De Mesenstraat – de huidige Rijselseweg – was in 1325 een dichtbevolkte straat. De stadsrekeningen van 1325 gaven een lijst op van de gezinshoofden die belasting moesten betalen voor de aanleg van de ‘uiterste vesten’. In de Mesenstraat stonden er 99 gezinshoofden vermeld. En daar waren de behoeftige gezinnen zeker niet inbegrepen en was het dus zeker dat er 120 woningen moesten gestaan hebben. In de Komenstraat – gelegen tussen de Komenpoort op het uiteinde van de Sint-Jacobstraat en de Steenen Haan – werden 103 schatplichtige huisgezinnen aangetroffen.
Volgens een stadsrekening van dit jaar woonde Gillis van Deinze ten zuiden van de Kortrijkstraat (aan de rechterkant dus), langs de Hangewaartgracht als men naar Rolleweghe ging en daar in de buurt was er ook sprake van een aangelegde baan voor het bolspel. Dat spel was dan al sinds 1310 verboden binnen de stadsmuren. De latere Cartonstraat stond in 1325 nog bekend als de markt voor de minderbroeders omdat het klooster van die broeders wat verderop gelegen was, op een locatie die naar verluidt toen de Houtmarkt was. In de oude bescheden werd deze markt af en toe beschreven als de Minderbroederstraat. Deze straat werd in 1320 verbreed en geplaveid.
Langs de Meersbrug – rechtover de Sint-Maartenskerk opgeworpen over het Schipleet – bereikte men de Korte Meersstraat die in westelijke richting tot over de westelijke arm van de Ieperlee liep. Daar was deze straat verbonden met de Lange Meersstraat die in zuidelijke richting uitliep in de Boterstraat. De namen van de Korte en de Lange Meersstraat afzonderlijk zouden vermoedelijk pas genoemd worden vanaf de jaren 1400.
In dit jaar 1325 stond het geheel in elk geval nog bekend als kortweg de ‘Meers’ en die naam kwam natuurlijk van in de tijd dat ze via die weg door de meersen liepen die zich in die primitieve jaren nog langs de oevers van de Ieperlee uitstrekten. Volgens de kronieken stond er aan de Meers een burcht, met name het ‘Drie Torrenkasteel’ dat aanzien wordt als de wieg van de stad. Graaf Boudewijn de Kale zou de burcht in 902 opgericht hebben langs de Ieperlee om ons gewest tegen de Noormannen te beschermen.
Ondanks de belangrijkheid ervan werd nochtans nooit een spoor ervan teruggevonden, terwijl burchten uit diezelfde tijd en zelfs nog 30 jaar vroeger door Boudewijn met de Ijzeren Arm gebouwd nog hun overblijfselen toonden in Brugge en Gent. Het leek plausibel om te stellen dat het Drie Torrenkasteel zich bij een wal of mote bevond die omstreeks 1300 nog altijd zichtbaar was voor de Sint-Maartenskerk, aan de hoek van de Korte Meers.
Het was zonder twijfel de zetel van het grafelijk leengoed, het ‘Heerschip in den Mersch’ of de ‘Heerlijkheid van Aartrijke’ welke tussen beide armen van de Ieperlee lag. Nu was er ook nog wel de aanwezigheid van een voornaam gebouw, het ‘Steen’ dat in 1352 zou toebehoren aan Niklaas Scoreboot en in analogie van het ‘Gravensteen’ in Gent en de ‘Steenakker’ te Wervik ongetwijfeld verwees naar die eerste burcht. Aan het ‘Steen’ zou veel later de grote school van Sint-Maartens gevestigd worden.
De hedendaagse Dehaernestraat – het verlengstuk van de Boomgaardstraat – werd in de 14e eeuw genoemd als de Motestraat of Walstraat omdat de achterkant van ‘s Gravenwal of de Burggravenwal langs de westzijde van die straat gelegen was. ‘s Gravenwal bevond zich op de plek waar zich later de koer van de middelbare school zou aantreffen. Filips van Lo – de tweede zoon van graaf Robrecht de Fries – en zijn zoon Willem van Lo zouden gewoond hebben op deze wal, want ze stonden beiden bekend als burggraven van Ieper.
Vermoedelijk moest deze wal met de grond van het eiland toebehoord hebben aan graaf Robrecht de Fries die het schonk aan zijn zoon Filips van Lo. En vermits hij het bewoonde, werd hij logischerwijze ook genoemd als de burggraaf. Na de conflicten van Willem van Lo met Willem van Normandië en Dirk van de Elzas in de opvolgingsstrijd van graaf Karel de Goede zou het erfgoed van zijn vader vermoedelijk weer in grafelijke handen gevallen zijn. In elk geval beschikte Boudewijn van Constantinopel over ‘s Gravenwal in 1202.
Rond die tijd stond de Steendampoort gebouwd ergens halverwege tussen de Elverdingepoort en de Boezingepoort. Deze poort verleende volgens Sanderus uitweg aan de Steenstraat die ongetwijfeld al in 1294 vermeld was als de Steendamstraat. Deze poort en die straat ontleenden heel waarschijnlijk hun naam aan diezelfde Steendam. Men trof in de gemeenten Alveringem en Gistel hofsteden aan met dezelfde naam omdat ze gelegen waren in de buurt van een stenen dam en stenen duiker.
Daaruit konden we afleiden dat die duiker ook hier aangetroffen werd en het in 1214 gebeurd moest zijn toen de nieuwe vesten werden aangelegd die de stadsgrachten verbonden aan de Steendampoort. Waar het aan de andere poorten gebeurde met een houten brug moest dit hier met een stenen exemplaar geweest zijn. De Steendamstraat liep ten noorden van de ‘Dreve’ in noordelijke richting tot aan de uiterste vesten. De verlenging van die straat buiten de vesten werd de Reningeweg genoemd.
Dit is een fragment uit Boek 1290-1380 van De Grote Kroniek van Ieper


