Zondag 17 november 1918. Even stond ik op het kerkhof van Roeselare bij graven van verwanten en bekenden. De begraafplaats was zeer groot geworden sedert ik die vier jaar geleden bezocht. Zoveel Duitsers waren in Vlaanderen komen sterven en enkele honderden lagen hier in lange rijen onder kruisjes en zerken. Aan het einde verhief zich een kolom met een opschrift dat aan de IJzerslag herinnerde en op het voetstuk grifte men zeer veel namen die door het weer al half uitgewist waren.
Dan reed ik de weg voorbij het kerkhof op, de weg die naar de gruwelijke, verlaten vlakte leidde, het slagveld van Ieper. Nog enkele niet al te zeer gehavende huizen dichtbij de stad… en dan begon de eindeloze woestenij, waar ik van 9u tot 18u dwaalde, zonder nog één gaaf gebouw te zien, zonder tien burgers te ontmoeten.
Er waren geen akkers en geen weiden meer, geen boomgaarden en boerhoven, geen bossen en parken, geen gehuchten, dorpen en steden. Daar lagen nog de heuvels en dalen, maar alles vervormd tot één indrukwekkende wildernis, uren en uren ver, vol trechterkuilen, met vuil water en tussen die kuilen onkruid en lang gras. Ik zocht Passendale. Ik had de heuvelrij bereikt, zo vaak genoemd in de communiqués.
Ik kon me niet vergissen. Hier moest het dorp gelegen hebben. En waarlijk! Er lag wat meer puin onder het beton en de aarde… Daar was een verhevenheid. Er stond een paal met een bordje bij en het ontroerde me toen ik ‘Kirche Passchendale’ las.
Ik klom op de hoogte van stenen. Ver rondom mij lag de vlakte waar nu de stilte van de dood hing en toch vier jaar lang de kanonnen huilden.
Een vlakte, in vredestijd zo heerlijk schoon, met de lachende dorpen, de vruchtbare velden en daartussen kabbelende beken, met de witgekalkte hoeven en zwierige molens. Ik fietste een hellende weg af. Ik zag allerlei punten, zo bekend geworden in deze vreselijke oorlog: ‘s Graventafel, Broodseinde… Ik stapte even af om een praatje te maken met een Belgisch soldaat die hier eveneens een kijkje kwam nemen. Hij wees naar een plekje waar enige met helmen gekroonde kruisjes boven het wilde gras opstaken.
‘Daar woonde ik’, vertrouwde hij me toe. Hij vond geen steen meer terug van zijn woning. Wat verder bleef ik weer onderzoekend rondkijken. Ik moest hier toch te Zonnebeke zijn, in de kom van het dorp? ‘Is dit wel Zonnebeke?’, vroeg me op zijn beurt een burgers die uit een zijweg genaderd was. ‘Ik denk het … het kan niet anders ..’ Een Brit die Duitse krijgsgevangenen bewaakte, kwam naar ons toe en riep al van een eindje ver; ‘Any Newspapers?’.
Die vraag klonk me vreemd in deze omgeving. Was alles rondom ons niet veel machtiger dan het meest treffende artikel van een krant? ‘Is this Zonnebeke?’ informeerde ik bij de Tommy. ‘Yes…. There is a board’. En werkelijk! Wat verder stond op een paal weer de naam van het dorp en meer was er van de grote, bloeiende gemeente niet over. Wat voor ironie in dat woord ‘Zonnebeke’ terwijl alles rondom woestenij was. Daar lag het kadaver van een paard en vogels aasden er op. En overal nog munitie, gebroken wapens, ijzeren platen, stukken beton, planken en balken.
Een houten weg sloeg links af en over de Westhoek reed ik, zo goed en kwaad als het ging naar het Hooge, een gehucht op de weg Ieper-Menen. Wat voor verschrikking nog om me heen! Talrijk waren de graven. En tussen schuilplaatsen, loopgrachten, tracks, munitiedepots lagen stukgeschoten karren, assen, dissels, kanonnen, wagens met ransels, veldflessen, helmen, bajonetten, granaathulzen, mitrailleurpatronen in band, kruiwagens, spaden, kolven van geweren, rollen prikkeldraad, palen, ijzeren platen. Alleen de doden waren opgeruimd. Die rustten in deze woeste vlakte en met duizenden sluimerden ze in de zo vaak omwoelde grond.
Het Hooge! Hoe vaak had ik er niet over geschreven. Het was ook zo’n idyllisch plekje, met het kasteel en het prachtig park van baron de Vinck. Hoe lang lagen de Britten en de Duitsers hier niet tegenover elkaar? En nu.. Sanctuary Wood heette het park en ik herkende het nog aan een tweehonderd stompen van bomen, als dode stokken in de grond gezet.
Geen takje, geen twijgje, geen blaadje meer. En het slot zelf was verdwenen. Zo was het Hooge nu. Van het gehucht niet het minste spoor. Wegwijzers brachten me allerlei namen uit de communiqués voor de geest: Bellewaarde, Zouave Wood, Herenthage, Veldhoek, Hill 60, …..
En nu lag de weg naar Ieper daar voor me, dan rees hij, om weer te dalen tot in de stad waar ik tussen ruïnes het gras zeer hoog zag staan. Men had het puin wat weggevoerd en zo een paar straten door de wildernis getrokken. De Grote Markt was als een dorpsplein met de basis van de hallentoren en een stuk voormuur op de achtergrond.
En daarachter rijpte nog een klein stuk van de Sint-Maartenstoren en een zijmuur, met een portaal waarin onthoofde heiligenbeelden stonden. Tussen kalk en gruis lagen prachtig bewerkte stenen. Dat was alles wat de Duitser ons liet van de schoonste gotische kerk van België en van de wonderbare lakenhalle. En verder enige groepen muurbrokken, die arm en schamel schenen te rillen in dit zo heel klein geworden en toch zo overweldigend Ieper.
Want buiten de markten en de aanpalende straten waar nog enig puin rees, was alles weggeveegd, alles tegen de grond gelegd en voor een groot deel opgeruimd. Gelukkig had ik wat brood meegenomen want te Ieper was niets te krijgen. En ja toch, juist die morgen was de eerste winkel geopend in een lange brede kermiswagen, door een ondernemend man naar de stad gevoerd. Ik stapte er binnen en het kacheltjes ronkte er verlokkelijk op deze koude dag.
Ik kon er koffie krijgen, al was het zonder suiker of melk. En daar gebruikte ik mijn sobere lunch. ‘Peins je ‘t ook niet, da’k hier goede affaires zal doen?’, vroeg de baas me, ‘Ik ga er morgen een tent bij opslaan en allerhande waren betrekken. Er gaan toch vele menschen naar Ieper komen zien?’ De handelsgeest was bij ons nog niet verdoofd.
Dit is een fragment uit Boek 1918-1924 van De Grote Kroniek van Ieper


