 1793 waren neergeschreven.
Om middernacht had de procureur des konings van Ieper, bijgestaan door zijn griffier aan Kestelyn het vonnis voorgelezen waarbij zijn voorziening in cassatie was verworpen net zoals de verwerping van zijn vraag om genade. Hem gevraagd of hij niets te zeggen had, had de veroordeelde ‘neen’ geantwoord. Dit woord herhaalde hij de volgende morgen aan den onderzoeksrechter; De hele nacht ging zonder slapen voorbij voor de veroordeelde. Hij sprak over diverse kwesties met de twee priesters, met eerwaarde heer De Blauw, aalmoezenier van de Ieperse gevangenis, met twee gendarmen en twee wachters. Om 2 uren zegde men hem dat hij zich moest voorbereiden om te sterven en zich met god te verzoenen. Kestelyn zegde dat hij er klaar voor was. Hij verkoos tot biechtvader pater Platteau. Bij het krieken van de dag ontving hij voor de laatste maal de heilige communie, tijdens de mis die voor zijn ziel werd gelezen, in tegenwoordigheid van de gevangenen en van het voltallig personeel van de gevangenis.
En dan ving een hartroerend schouwspel aan. De achtbare priester die de mis deed, beklom de predikstoel en verzocht met een breekbare stem de aanwezigen om met hem de gebeden van de stervenden te lezen, voor een mens die in hun midden was neergeknield, een man, nog vol leven, kracht en gezondheid en die zich nochtans binnen weinige ogenblikken in de eeuwigheid zou bevinden. Zijn laatste woorden vergingen in een pijnlijke snik waarop een luide siddering volgde in de ruimte en velen zich niet konden bedwingen. Alleen Kestelyn doorstond de dienst met vastberadenheid, zonder zichtbaar teken van ontroering noch van zwakheid. Die wrede beproeving, misschien de pijnlijkste van alle die de lange doodstrijd van een veroordeelde vergezelden. Zijne krachtdadigheid verliet hem echter toen hij zich na de mis in de aanwezigheid van zijn twee jongste kinderen bevond. Hun grootmoeder had ze in de loop van de nacht tot hier gebracht.
Kestelyn pakte hen beurtelings op, knelde hen tegen zijn hijgende borst, onder een stortvloed van tranen gaf hij hen zijn vaderlijke zegen. De ongelukkige schepseltjes waren amper 5 en 2,5 jaar oud. Dit toneel verbrijzelde het hart, zelfs dat van de gerechtsdienaars. De onschuldige wezen werden vervolgens weggebracht. Van dan af aan was Kestelyn sprakeloos geworden. Hij bedankte enkel nog de menslievende priesters en de bestuurder van de gevangenis voor hun zorgen en goedheid gedurende de nacht van waken die ze naast hem hadden doorgebracht. Hij doorstond zonder aarzelen de afschuwelijke operatie ‘der toilette’, zijn gedachten waren niet meer op deze aarde. Moesten wij het zeggen in ’t voorbijgaan?
Bij het verlaten van het gevang wist de schoonmoeder van Kestelyn het diep medelijden te benutten dat de kinderen van de veroordeelde inboezemden. Ze leidde hen de hele ochtend van straat tot straat en ontving aldus talrijke aalmoezen. Het schavot was opgericht op het plein der krijgsverrichtingen, beter te Ieper gekend onder den naam van Liefdesplein of Minneplein. Bij het eerste schemerlicht stond er al een dicht opeengepakte menigte, toegesneld van verscheidene uren in de omtrek en op het plein en zoals altijd waren de vrouwen in de meerderheid. Een afdeling van het 11e Linie regiment had dan post gevat rond het afschuwelijk gevaarte dat men de guillotine noemde. Klokslag 7u werden de poorten van de nabijgelegen gevangenis geopend en kwam er een gesloten celrijtuig naar buiten gereden, omringd door talrijke gendarmen te paard, onder het bevel van de wachtmeester Prismée, een van de voornaamste aanklagers tijdens het proces.
Op het ogenblik dat het rijtuig voor het moordtuig stilhield, hoorde men een ijzig trillen onder de menigte. Kestelyn beklom met vaste stap de trappen van het schavot, een doodskleur verfde zijn gezicht. Hij wierp een snelle oogopslag op het mes, had een laatste keer het Christusbeeld gezoend dat zijn biechtvader hem tegen de lippen drukte. Een ogenblik later meldde de doffe slag van de driehoekige slachtbijl dat Kestelyn zijn schuld aan de menselijke rechtvaardigheid betaald had, en zich voor de goddelijke vierschaar bevond.
Op dit teken wierpen de twee geestelijken die de ongelukkige tot het laatste ogenblik van zijn boetedoening vergezeld hadden, zich op de knieën, voor het slachtoffer om voor hem de goddelijke genade af te smeken. Bij dit ontroerend toneel had de ontelbare menigte die het plein bedekte ook al de knieën gebogen en gedurende enkele minuten heerste er een ware en plechtige stilte. Alle handen waren samen gevouwen en de bleek geworden lippen murmelden een vurig gebed voor hem die gestorven was tot boetedoening van een groot schelmstuk. Enkele minuten later werd de kist afgeleverd en dichtgespijkerd door de broeders van liefde en zonder begeleiding naar het kerkhof gevoerd. De menigte ging langzaam uiteen, terwijl de schrijnwerkers het bloedig werktuig van de dood afbraken.
Dit is een fragment uit Boek 1830-1876 van De Grote Kroniek van Ieper


