Zaterdag 3 april 1886. Het verslag van het Ieperse schepencollege gaf volgende tekst te lezen: op 24 december 1875 had het schepencollege zich tot het staatsbestuur gewend teneinde het afstaan in volle eigendom te bekomen van een gedeelte der gronden voortkomende uit de oude vestingen. Het schepencollege was met het verlangen bezield van, dicht bij het station van de ijzerweg een nieuw kwartier te doen oprijzen. Ze vroegen om de definitieve afstand te bekomen van het gedeelte der militaire gronden gelegen ten westen van de stad, met inbegrip van de Boterplas.
Thans was de stad nog omringd van grachten; de oost-, west- en zuidkanten waren versmacht tussen de oude vestingen. Ten noorden lag het Minneplein. De bouwgronden waren zeldzaam en de ontwikkeling van de stad was haast onmogelijk. De openbare gezondheid eiste nochtans dat men binnen de stad een aantal ongezonde huizen zou doen verdwijnen, dat men de straten in de volkrijke gebieden zou verbreden.
Maar, vooraleer over te gaan tot afbreken, diende men eerst de opbouw van betere woningen te verzekeren en dat kon alleen maar bereikt worden wanneer de gronden die de stad omringden, zouden verlost worden van een soort van dode hand. De onderhandelingen waren hardnekkig voortgezet en na tien jaar van actieve pogingen bekwam de stad eindelijk het volle en volkomen genot van deze gronden.
Het doel was nog steeds om de woningen van de werkende klasse te verbeteren. Het was ongelukkig genoeg maar al te waar dat talrijke huisgezinnen opgroeiden in ongezonde kwartieren en straten waar de lucht met moeite kon doordringen en waar het vuil water amper kon wegvloeien. Niet minder waar was het dat het aantal werkmanswoningen waarvan velen zich in een erbarmelijke toestand bevonden, dan nog te gering was volgens het cijfer van de bevolking.
Het getal personen dat in één huis woonde, was veel te groot in evenredigheid van de grootte van de vertrekken en de kamers ervan. Vandaar ook het aantal beluiken die grotendeels bronnen van lichaamsgebreken en verderfelijke kringen waren.
Men hoefde enkel deze straten en beluiken te bezoeken, daar waar talrijke huisgezinnen opeengestapeld woonden, om een idee te krijgen van de schrikwekkende gevolgen die er moesten voortspruiten voor de gezondheid en de zedelijkheid van de werkende jeugd. Het college was van gevoelen dat men zou beginnen met vlakbij het station een heel nieuw kwartier te vormen, in hetwelk drie grote en brede, bijna gelijklopende straten zouden uitkomen.
Te dien einde zou men de Boterplas moeten aanvullen. Tenminste het gedeelte dat zich uitstrekte van de Stationsbrug tot de brug die de Elverdingestraat met de steenweg naar Veurne verbond. Eens dat de grond daar effen zou zijn, zou het gemakkelijk zijn om het plan van de straten en de hovingen op te maken. Daar zouden dan nieuwe gebouwen oprijzen. Het binnenste van de stad waar de volksmenigte te groot was, zou op die manier kunnen ontlast worden. De afbraak van de ongezonde straten en huizen zou nu kunnen voortgezet worden.
Het schepencollege besliste inderdaad tot het dempen van de vestingen en de afbraak van de stadsversterkingen die zich bevonden aan de westelijke zijde van Ieper, heel dicht gelegen bij het instituut van de Roesbrugge Dames. Er werd onmiddellijk aangevangen met de werken met als doel om werk te verschaffen aan de talrijke Ieperse arbeiders die werkloos waren. Het doel was om in de omgeving van het station een nieuw kwartier te creëren dat de stad zou kunnen uitbreiden.
Deze plannen zouden erg hardnekkig betwist worden omwille van zijn esthetische vormgeving, maar dat was blijkbaar de tol van de vooruitgang. Want wie zou op termijn nog redetwisten over het mooie kwartier langs de Maloulaan, vergeleken met de vroegere toestand?
Mei 1886. Het afbreken van het bolwerk aan de kant van het station zorgde voor een grote hoeveelheid steengruis dat uitnemend geschikt was voor het verbeteren van de lage aardewegen die ‘s winters onder water stonden of haast onbruikbaar werden door het bovenmatig slijk. Ons stadsbestuur liet toe aan de inwoners die langs zulke wegen woonden, het steengruis af te halen om hun wegen te verbeteren.
Tot op heden werden er reeds meer dan 250 karren weggehaald voor het verbeteren van de aardewegen bij de Verloren Hoek, aan het Wit Huis (weg naar Kemmel) en van de Augustijnenstraat die de steenwegen van Brielen en Vlamertinge verbond. Er waren zeker nog wel andere zandstraten rond Ieper die zouden kunnen verbeterd worden door middel van steengruis. De personen die deze gelegenheid wilden te baat nemen, moesten niets inzien buiten hun moeite.
Dit is een fragment uit Boek 1877-1913 van De Grote Kroniek van Ieper


