Maandag 10 juni 1935. Rond 16u, verduisterde de lucht opeens zo snel dat iedereen dacht dat we – gezien de temperatuur zo dof en onweerachtig aanvoelde – zouden begiftigd worden met een hevige stortvlaag van donder en bliksem. Het was echter heel het tegengestelde dat zich voordeed. Want in de plaats van regendruppels waren het overgrote zware hagelstenen die door een geweldige westenwind voortgedreven bonzend op de straatstenen, op de dakpannen en tegen de ruiten kletsten en met een gedruis dat waarlijk benauwelijk was.
Gedurende meer dan tien minuten lang vielen ze op sommige plaatsen zo dicht en zo talrijk dat ze er alles verwoestten en beschadigden. De gebroken ruiten hier in Ieper-stad alleen al waren niet te tellen. In de tuinen was het een echte verwoesting. De kleine groensels, de bloemen en planten, alles werd door de hagelstenen verhakkeld en gebroken. Het fruit werd afgeslagen. Men moest waarlijk eens een tuin bezoeken om zich rekenschap te geven van de aangerichte schade. Tot zelfs de bloempotten toe werden verbrijzeld.
En te lande was de schade niet minder aanzienlijk. De stengels van de paardenbonen waren afgekraakt, het vlas was tot op de grond verpletterd. Veel landbouwers zouden verplicht zijn die vruchten uit te rijden, en die beschadigde partijen land zouden gezien het late seizoen omzeggens voor niets anders meer kunnen dienen dan voor het zaaien van loof. Voor al die mensen was het onweer van maandagnamiddag een echte ramp geweest, die hen de vruchten van een heel jaar hard zwoegen deed verliezen. Lange tijd nadat ze gevallen waren, kon men nog hagelstenen oprapen ter grootte van een klein kippenei.
Daar waren er die toen nog meer dan 50 gram wogen. Ze geleken op echte ijsklompen en weinig mensen herinnerden zich om ooit dergelijke grote hagelstenen gezien te hebben. Naar het schijnt was het sedert het jaar 1890 geleden dat men dergelijk verschijnsel nog gezien had. Tal van auto’s die zich op de weg bevonden, werden de kappen doorboord, de ruiten stukgeslagen, de glazen van de lichten gebroken en de slijkweerders geblutst.
De wandelaars die ter gelegenheid van tweede Sinksendag eveneens talrijk op baan waren, zagen zich verplicht de dichtst bijgelegen huizen binnen te vluchten, zodanig snel en verrassend was die geweldige hagelvlaag overgekomen. In de bergstreek, voornamelijk op de Kemmelberg waar het kermis was en er zoals elk jaar duizenden bezoekers waren toegestroomd en op de Zwarteberg en Rodeberg was de hagelvlaag ook al vreselijk.
In minder tijd dan het nodig was om het te beschrijven, was heel de menigte uit elkaar gestoven om zich zo snel mogelijk te verschuilen. Een persoon die met zijn hand het blote hoofd van zijn kind beschutte werd door een van die grote hagelstenen aan de hand gewond. Kippen en duiven werden gekwetst en moesten door hun eigenaars afgemaakt worden. Tot zelfs dakpannen toe werden door de hagelstenen doorboord. Ook de ruiten en veranda’s van de hotels en van de meeste huizen werden ingeslagen.
Een handelsbediende van Belle die met de auto van zijn patroon naar de Rodeberg op bezoek gekomen was, stond nu wanhopig bij het erg gehavend rijtuig en vroeg aan de omstaanders een verklaring te ondertekenen volgens dewelke de auto zo door de orkaan beschadigd werd. In de gemeente Loker, op De Klijtte en ook te Westouter waren de vruchten op het veld op sommige plaatsen volledig vernield. Van enkele huizen werden vensterramen ingebeukt. Koeien die zich buiten in de weide bevonden, werden gekwetst.
Woensdag 26 juni 1935. Rond 21u30 woedde er gedurende omtrent een uur, een verschrikkelijk onweer boven de stad. De bliksemflitsen, waaronder tal van die vervaarlijke slangen, volgden elkaar langs alle kanten zonder ophouden op en de uiterst laag hangende wolken leken op sommige momenten op een echte vuurpoel. Ook de donder ratelde voortdurend en tot drie, vier maal toe waren de slagen zo hard en geweldig dat iedereen de overtuiging had dat hij niet ver van hier gevallen was.
Men had zich dan ook niet vergist, want weinige tijd later hoorde men een klaroenblazer het alarmsignaal blazen. Bij de derde grote slag was de bliksem ingeslagen in de woning van Daniël Victoor, wonende op de kleine marktplaats van de Ligywijk. Gelukkig was deze laatste met zijn familie tijdens het onweer bij een buur gevlucht, anders hadden er wellicht persoonlijke ongevallen te betreuren geweest.
De bliksem had naast de schouw een gat in het dak geslagen en was zo langs de schouw in de huiskamer gedrongen om wat verder een kleine opening in de muur te boren en was zo weer naar buiten te gaan. Op de plaats waar hij in de kamer kwam, was een groot deel van de muurbepleistering afgerukt en een licht zwart gebrande streep duidde de weg aan die door de bliksem gevolgd was.
Weinige ogenblikken later zagen buren kleine vlammen uit het dak opstijgen. Ze verwittigden dadelijk de bewoner en met de hulp van enkele dienstbare buren die dankzij het klaroengeschal van een daar dichtbij wonende pompier ter plaatse kwamen toegesneld. En zo kon het begin van brand spoedig uitgedoofd worden. Omdat men over de ernst van de brand niet goed ingelicht was, en uit vrees voor de aanpalende huizen van die dichtbevolkte wijk, deed de politie van zodra ze verwittigd werd het noodsein werken. En rond 22u30 spoedden de brandweerlieden zich met hun materiaal naar de plaats van het onheil.
Bij hun aankomst in de buurt van de Bascule werd hen echter bericht dat hun tussenkomst niet meer nodig was en mochten ze onverrichter zake terugkeren. Tijdens datzelfde onweer was de bliksem eveneens gevallen op de Sint-Maartenstoren en had er het uitstekend gedeelte van een van de zware sluitstenen die boven op de torenspits juist onder het kruis een kroon vormden, afgerukt. Die grote steenbrok kwam dus van een hoogte van honderd meter naar beneden en was op enkele meter afstand van de grote ingangspoort in verscheidene stukken op de grond geploft, waar hij een put geslagen had en verscheidene kasseien in de grond gedrukt.
Het zou spijtig genoeg erg moeilijk tot zelfs onmogelijk zijn om de aangerichte schade herstellen. Ook de elektrische leiding van de verlichting en van het orgel binnen de kathedraal werd door de bliksem beschadigd. Diezelfde avond was de bliksem ook gevallen op de herberg ‘Het Hof van Commerce’ in het gehucht het Wieltje, waar hij het dak en een kant van de stalling die met golfplaten gedekt was, afrukte. De dieren bleven ongedeerd.
Dit zijn fragmenten uit Boek 1925-1945 van De Grote Kroniek van Ieper


