banner
mrt 8, 2026
102 Views
Reacties uitgeschakeld voor Door de woestijn

Door de woestijn

Written by
banner

Maandag 11 januari 1919. Mijn zus, mijn jongste broer en ikzelf (Achiel Van Walleghem) lieten Pittem achter ons om op bezoek te komen in mijn verwoeste parochie Dikkebus. Te Kortemark stapten we op de lijn van Ieper.

Rond Hooglede waren hier en daar al gronden die bewerkt waren maar in Staden was dat niet langer het geval. We zagen van langs om meer verwoesting. We kwamen voorbij Stadenberg. Langs beide zijden van de ijzerweg lag het vol abri’s. Van nu voort was de grond zodanig doorwoeld door de bombardementen dat men noch hagen, noch beken of grachten kon ontwaren. We bevonden ons nu in het station van Westrozebeke.

Maar welke streek troffen we hier aan! Wel vier keer meer obussen dan op de slechtste plekken van Diksmuide. En zo ver onze ogen konden kijken, zagen we overal en langs alle kanten hetzelfde eentonig akelig gezicht. Putten, putten vol water, hopen en bermen aarde, onregelmatig door elkaar, nog erger dan de duinen aan de zee. We zagen nergens nog gebouwen, zelfs niet langer puin.

Slechts hier en daar een afgeschoten boom als een stomme toeschouwer van die levenloze streek. Enkel aan de noordkant wat verhakkelde staken. Alles wat er restte van het vermaarde bos van Houthulst. Maar overal in het rond gebroken of achtergelaten oorlogstuig, geweren, kanonnen, wagens en rond het station van Westrozebeke zelfs veel tanks.

Verder tenten, trapwegels. Nergens waren nog loopgraven te zien, ze waren allemaal kapotgeschoten. We naderden Langemark. Noord van de spoorweg toonde mijn broer Remi ons de plaats waar ze gezeten hadden tijdens de Duitse aanval van 17 april 1918. Ze zaten op een hoogte en zagen de Duitsers in de laagte in dikke drommen op hen afkomen. De Belgische kanonnen, mitrailleurs en geweren vuurden verschrikkelijk. De mannen bleven op hun post en de vijand werd teruggeslagen.

De trein bleef stilstaan in Langemark. Was dit het station van Langemark? Maar wie zou dat kunnen geloven? Als dit de statie was dan moest de dorpsplaats zich wat verderop bevinden. Maar daar was niet het minste spoor van. De grond was hier vermoedelijk zeven of acht keer doorwoeld. Men zou vlugger geloofd hebben dat het hier in vroegere dagen land of weide was dan dat er zich hier vier jaar geleden nog een groot schoon dorp bevond.

De dorpsplaats van Boezinge was al even onvindbaar. Mijn broer wees naar een grote abri op zowat 150 meter van de spoorweg. Volgens hem waren dit de overblijfselen van de kerktoren en was dat alles wat nog restte van Boezinge. Hier stapten we af. Het was 10u45. We hadden wat gegeten op de trein want we dienden nu een verre reis af te leggen. Door deze woestijn te voet op weg naar Ieper. We stapten langs een eenzame baan met geen enkele woning. We bemerkten de opeenvolgende schuilplaatsen aan de linkeroever van de Ieperlee.

De enige soldaten die we op onze weg ontmoetten, waren mannen die aan de kerkhoven werkten. Ieper zag er verschrikkelijk uit maar toch minder slecht dan ik verwacht had. ‘t Is te zeggen dat er nog meer puinen overgebleven waren dan ik gedacht had. Ik bemerkte rond de statie nog een paar huizen die nog zouden kunnen hersteld worden. Toch was het bijzonder pijnlijk om aan te zien hoe al die schone monumenten nu vergruisd waren.

De hallentoren stond er nog tot op een hoogte van 25 meter. Er waren nog enige stukken van de Sint-Maartenskerk recht gebleven. Van de Sint-Pieterskerk was nog het meest van over. Men zei dat er te Ieper al twee huisgezinnen woonden langs de kant van het zothuis. Ik ontmoette er geen andere burgers dan twee velomannen, geladen met velobanden die ze uit Frankrijk geblauwd hadden. Ze leken niet erg op hun gemak en vroegen me de weg naar Kortrijk.

Van Ieper naar Dikkebus stapten we samen met Julia en Flavie Opsomer die ook afgekomen waren om de streek te bekijken. Het was overal dezelfde wildernis. Op de plaats zag ik amper drie à vier huizen die konden hersteld worden. De Chinezen waren bezig met de ramen uit te breken van het huis van Alouis Borry, om ze te verbranden. Ze hadden een groot kamp op de weide van Remi Onraet.

Het scheen dat ze dan geen ander werk deden dan alles te gaan afbreken wat er dan nog recht stond om het dan in barbaars plezier in brand te steken. Van de kerk staken enkel nog twee of drie ‘tuiten’ uit. De rest lag plat. Het kerkhof was de meest gebombardeerde plaats van de gemeente.

Ik zag ten hoogste maar twee of drie kruisen meer, en dan nog langs de noordkant. Ik vernam dat er dan drie huisgezinnen op Dikkebus terug waren. Jules Ooghe en Henri Saelen waren teruggekeerd in oktober en Jules Maerten in december. Van Dikkebus gingen we naar De Klijtte. We zagen er hetzelfde droevig tafereel. In de stal van de Tivoli vonden we burgers thuis, het waren de eerste.

We verwarmden er onze koffie en aten onze boterhammen op. Van daar ging we via het Hoeksken naar Westouter. Aan de Scherpenberg zag ik in de gracht twee dode paarden liggen met het harnas aan. Westouter was erg toegetakeld maar hoe dan ook in betere staat dan Dikkebus en De Klijtte. De kerk was langs alle kanten doorschoten maar naar mijn oordeel was ze wel herstelbaar. Op Westouter leefden dan 400 à 500 inwoners, meestal op de Brabant.

Dit is een fragment uit Boek 1918-1924 van De Grote Kroniek van Ieper

Article Categories:
1918-1924
banner