Woensdag 18 juli 1866. Onder de preventieve maatregelen die door het stadsbestuur getroffen waren tegen de cholera-epidemie hadden we volgende zaken gezien. Men had de verkoop van fruit verboden en er was sprake van om de politiereglementen i.v.m. het sluiten van de herbergen in voege te brengen. Het stadsbestuur had diverse arbeiderswoningen doen sluiten waarvan de eigenaars weigerden om dringende herstellingen uit te voeren. Nog meer dergelijke woningen zouden naar verluidt binnenkort hetzelfde lot ondergaan. De stad was onderverdeeld in acht secties die elk onderhavig waren aan de inspectie van een dokter. Die zou rapporten opstellen i.v.m. de toestand van de diverse straten, het onderhoud van de arme mensenhuizen en de toestand van de bewoners.
Er was tevens beslist om de Ieperlee te overwelven in de Klaverstraat. L’ Opinion merkte terecht op dat er mistoestanden bestonden die men eenvoudig kon oplossen. Zo bijvoorbeeld het slib en kroos, afkomstig van het uitkuisen van de stadsgrachten dat men meerdere dagen liet slenteren op de oevers. Die veroorzaakten natuurlijke verderfelijke giftige gassen die, samen met bepaalde besproeiingen van het grasland langs de vestingmuren bepaalde passages van onze wandelpaden maar weinig aantrekkelijk maakten. Zou het dan niet beter zijn, argumenteerden ze, dat men niet alleen de verkoop van groen fruit moest verbieden maar ook dat van beschadigde vis, beter bekend onder de naam ‘achter uit’. Er drongen zich in dat verband zeker reglementen op.
Het waren vooral de arme lieden die zich alleen maar dergelijke vis konden aanschaffen terwijl het net zij in deze tijden nood hadden aan gezonde en versterkende voeding. In verband met de hygiënische toestand in de stad reden er sinds enkele dagen wagens met koolzaadstro door de straten, bestemd voor de arme families. Dit stro werd hen toegeleverd om hun matrassen te vernieuwen. Het gebruikte stro werd verbrand achter het doel op het Minneplein.
De Ieperse dokters A. Poupart, H. Coppieters, X. Dalmote en E. La Grange stelden een aantal nieuwe stadsreglementen voor. Het was immers belangrijk om de gezondheid van de inwoners nauwkeurig in de gaten te houden;
1. De huizen moesten proper gehouden worden, gewit met kalk elke keer als dat nodig was. Ze dienden dagelijks verlucht te worden door de ramen en deuren te openen die toegang gaven tot de buitenomgeving en waardoor er een snelle luchtcirculatie kon binnendringen in de woningen.
2. De inwoners dienden alle woningen te vermijden die te vochtig, te ingesloten of waarin er een gebrek aan buitenlucht was.
3. De ontlastingsruimtes en de binnenkoeren moesten gereinigd worden. De inwoners moesten er op letten dat er nergens stilstaand water te zien was door een goed onderhoud van de beken en door het verwijderen van slib dat de stroming kon belemmeren.
4. Opslagplaatsen van mest of bederfelijke materialen dienden verhuisd of verwijderd te worden.
5. De stallen en de hokken dienden netjes onderhouden te worden. Men moest er op letten om geen dieren zoals kippen en konijnen te houden op plaatsen die te klein waren en die vooral niet in het gezelschap van de mens te laten.
6. In principe mocht elk voedsel genuttigd worden, zolang dat maar van goede kwaliteit was en voldoende herstelkracht bezat. Rijp fruit diende met mate verorberd te worden.
7. Men moest streven naar een regelmatig leven. Onmatigheid en excessen waren eveneens schadelijk voor de gezondheid. Alleen fysieke rust versterkte de moraal.
8. De inwoners mochten niet de minste ongesteldheid verwaarlozen, vooral die van het spijsverteringskanaal en geen toevlucht nemen tot nepgeneesmiddelen. Op die manier zouden we in Ieper de plaag die ons bedreigde, kunnen bedwingen.
Dit is een fragment uit Boek 1830-1876 van De Grote Kroniek van Ieper


