Voorjaar 1919. Kort na de oorlog keerde ik (Alfons Lefebvre) met mijn familie terug naar Ieper. Ons huisgerief stond buiten en moeder maakte vuur tussen twee stenen. Op de stenen lag een rooster met een waterketel op. Dat water haalden we aanvankelijk uit een obusput. Je kon onmogelijk weten af het water goed was of dat het geen krater van een gasgranaat betrof. Maar ja, wat moesten we doen? En trouwens het water werd toch wel gekookt. Later zouden we een put boren en zouden we beter water krijgen. In het begin moesten we brood gaan halen in Poperinge, of naar Roeselare.
We hadden wel meer de kans om naar Poperinge te gaan omdat de auto’s van de Engelsman naar ginder reden. We waren jong en we sprongen op de auto en weg waren we. Later zouden we Knockaerts van de Bascule krijgen, die gingen met paard en kar om brood te halen naar Poperinge en dat was een schone verbetering. We hadden onze eerste tent rechtgezet.
Het materiaal dat we hier voor nodig hadden, vonden we aan het front. Het was hier de loskaai van de Engelsen, meer bepaald aan Hell Fire Corner. Hier losten ze alle soorten stenen, brokken, hout en dergelijke. We namen daar van alles mee om onze tent te plaatsen en een hok te bouwen om ons paard in te zetten. We zetten vier staken recht, plaatsten enkele regels er dwars over, met enige platen en een kapje erop.
Als scheiding gebruikten we een deken. En zo hadden we twee plaatsen. De muizen kropen op onze tafel. En ondertussen bouwden we onze barak. We hadden in Watou de cinema van de ‘Amerikaander’ gekocht en ‘s anderendaags aan een buur gevraagd om die te verhuizen. En ze kwamen met heel die bazaar. Een metser van Zonnebeke metste stenen rond die houten posten, stenen die we overal vonden en nog het meest in het puin van het weldadigheidsgesticht, de ‘Bienfaisance’ zoals de Ieperlingen die noemden. Cement vonden we in lege cementkuipjes, maar als je kapte was er binnen nog veel droge cement en die vermengden we dan met leemaarde en kon er gemetst worden.
We hebben zelf nogal wat huizen gezet om logement te geven aan de mensen die kwamen werken naar Ieper. Ze kwamen van ver en nabij om te metsen, maar ook om koper, kardoezen en munitie te rapen. Er waren er veel in de lucht gevlogen, alle kilometer één. Hier een aan het voetwegeltje naar Zillebeke en ook nog één aan de Potyze. Rechtover was er eentje bezig een ring af te draaien en de obus begon te sissen. Hij kon maar net op tijd in de gracht springen. Het was trouwens niet gemakkelijk om goede stenen te vinden. Er waren veel steenovens in het ronde maar die stenen gingen allemaal naar de grote entrepreneurs.
….
Ik (Emiel Tytgat Boezinge) kon een houten barak kopen in Hoogstade. Urbain bleef dus een tijdje alleen achter. Bang was hij niet want hij beschikte over het nodige geschut. Hij bracht zijn dagen door met het zagen van hout. Er waren hier toen al enkele andere mensen aangekomen. Zo onder andere veldwachter Benoit Govaerts, Leon Houck en het echtpaar Jean Debeuf. Gevolgd door meester Eugeen Coulier en Alfons Ameel.
Ook deze mensen huisden in een hol of bunker terwijl ze probeerden om een betere woonplaats op te bouwen. ‘s Avonds gingen de meesten echter weer weg van Boezinge. De volgende ochtend kwamen ze terug. Zoals bakker Alfons Ameel. Zo hoefden we dus niet meer naar Poperinge te rijden om brood. Alfons Ameel begon inderdaad met een winkeltje van levensmiddelen. Het was toen al mogelijk om melk te kopen, weliswaar in blik. Dat zou onze redding betekenen.
….
Onze barak te Boezinge was nu opgetimmerd en was dus al beter als woonplaats. Er konden bedden in geplaatst worden. Dat waren soldatenbritsen waarin netten gespannen werden. Op dat net werden zakken gelegd, gevuld met lang gras en een paar dekens. Een kachel – gevonden in een bunker – kon de gezelligheid wat verhogen. Om muizen en ratten van de proviand weg te houden, hingen we een ijzeren plaat met ijzerdraad aan het plafond. Die paaszondag was er helemaal geen beweging in de wildernis. Tenminste niet van werkers.
Er zwierven wel ‘zoekers’ rond; mensen die erop uit waren zoveel mogelijk te recupereren. Ze zochten niet naar wat ze nodig hadden maar om er geld mee te verdienen. De mensen die hier bleven, waren altijd blij om toch iemand te zien. Vooral de nachtelijke eenzaamheid in deze wildernis was haast roekeloos. Rond die dagen kreeg Urbain Tytgat op een avond het bezoek van meester Coulier die te Roesbrugge woonde. Urbain kende de man niet en wist evenmin dat er nog mensen waren die de nacht doorbrachten in Boezinge. Hij verkeerde nog altijd in de mening dat hij hier ‘s nachts alleen was.
Het onverwachte bezoek van meester Coulier die plots op zijn deur klopte zorgde dan ook voor grote angst. Maar de man kwam vragen of ze soms niet wat brood hadden voor hem. Urbain vond er nog een stukje, zo droog als leer. Dat aten ze op met een slok koffie die de hele avond buiten had gestaan. Meester Coulier bleef er die nacht slapen. Dergelijke verhalen kon je normaliter lezen in brousseverhalen allerhande, maar gebeurden nu wel degelijk in onze eigen streek. Meer bepaald in het Boezinge van april 1919.
….
Ik (Achiel Van Walleghem) keerde terug naar Dikkebus. Ik vond er een tweehonderdtal mensen die vanaf februari, maart naar hun huizen teruggekeerd waren. Ze probeerden er te wonen zo goed en zo kwaad als het ging. Enkelingen hadden hun huis of hun stal wat bewoonbaar kunnen maken. Ze hadden vermoedelijk eerst dagen moeten werken om er de aarde en het hout te verwijderen waar er abri’s in gemaakt waren. Ze hadden daartoe mogelijk de hulp gekregen van Chinezen en Duitse krijgsgevangenen. Ze hadden dan wat planken geslagen om de gaten in de muren enigszins af te dichten en wat van de beste plaatsen uitgezocht om het dak te herstellen. Het merendeel had zelf een barak opgeslagen.
De mensen waren het hout gaan zoeken in de verlaten kampen, in de abri’s en aan de loskaaien. Hout en planken lagen immers overal in het rond. Ze kozen er het beste materiaal uit en op die manier hadden ze op enkele dagen tijd een woning opgetimmerd. Op die manier leefden de eerste mensen aller ellendigst maar toch waren ze tevreden. Ze hadden hun eigen haard, hun thuis. Ze waren moe van het ronddolen en dat ze nu terug waren op hun parochie was het belangrijkste. Ik trof er enkel twee fatsoenlijke barakken aan. Ze waren opgeslagen door het Koning Albertfonds (K.A.F.).
De eerste was bewoond door burgemeester Engel Heugebaert, bij wie ook secretaris Thevelin ook deels zijn huis hield. De andere wachtte op de terugkeer van de garde. In afwachting dat mijn eigen barak zou opgetimmerd worden, verbleef ik te Poperinge, bij Achiel Rouseré-Sohier aan het Zwijnland. Van daar zou ik haast dagelijks naar Dikkebus gaan. Poperinge was dan een stad van belang. De hoofdstad van ‘Bachten de Kupe’. Daar verbleef ook kanunnik Delaere, de deken van Ieper.
Dit zijn fragmenten uit Boek 1918-1924 van De Grote Kroniek van Ieper


