Maandag 15 augustus 1566. Nadat de ketters al deze ornamenten verbrand hadden in de kloosterpoort waren ze met dezelfde dolheid naar de andere kerken en kloosters van de stad gestormd. Ze begonnen daar hun verwoestingsronde met dezelfde stoutmoedigheid en met nog meer boosheid en goddeloosheid. Deze beeldenstormerij en de schending van die kerken en kloosters had de hele dag geduurd. Terwijl de burgers toch wel verbaasd waren en er verslagen bijstonden. De Ieperlingen meenden dat ze geen mensen aan het werk zagen maar helse duivels die in menselijke gedaanten vermomd waren.
Sommigen waren verblijd toen ze zagen dat nu eindelijk volbracht was wat ze altijd al gehoopt en gewenst hadden. Het magistraat en de overheid van de stad toonden geen al te grote zorgvuldigheid. Het leek er wel op dat deze onverwachte inval hen het verstand en de wijsheid had afgenomen. Ofwel waren ze al vooraf gewaarschuwd geweest en bleven ze nu allemaal netjes in hun huizen. Het was inderdaad wel een feit dat ze liever allemaal hun eigen veiligheid hadden opgezocht om het ongeluk te ontlopen. Maar helaas zonder eraan te denken om raad of assistentie erbij te roepen.
Elkeen sloot gewoonweg zijn deur uit vrees van in het oog van de ketters te lopen en daarbij geplunderd, mishandeld of vermoord te worden. Want toen de beeldenstormers de kerk van Onze-Lieve-Vrouw ten Brielen beroofd, hadden ze daar een zekere Veronica Paelings gevangengenomen, wezende een pastoorsmeid. Ze dwongen haar te vertellen waar het zilverwerk van de pastoor verborgen zat. Maar toen ze beweerde dat ze dat niet wist, hadden ze haar met de benen aan de zolder gehangen en haar kleren die ze aanhad in brand gestoken en ze laten hangen. Maar kort nadat ze vertrokken waren, was de brand aan haar kleren gedoofd en was ze daar tot ‘s anderendaags blijven hangen tot het volk uit het gebuurte haar hoorde lamenteren en ze haar met een been aan het plafond opgehangen zagen vermits het andere been losgekomen was tijdens de brand en ze nu met haar handen op de grond kon steunen. Ze werd daarna door de buren uit haar hachelijke positie bevrijd.
Naast het klooster van de augustijnen buiten de Elverdingepoort had een burger boven zijn deur een schoon kappelletje met een Onze-Lieve-Vrouwebeeldje dat hij ermee versierde. De ketters waren nu met sabels toegekomen om het beeld in stukken te hakken terwijl de burger dat met schone woorden wilden beletten. Maar ze hadden de man doodgeslagen, zijn huis geplunderd en zijn vrouw die ziek in bed lag, hadden ze eruit gesleept, haar op de rug van een ezel gebonden die daar achteraan liep. Ze hadden dan de ezel weggejaagd die een hele tijd was blijven rondlopen, van hier naar daar met deze zieke vrouw op zijn rug.
Tot ze van de ezel was gevallen en door iemand in huis genomen werd. Ook de Sint-Pieterskerk hadden ze beroofd. Aan de noordzijde van de toren stond een groot kruis op het kerkhof, met een beeld van onze heer. De geuzen klommen met ladders op het beeld om een koord aan de hals van het beeld te doen om het kruis zo naar beneden te trekken en in stukken te breken.
Nadat het touw was vastgemaakt, trokken ze met alle geweld om het beeld te laten kantelen. Maar het grote kruis was door de ouderdom helemaal verrot aan de onderkant. En terwijl ze maar bleven trekken, kregen ze opeens heel het kruis op hun ribben, waardoor vier mannen serieus gekwetst werden waarvan één de volgende dag gestorven was. Tijdens de beeldenstorm waren ze naar de nonnetjes in het klooster van Sinte-Catherine gelopen waarvan er op dat moment drie in huis waren. De andere zuster had zich mogelijk in een burgerwoning verborgen.
Onder de bende geuzen liepen er dertien vrouwmensen mee, vermoedelijk allemaal hoeren en uitschot die met de troep meeliepen omwille van de mogelijke buit. Ze hoopten daar in dat vrouwenklooster te kunnen profiteren van enkele vrouwenhabijten. Terwijl de mannen al de ornamenten en de beelden van de kapel beroofden en schonden, liepen deze dertien vrouwen in de kamers waar ze de drie nonnetjes vastgrepen en ondanks hun geslacht deze vrouwen meermaals hadden geschonden zoals de mannen dat zouden gedaan hebben.
De dertien waren trouwens ook al even onbeschaamd als de mannen. Ze lieten de drie nonnen hun kleren afstropen en verjoegen hen buiten de achterpoort terwijl ze hen achterna gingen en sloegen met rijshout. Het was de achterpoort die uitkwam rechtover het Zaalhof. Ze dwongen nu deze nonnen, zo nat als ze nu waren door het water van het Iepertje te gaan om uit te komen op de straat. En deze hoeren waren daar nog niet tevreden mee. In datzelfde straatje vonden ze een devote dochter die daar in een huisje woonde bij wie ze vaak diensten of boodschappen deden voor het Sinte-Catherineklooster. Ze hadden haar voordeur opengebroken en kregen daarbij de hulp van de mannen. Dat vrouwengespuis drong er nu binnen.
De doodsbenauwde dochter liep in haar kleine achterkeuken maar ze liepen haar achterna, grepen haar vast en opnieuw waren ze zo onbeschaamd om al haar kleren af te stropen, tot haar hemd toe en om nog met haar te schimpen. Ze bestreken haar naakt lichaam met brandolie die ze daar in een kan vonden, sneden haar pluimenbed open, schudden alle pluimen eruit en wentelden haar daarin zodat ze helemaal in pluimen stond dewelke aan haar bleven kleven. Op die manier hadden haar buren ze de volgende ochtend gevonden, liggende in een hete koorts die ze van angst had opgelopen.
Nu deze ongelukkige en in alle eeuwen beweenbare dag van de beeldenstormerij geëindigd was en al die helse monsters met een grote buit geladen uit de stad weggetrokken waren, gingen ze nu op weg naar de abdij van de Nonnenbossen boven het Hooge, op de weg naar Beselare. Daar hadden ze de deuren doorschoten om binnen te geraken om dan alles te roven wat ze vonden. Ze braken op het altaar in het tabernakel of het sacramentshuisje. Ze smeten de wassen kaarsen in het vuur en stripten de kerk van al zijn sieraden en ornamenten en lieten het gebouw achter als een open en vervallen beestenstal.
Dit is een fragment uit Boek 1529-1599 van De Grote Kroniek van Ieper


