banner
mei 31, 2025
119 Views
Reacties uitgeschakeld voor De rechtbank van waakzaamheid

De rechtbank van waakzaamheid

Written by
banner

Het jaar 1795. Over al die talrijke voorvallen met de Fransen wilde ik – Jacobus Busschaert – maar één voorbeeld aanhalen, voorgevallen aan een heer uit mijn dichte kennissenkring die me zijn verhaal mondeling verteld had. Zijn naam was J. Camerlynck. Hij was geboortig van Reningelst en jonkman die naliet om te trouwen omwille van de ongemakken die hij had aan zijn rechtervoet die in zijn jeugd door de onvoorzichtigheid van diegenen die hem moesten verzorgen nadat hij omgeslagen was achteraf niet meer treffelijk rechtgezet was.

Deze heer was in Ieper ontvanger van diverse weldenkende personen, onder andere van de juffrouwen Beke, twee zussen die verscheidene leningen met renten verschaft hadden. Die juffrouwen kregen het verzoek van een boer die met twee getuigen naar Ieper zou komen om een rente van 100 ponden, Vlaams courant geld terug te betalen met assignaten à rato van 6 ponden voor 1 Frans kroonstuk die de boer zoals gezegd gekocht had voor 6 stuivers het kroonstuk.

De voornoemde heer Camerlynck – in zijn functie als ontvanger voor de juffrouwen Beke – ontving deze boer zeer vriendelijk en vroeg wat hij voor hem kon doen. De boer gaf voor antwoord dat hij gekomen was om zijn schulden af te betalen die hij had ten profijte van de juffrouwen Beke. Camerlynck vroeg in welke penningen hij dat zou doen en hij gaf aan dat dit met assignaten zou gebeuren. Waarop Camerlynck als antwoord gaf dat hij die assignaten weliswaar niet weigerde maar dat hij die momenteel niet kon ontvangen vooraleer hij daarover zou gesproken hebben met de juffrouwen.

De boer mocht diezelfde namiddag om 14u terugkeren. Daarop was de boer vertrokken, in het gezelschap van zijn twee getuigen. Nadat hij hen uitgeleide had gedaan, begon de ontvanger aan zijn dagtaak. Tijdens de middag had hij amper de soep in zijn bord geschept als er geweldig aan zijn voordeur werd geklopt. Het waren gewapende mannen. Maar aangezien jonkman Camerlynck alleen maar mee woonde in dat huis dat ook bewoond werd door twee juffrouwen, maakte hijzelf geen aanstalten om de deur te openen.

Het waren deze juffrouwen die de voordeur openden en zeer verschrikt vroegen wat er aan de hand was en waarom die gewapende mannen daar stonden. Twee van hen waren van de rechtbank van waakzaamheid. De eerste was Pieter Beke, de zoon van een ‘schuppenier’ of winkelier van vette waren, bijgenaamd ‘dikhoofd’ die in het verleden nog kok was geweest bij de bargie van Nieuwpoort en nu generaal was. De andere was Joseph Beharelle, zoon van Alexius Beharelle die in zijn tijd een heel eerlijk man geweest was.

Maar zijn zoon Joseph over wie ik het hier had, was in zijn manieren precies de spitsbroer van Judas die onze lieve Zaligmaker verraden had. Beide personen namen het woord en zegden aan de juffrouwen dat ze kwamen voor mijnheer Camerlynck, waarop die direct riepen dat hij tot bij de voordeur moest komen. Toen hij hen vroeg wat ze hier kwamen doen, gaven ze hem als antwoord dat ze hem tot nader order zouden meenemen naar de gevangenis.

Toen die zich wat later in de gevangenis bevond – een of andere oude kamer – verwachtte hij dat men hem voor de rechtbank zou gebracht hebben waar hij terecht zou staan. Want hij wist niet waarom hij gevangengenomen was omdat hij deze boer en zijn gezelschap nog verwachtte, maar daar zou hij tevergeefs op wachten.

Hij bracht de nacht door zonder nog van die boer te horen en de volgende ochtend tussen 7u en 8u zag men een boerenwagen voor de gevangenis komen, bespannen met twee paarden en omringd door vier Huzaren te paard die direct vermaanden aan de cipier van de gevangenis dat hij citoyen Camerlynck naar voren moest brengen want iedereen in Ieper had de naam van citoyen want aristocraten werden beschouwd als vijanden van de republiek.

Mijnheer Camerlynck was naar voren gekomen en met zijn mank lichaam moest hij op de wagen gezet worden terwijl hij niets anders vroeg waar men hem naartoe zou brengen. Men gaf hem ten antwoord dat het naar Brussel zou zijn, waarop de wagen vertrokken was, omringd door deze Huzaren, recht naar Kortrijk. Daar aangekomen, werd hij tot bij de Franse commandant geleid die vroeg waarom ze met deze citoyen bij hem kwamen en waarvan hij beschuldigd was en of ze commissiebrieven bij zich hadden.

Ze vertelden aan de commandant dat er nog geen beschuldiging was en dat ze van het comité van waakzaamheid belast waren van Camerlynck naar Kortrijk te brengen om dan verder naar Brussel getransporteerd te worden. De commandant reageerde daarop met ongenoegen en beweerde dat het in Ieper toch wel ongeletterde mensen moesten zijn om zomaar iemand zonder reden naar de gevangenis te brengen zonder zijn misdaad te kennen of niet de minste brief mee te geven waarvoor hij beschuldigd was.

De commandant vroeg aan citoyen Camerlynck of hij zelf niet wist waarom hij hier was waarop hij antwoordde dat hij dat ook niet kon weten omdat ze hem gisterenmiddag zomaar opgehaald hadden uit zijn woning zonder ook maar voor enige magistraat of rechter gebracht te worden en dat hij met niemand gesproken had vooraleer ze hem naar Kortrijk hadden gebracht. Hij verzocht aan deze commandant dat aangezien hij nu van Kortrijk naar Gent moest gebracht worden en van daar naar Brussel of dat niet kon gebeuren met een publieke voiture met een officier als bewaker en dat hij bereid was de geleider te betalen.

Iets wat hem toegestaan werd. Zo waren ze de volgende dag vertrokken. Bij aankomst in Gent ondervonden ze dezelfde perikelen als in Kortrijk. De Gentse commandant die de Ieperse botheid van iemand zonder beschuldiging gevangen mee te voeren niet begreep, liet Camerlynck naar Brussel vertrekken.

In Brussel wisten ze ook al niets meer als in Kortrijk en Gent. De geleider bracht hem over naar de gevangenis terwijl een zekere Jures de zaak behandelde. Na een gevangenisperiode van acht dagen in een civiele kamer en op zijn eigen kosten, vroeg hij pen en papier aan zijn toeziener en hij schreef nu zelf een brief aan mijnheer Jures met het verzoek dat hij hem zou willen komen spreken. Jures stemde daarin toe en daarna volgde een vriendelijk gesprek en hij stelde voor om een brief te schrijven naar Ieper met de vraag waarom zij hier deze man zonder enige vorm van beschuldiging gestuurd hadden.

Op zijn vraag of hij zelf enig idee had, vertelde Camerlynck dat het te maken moest hebben met die kwestie van de assignaten. Om die reden gaf men hem een brief van slaking waarmee hij vrijuit kon gaan zoals hem dat beliefde, mits de betaling van de onkosten van zijn gevangenis.

Dit is een fragment uit Boek 1785-1829 van De Grote Kroniek van Ieper

Article Categories:
1785-1829
banner