Zaterdag 17 september 1892. De zitting van het stadsbestuur werd opnieuw voorgezeten door schepen Colaert terwijl de Raad schepen Berghman aanstelde om de functie van secretaris van de vergadering op zich te nemen. Raadslid Brunfaut vroeg en kreeg het woord met zijn vraag hoe het nu eigenlijk stond met de uitbreiding van het station. Hij beklaagde zich over de slechte wil van de spoorwegmaatschappij van West-Vlaanderen. Er was al zo lang geleden een plan voorgesteld maar ze lieten die voorstellen gewoonweg sudderen.
Raadslid Brunfaut stelde voor een algemene petitie te organiseren ter promotie van de uitbreidingswerken die zo nodig en zo geëist werden. De voorzitter beweerde dat de vertraging enkel te wijten was aan de spoorwegmaatschappij die er niet op reageerde. De Belgische Staat was van goede wil en de slechte wil kwam helemaal van de kant van de maatschappij. Maar hij vond de idee van een petitie niet slecht en bovendien kon de stad daar ook gebruik van maken om te beletten dat de spoorwegmaatschappij nog langer ons drinkwater zou gebruiken voor zijn locomotieven.
De voorzitter las een brief voor van advocaat Bossaert die liet weten dat de inhuldiging van het monument van Alphonse Vandenpeereboom vastgepind werd op zondagmiddag 25 september en dat de leden van het gemeentebestuur er allemaal bij uitgenodigd werden. De Raad besliste om zich er in groep naartoe te begeven. Daarna kwam het onderwerp op de sanitaire toestand in de stad. Met de netheid en de zuiverheid verliep het voorbeeldig, volgens de voorzitter die aangaf dat het schepencollege er aan gedacht had om maatregelen te nemen om een mogelijk oprukken van een cholera-epidemie te voorkomen.
Er was een brochure uitgedeeld aan alle gezinnen in de stad met nauwkeurige instructies van de overheid en met de mogelijke manieren om huizen te ontsmetten. Het schepencollege had zich ook in contact gesteld met de liefdadigheidsorganisaties om maatregelen te nemen bij het aankomen van een nieuwe epidemie.
Het weldadigheidsbureau zou de maatregelen opdrijven, meer dokters inzetten voor de armen, extra toezicht houden op het vernieuwen van kleren en vooral controle uitoefenen op de reinheid van het beddengoed en de slaapmatrassen bij de arme lieden waar de ziekte mogelijk kon uitbreken. Er had een vergadering plaatsgevonden met de leden van de gezondheidscommissie met voorzitter Colaert, en de raadsleden Struye en de Stuers. Deze uitwisseling van ideeën betrof de eventuele plaats van een op te richten lazaret voor de besmette patiënten.
Colaert vermoedde dat men niet langer dacht om hen een plaats te geven in de oude fabriek aan het Hoornwerk of in de voormalige Berg van Barmhartigheid in de Lombaardstraat. Hopelijk zou de ziekte ver weg blijven van Ieper en als dat niet het geval was, diende men een lazaret op te richten in een mobiel hospitaal op een afgelegen plaats, normaal gezien kon dat op korte tijd opgetrokken worden.
Als andere maatregelen om besmettingen te voorkomen, werden zo speciale orders uitgevaardigd bij de aankomst van schepen aan de Kaai. En er waren een heel deel zuiveringswerken uitgevoerd:
1. De opkuis van het beluik genaamd ‘Hutsepot’ in de Lange Torhoutstraat.
2. De aanleg van een riolering in de Paradijsstraat en een rechtstreekse aanleg van alle huizen op dit riool.
3. Een project van riolering in de Neerstraat.
4. Na de aanleg van de riolering, het dempen van de greppels langs de Kalfvaart.
5. Een afdamming ter hoogte van de Watermolen met de bedoeling om met een sneller verval de hygiënische kwaliteit van het water in het bed der Ieperlee op te drijven.
6. Aanpassing van de publieke urinoirs teneinde stilstaande urineplassen te voorkomen.
7. De aanleg van een riolering in het Drielingensteegje (Torhoutstraat).
8. Desinfectie van de urinoirs en rioolputten.
9. In 24 huizen en werkmanswoonsten had het schepencollege opdracht gegeven zuiveringswerken uit te voeren, zoals het wit kalken van de muren, het uitkuisen en openmaken van de goten, de toestand van de toiletten en de betegeling van de binnenkoeren.
10. Calciumchloride, carbolzuur, ijzersulfaat en creoline werden in overvloed ter beschikking gesteld.
Gesproken over hygiënische maatregelen, had raadslid Breyne klachten ontvangen van de inwoners langs de Veemarkt die zich erover beklaagden dat de varkens op de marktdagen tot voor hun huizen lagen.
Dit is een fragment uit Boek 1877-1913 van De Grote Kroniek van Ieper


