banner
jun 10, 2025
201 Views
Reacties uitgeschakeld voor Gesteven bloed

Gesteven bloed

Written by
banner

Donderdag 22 april 1915. De eerste obussen begonnen al om 3u naar beneden te storten. Een voorbode op meer en zelfs veel meer. Rond 5u lanceerden de Duitsers een massale aanval. Met grote kanonnen en hun verstikkende brandbommen waarbij hele Ieperse straten uit het beeld verdwenen. Die avond rond 17u30 herbegon het bombardement in alle hevigheid het zou de volgende dagen niet meer ophouden. Het was onmogelijk om zich ook nog maar een idee van het aantal slachtoffers te kunnen vormen.

Alleen al tussen 17u30 en 18u30 explodeerden er wel zestig obussen of shrapnels in de stad, met alleen maar destructie en de dood tot gevolg. Daar zouden ze in het huis Vanderauwera niets meer van kunnen voortvertellen. De nacht was schrikwekkend. De huizenblok van het college vatte vuur, twee wachthuizen die aanleunden aan de vestingen leken in kruimels in te storten. Onder het puin belandden zeker achtentwintig personen met onder hen twee gendarmen. Het hospitaal van het Heilig Hart doorstond de nacht. De zusters van Sint-Jozef en van Maria-Voorzienigheid verlieten de stad met bij zich de pastoor van Sint-Jacobs, ondertussen evacueerde men de oudjes van de arme klaren.

Brandbommen zetten het college en het klooster van Sint-Jozef in lichterlaaie, het leek er wel op dat de hele blok zou opgaan in het vuur. Het Heilig Hart werd zwaar bedreigd door altijd maar weer die zware obussen die de buitenzijde van het gebouw transformeerden in één grote vijver van kraters. Meer dan evacueren en vluchten zat hier niet in. Men vervoerde gekwetsten naar De Panne en Poperinge. Twee dokters waren hier achtergebleven en probeerden sommige gewonden nog extra te verzorgen die men hen aanbracht in enkele schuilkelders. Maar ook zij zagen zich verplicht om weg te vluchten voor het hels geweld. De Friends Unit die altijd al bereid geweest was om zich op te offeren voor onze zieken en gekwetsten trok zich ook al een kilometer terug van het centrum.

Het leek erop dat ze ons deze keer wel degelijk in de steek lieten en ons aan ons triest lot overlieten. Maar mijnheer Young maakte ons duidelijk dat hij onmogelijk nog het leven van zijn chauffeurs, verplegers en dokters kon riskeren voor mensen die tegen alle adviezen in de stad niet wilden achterlaten. De Duitsers waren trouwens ook al opgerukt tot aan het kanaal van Boezinge en dreigden er nu mee om Ieper binnen te dringen. Gelukkig werden ze teruggeslagen. Ik mocht ook niet vergeten van te noteren dat in de loop van de dag de zusters van Sint-Jozef en van de Voorzienigheid, samen met de pastoor van Sint-Jacobs naar Poperinge werden overgebracht.

….

Het geschut was verminderd en ik keerde terug naar huis met de kinderen. Van aan het Ieper-hoekje kwamen we in het oord van de verschrikkingen. Overal lagen dode paarden, in de grachten aan stukken geslagen wagens. Aan de Wegwijzer lagen soldaten dood op de weg, aan de Watermolen weer soldaten, vreselijk verminkt met overal gestold bloed. Zo kwam ik aan mijn woonst. Het ijzeren poortje van de tuin was weg, grote bomen waren in twee gebroken en lagen op de trap van ons huis, deuren, vensters waren afgerukt. Ik trad er binnen en vond tot mijn grote vreugde mijn vrouw terug. Alles in huis was verwoest, overal vond ik grote stukken staal. In de slaapkamer was ook een granaat gevallen en had alles tot splinters geslagen.

We namen haastig wat kleren mee en gingen drie huizen verder binnen in het huis van mijn zuster die samen met ons gevlucht was. Haar man die gisterenavond nog eerst een pak wilde maken, kon door het geweldig bombardement niet meer buiten geraken. Hij had de nacht in huis moeten doorbrengen in zijn bed en tussen twee matrassen in. Daar was hij de hele afgelopen nacht gewiegd geweest door de hevige ontploffingen. De pannen waren van het dak getuimeld, deuren en vensters waren verdwenen en de achterkeuken was door een obus ingeslagen. Op de hoek van de Kaai stak een overgrote put in de grond en de helft van het huis van M. Van de Vyver was weg. We waren juist bezig met wat te eten toen het bombardement plots nog geweldiger dan te voren hernam.

Weer was het een gejaagde vlucht van mensen die teruggekomen waren om wat te redden en nu zwaar geladen het oord van verschrikking in allerijl achterlieten. Wat voor contrast toch met de Britse soldaten die doodkalm de telegraafkabels herstelden. De vluchtende massa leek wel vluchtend wild. Sommigen wierpen zich bij elk gehuil van een voorbijvliegend projectiel op de grond, anderen liepen gejaagd verder, vrouwen en kinderen weenden. Het was een angstig ineenkrimpen en zich voor een momentje snel achter een of andere boom verbergen, dan weer het geroep op de kinderen om hen tot grotere spoed aan te zetten. We passeerden een oud vrouwtje dat met grote moeite voortsukkelde. Angstig bad ze luidop om bescherming tot God, ondertussen riep ze allerhande namen uit. Misschien wel die van haar kinderen die wie wist, waar uithingen.

Ze smeekte de vluchtelingen om haar te helpen, een arm te mogen geven. Maar iedereen was gehaast, het was elk voor zich want iedere seconde vertraging kon men met de dood bekopen. We kwamen nu op een hofstede, juist buiten Ieper-hoekje. De Britse soldaten brachten ons direct koffie, melk, brood, boter, confituur, dozen vlees en snoep voor de kleinen. Welke edele medelijdende harten! Ze ontruimden een stal en richtten die in zodat we er vanavond zouden kunnen slapen. Ze brachten er ons rond 21u warme koffie en eveneens om 3u in de nacht. Het waren goede zielen voor ons, vluchtelingen! Dat konden we achter niet zeggen van de pachter. Die had geen medelijden met ons en wilde ons ‘s avonds nog uit zijn stal verjagen om er zijn koeien in te zetten en ze te beschermen tegen het beschut. Maar toen de Engelsen begrepen wat de pachter met ons wilde doen moest hij zich spoedig verwijderen.

….

Aan de Menenpoort lagen drie dode paarden, halsoverkop en enkele meter verder lag een Indiër met een tulband om zijn hoofd. Zijn ene voet stak nog in de voetbeugel, hij lag met zijn gezicht naar de grond en zijn been bevond zich onder het dode paard. Naast hem zag ik een Ghurka. De twee benen waren van zijn romp geslagen, hij hield nog zijn rijzweep in de hand. Daarbij lag een omgetuimelde wagen waaronder een hoofd uitstak, een afzichtelijk hoofd en daarnaast een tulband die vuilrood was van het gesteven bloed.

In een herberg was een hulppost ingericht. Er heerste een ongelooflijk geharrewar. Gekwetsten zaten of lagen op de rand van het voetpad: Fransen, Hindoes, Britten en Turco’s. Altijd maar kwamen motorvoertuigen toe, ze werden gevuld en reden weg met hun bloederige last. Er werd gerend, geschreeuwd. Voortdurend floten de shrapnels om ons heen en enkele meter verder spatten ze op uit de grond. Altijd maar opnieuw kwamen nieuwe gekwetsten toe uit de rode verte waar de Kalfvaart in laaiende vlam leek te staan. Verder weg lagen negen paarden bij elkaar, dood, overhoop. Een bom moest er te middenin geslagen zijn.

Overal in het rond stonden trappelende paarden, voorgespannen aan munitiewagens. Aanvoer- en ziekenwagens kruisten elkaar voortdurend in deze wemelende verwarring. Bij onze terugkeer op de Grote Markt lag het weidse marktplein doorploegd met putten, ingeslagen door de obussen. Voorbijtrekkende wagens moesten er haaks, schots en scheef hun weg tussendoor zoeken. Tijdens de dag lukte dat nog redelijk, maar ‘s nachts vielen er ongevallen voor. Recht voor ‘De Drie Koningen’ lagen vier paarden dood. Te midden van de markt zag ik een munitiewagen met een wiel af. Naast een paard met gebroken benen.

Een Brits soldaat lag met het gezicht op de grond, aan zijn hoofd een brede met bloed bedekte wonde. De paarden moesten in een put beland zijn en de man op de grond geslingerd. Een van de paarden had het overleefd en het ander diende afgemaakt met gebroken benen. Aan de hoek van de Diksmuidestraat lag een vrouw die getroffen was door een shrapnelbal. Voor de Dhondtstraat lag ook al een paard, geharnast met het zadel op.

Bij de puinhopen van de Vijfhoek stond een motorvoertuig. De wagen moest tegen een lantaarnpaal gereden zijn, want hij was vooraan ingedeukt en aan weerskanten ervan hingen de portieren open. De chauffeur lag enkele meter verder op de grond met een wonde in zijn zijde. In de Hallestraat lag een dode motocyclist. De man lag met gebarsten schedel tegen het voetpad, met zijn gezicht in de greppel. Zijn brieventas was van zijn schouder weggehaald en zijn brieven gestolen, want die tas lag open en leeg naast hem. Zijn zakken waren uitgekeerd en geleegd, zijn landkaart ontnomen. Zijn moto had een stuk verder gelopen, en was daar met verwrongen wielen tegen de bazaar blijven steken.

Dit is een fragment uit Boek 1915 van De Grote Kroniek van Ieper

Article Categories:
1915
banner