Dinsdag 3 oktober 1820. De burgemeester liet weten aan de gemeenteraad dat Alexander Reyphins bij zijn ontslag bleef dat hij had ingediend als raadslid bij de Raad van de Verenigde Staten der Nederlanden, een ontslag dat nog altijd geweigerd werd. De gemeenteraad was van mening dat de Raad voltallig moest blijven en dat Ieper een nieuwe gedeputeerde zou verkiezen tijdens de komende verkiezingen van november aanstaande. Ook het aanstaande bezoek van de koning der Nederlanden aan beide Vlaanderens van 6 oktober werd besproken in deze gemeenteraad. Hij zou arriveren in Gent en zich de 8e oktober op weg zetten naar Ieper.
De koning had daarbij meegedeeld dat hij geen enkele ceremonie wenste. De gemeenteraad stelde voor in de plaats daarvan een diner aan te bieden ten huize van de burgemeester waarbij enkel de mensen die hem zouden kunnen plezieren, zouden aanschuiven, en na een goedkeuring van de lijst door hemzelf. En als de inwoners van de stad beslisten om hun woningen te verlichten dat toch op zijn minst ook zou dienen te gebeuren met de openbare gebouwen. Er werd besloten een schrijven te richten aan zijne majesteit waarbij enkele agendapunten voor de komende vergadering naar voor geschoven werden.
Eerst en vooral was er de ontoereikende capaciteit van de kazerne in opbouw die maar 2.000 soldaten kon herbergen. Vooral vanuit het oogpunt dat de vorige kazernes in ruïnes vielen en ze in tijden van oorlog onmogelijk nog konden dienen om soldaten te huisvesten. Er was dan ook het verzoek aan de koning om een vleugel te mogen bouwen aan de kazerne, aan de kant van de Esplanade die afgebrand was tijdens het beleg van 1794. Deze uitbouw kon 400 à 500 man bevatten en de heropbouw zou maximaal 25.000 à 30.000 florijnen kosten. De stad was bereid om het terrein waar de oude funderingen zich bevonden af te staan aan de Staat.
En dan was er de kwestie van het herstel van de wegen die naar Ieper leidden en die afgelopen winter zwaar geleden hadden door de transporten die gebeurd waren voor de versterkingswerken van de stadsmuren. Buiten wat kleine herstellingen aan het wegdek aan het begin van het veldseizoen was er tot op heden geen penning betaald voor deze reparaties. De niet geklasseerde wegen waren sinds drie jaar compleet verwaarloosd, ondanks de barrièrerechten die de Staat er kon ontvangen. Het was toch wel opvallend dat de wegen in de andere provincies er veel beter bijlagen dan die van het arrondissement Ieper.
Een tweede gespreksonderwerp was de lacune van de weg van Ieper naar Veurne. Gevraagd werd aan de koning om een voorschot te voorzien zoals dat al vier jaar geleden beloofd was. Het traject van de weg was al voorzien over zijn hele lengte en nu kwam het er op aan om de steenslag en de stenen geleverd te kunnen krijgen om de resterende stroken te plaveien. Een volgend onderwerp was het uitbaggeren van het kanaal van Ieper naar Nieuwpoort en Veurne, te vertrekken vanaf de Sluis van Boezinge. Zowel de Ieperse nijverheid als de landbouw smeekten om deze uitbaggering. Iedereen drong er op aan om dit keer de werken beter uit te voeren ter hoogte van de bovenloop, zodat het niet nodig zou zijn om dat baggerwerk om de drie jaar te moeten herhalen. Daarop viel het uitdiepen van het bassin bij de Kaai te Ieper op kosten van de stad, maar dat werk kon alleen maar zijn nut hebben als de rest van de waterloop zich niet in dergelijke verwaarloosde staat zou bevinden.
En dan was er nog het eerbiedig verzoek van het stadbestuur om in Ieper een van de belangrijke rechtbanken van de Staat of eventueel een bisschoppelijke zetel te verkrijgen. Ieper, als hoofdstad van de provincie West-Vlaanderen was zijn administratief centrum kwijtgespeeld, net zoals zijn bisdom, zijn rijk kapittel en de komst van een belangrijke rechtbank zou dat gemis toch enigszins kunnen compenseren. Als laatste agendapunt was er ook het verzoek voor steun om Latijnse scholen te organiseren en een reorganisatie van de vrijwillige burgerwacht.
Dit is een fragment uit Boek 1785-1829 van De Grote Kroniek van Ieper


