Het jaar 920. Uit Duitsland waren drie verscheidene rijke families met vrouwen en kinderen naar Ieper gekomen om hier te komen wonen. Ze deden enkele huizen bouwen aan de westzijde van de stad. Het was waar nu de parochie van Sint-Niklaas stond. De eerste familie was die van Absolon Vosselus Weenes met zijn wijf Arcadia Rosselle en vijf kinderen. Deze deden onder andere ook een hele straat aanleggen met van twee zijden huizen en deze werd naar zijn naam genoemd, zijnde de ‘Weninckstraat’ of Wenninckstraat naar zijn naam Weenes zoals die op de dag van vandaag nog altijd genoemd werd.
De tweede familie was een overgrote man, bijna een reus, met zijn gezellin en hun drie kinderen. Hij werd ‘De Groote’ genoemd om dieswille dat hij zo groot was. Deze man liet een groot huis bouwen in de Elverdingestraat omtrent de plaats waar de twee armen van de rivier het Iepergeleet in elkaar begonnen te lopen.
Daar deed hij menigvuldige balken en pyloten in heien omdat de grond slijk- en moerasachtig was. Bij het inheien van die pyloten waren de werklieden gewaargeworden dat ze daar heiden op een steen, om dieswille dat de pyloten die door geen geweld te zinken waren. En dus had men die steen blootgelegd. Die was blauw van kleur en zo geweldig groot en dik dat die door geen geweld van mensen of van paarden van geen duim te verplaatsen was. En daarom had men die steen maar laten liggen.
De derde familie was die van een geweldige man genaamd Abelloot met zijn gezellin Susanna Reygervlied en hun twee zonen. Deze Abelloot was in zijn jeugd naar Rome gevlucht om de heilige graven te gaan bezoeken. Hij kocht in de Boterstraat in de buurt van de Grote Markt aan de zuidkant een huis dat van leem en stro gebouwd was zoals men binnen Ieper in die tijd veel huizen vond. Daar deed hij een hoog houten huis timmeren. Bij het delven van de fondaties, in het midden van de voorgevel ontgroeven de werklieden een metalen vierkanten bak of kist van omtrent een voet in vierkant.
Deze bak ontgraven zijnde en opengebroken, vond men daar binnen een zilveren stuk op de wijze van een baksteen of gebakken steen, op dewelke een wapen stond in ’t welke was afgebeeld een grote kan met vier pieken daar nevens en onderaan stond in het Latijn ‘Canobilatus maximus drudes’, dat betekende ‘allergrootste Canobilatus druïde’. Posuit Primum Saxum had de eerste steen gelegd anno mundi 3946, het welke 978 jaar geleden was. Als dat huis opgetimmerd was, kreeg het de naam ‘Rome’ omdat deze Abelloot naar Rome was geweest.
Dit is een fragment uit Boek 0000-1289 van De Grote Kroniek van Ieper


