banner
apr 23, 2026
28 Views
Reacties uitgeschakeld voor Dicht bij de Rijselpoort

Dicht bij de Rijselpoort

Written by
banner

Maandag 22 februari 1915. Kanonnen, geweren en shrapnels maakten er samen één koor van. Bij het invallen van de avond braken de obussen zeker een record. Ze vielen in grote hoeveelheden neer op de stadsgrachten en de vestingen. Bij elke inslag sprong het water wel tien meter de hoogte in en ondertussen werden honderden vissen op de oevers gekatapulteerd.

Enkele mannen in de buurt van café ‘De Engel’ in de Rijselstraat wilden zo’n obus openmaken maar het tuig explodeerde in hun handen. Emile Crepeele, een vrijgezel van zesendertig werd in stukken gereten. Thomas Deruddere, een jonge familievader werd verpletterd tegen een muur en de kleine Albert Hoornaert bleef zwaargewond liggen.

Bij het nieuws van het ongeluk haastten dokter Manning, Robert Stopford en zijn chauffeur zich er met hun auto naartoe. Maar aan de Rijselpoort was het nu verboden om tussen 6u ‘s ochtends en 18u nog voorbij te rijden voor enige voertuigen. Ook ikzelf kreeg geen toelating om voorbij te komen. De weg werd trouwens voortdurend gebombardeerd om de doortocht van de troepen te beletten.

De dokters Manning en Stopford moesten dus alleen op weg naar de sinistere locatie van de ontploffing. Zuster Lucie en ikzelf pasten intussen op hun wagen. Na een half uur kwamen ze terug met enkel de kleine Hoornaert bij zich. De jongen was verschrikkelijk toegetakeld over zijn hele lichaam en we brachten hem direct naar het Heilig Hart.

Die avond zouden we onze ‘search party’ voortzetten. Drie tyfuslijders van de Sint-Pietersparochie overleden vandaag in het hospitaal: Romanie Maertens (13), Emma Meersman (15) en Gabrielle Sonneville (22). Toen de nood aan zorgen aangroeide, steeg ook de toewijding van de dokters en de ziekenzusters. Vandaag alleen al hadden we tweehonderdzesendertig inspuitingen gegeven tegen tyfus.

Een vluchteling, een zekere Cuypers werd ook al het slachtoffer van zijn onvoorzichtigheid toen hij een obus wilde openmaken. Hij had een handeltje opgezet om Duitse obussen te verkopen aan de Britten. ‘s Avonds moesten we ondanks de shrapnels op pad om twee lijken te gaan ophalen. Ik voorzag me van een lantaarn en zuster Lucie vergezelde me.

Vier soldaten hadden vrijwillig aangeboden om mee te gaan maar ze moesten onverwacht naar de loopgraven vertrekken. Met onze lantaarns en twee brancards volgden we de vier die dezelfde weg moesten nemen als wijzelf. Onderweg naar de Rijselpoort ontmoetten we nog meer soldaten die ons wilden helpen. De mensen die ons zagen voorbijkomen, dachten warempel dat wijzelf naar het slagveld gingen en smeekten dat we ons daar niet zouden gaan blootstellen.

Dicht bij de Rijselpoort vonden we zoals verwacht enkele soldaten die aan het uitrusten waren. Vier jonge Schotten stelden zich direct kandidaat om ons te helpen met onze brancards. Maar de schildwacht doofde onze lantaarn waardoor we ons verplicht zagen ons weg voor te zetten in een diepe duisternis, want er hing op dat moment een dichte mist.

Honderden soldaten marcheerden voor ons uit en toch heerste hier een perfecte stilte. Af en toe zorgden vanuit de loopgraven afgeschoten vuurpijlen voor wat licht onderweg. Toen we eenmaal gearriveerd waren bij ‘De Engel’ konden we met hulp van een lucifer de lijken van Crepeele en Deruddere zien liggen. We borgen hun lijken op in een zak die we gevonden hadden in het buurhuis.

Het lichaam van Emile Crepeele was letterlijk in stukken en één van zijn armen bleek onvindbaar. Het hoofd en de schouder van Thomas Deruddere waren blijven kleven aan de muur en hingen er zo stevig aan vast dat zuster Lucie en ikzelf onze vingernagels moesten gebruiken om die zo goed als we konden los te maken.

We bevonden ons op een half uur stappen van de zwarte zusters. Het was een zware opdracht om hun lijken te dragen in het traject naar de stad. Heel af en toe kregen we hulp van een vuurpijl om ons de weg te tonen, maar er was natuurlijk de moeilijke begaanbaarheid van de weg, het gewicht van onze lading en uiteraard ook de voortdurende ontmoetingen met meer dan twaalfhonderd soldaten die onderweg waren naar de loopgraven van Sint-Elooi en die dan nog regelmatig de opdracht kregen om even stil te blijven staan. Die mannen vertraagden onze terugtocht aanzienlijk.

Maar, uiteindelijk, na anderhalf uur zwoegen kwamen we eindelijk aan bij het klooster. Hier konden de kadavers nu in dekens gewikkeld worden.

Dit is een fragment uit Boek 1915 van De Grote Kroniek van Ieper

Article Categories:
1915
banner