Door heel Vlaanderen was in 1490 een schromelijke pest opgerezen, van dewelke binnen de stad Ieper bij duizenden mensen gestorven waren. Een ziekte die wel 18 maanden had aangesleept zodat niet alleen hele gezinnen uitstierven maar ook complete straten van inwoners ontbloot werden. Het was zo erg dat het gras groeide op de straten en men er de koeien kon op laten grazen. Toen deze schromelijke pest op zijn einde begon te lopen, begon men de straten te zuiveren en de uitgestorven en dichtgesloten huizen te onderzoeken. Men vond in verscheidene woonsten menigvuldige dode lichamen die een schromelijke stank afgaven, want sommige waren half verrot en van anderen liepen de wormen er uit.
In een huis in de Sterrestraat trof men een dode man aan met zijn vrouw die nog een klein kind tegen haar borst hield, ze waren samen van de pest gestorven. En er sloop daar in de keuken een overgrote slang rond waarvan men dacht dat ze voortgekomen was door de corruptie van die dode lichamen, zodat iedereen verschrikt wegliep en men genoodzaakt was om de slang met musketten dood te schieten en met sabels in stukken te hakken. Ze was wel 13 voeten lang en had de dikte van een bil. In een huis in de Klierstraat vond men een juffrouw doodliggen in wiens buik een nest jonge ratten huisde met twee grote ratten daarbij die de buik tot op het been hadden doorgeknaagd.
In een ander huis in de Antwerpstraat werd het dood lichaam van een devote oude weduwe aangetroffen, knielend voor een crucifix met een paternoster in de hand, wiens lichaam geen stank afgaf. En nochtans oordeelde men dat ze als tussen de 6 weken en 2 maanden geleden aan de pest moest gestorven zijn.
Gedurende deze tijd had niemand haar nog uit haar woning zien gaan want haar man, haar dochter en twee zoontjes waren zeven maanden tevoren van de pest gestorven. Haar vrienden lieten haar lichaam eerlijk begraven op het kerkhof van Sint-Pieters waar haar voorzaten begraven lagen, omdat ze op Sint-Pieters geboren was. Ze deden boven haar graf, tegen de muur van de huizen aan de noordkant van het kerkhof, niet zo ver van de stechels bij de Zuidstraat, een sepulture stellen met het volgende opschrift dat in een koperen plaat was gesneden: ‘BEGRAAFPLAATS van de godvruchtige Pieternelle Debaenst, weduwe, dewelke overleed van de contagieuse ziekte, in de ouderdom van 66 jaren, anno 1490. Bid voor haar ziel!’
In een ander huis, op de Houtmarkt werden de dode lichamen van twee kinderen gevonden, in een bed en het lichaam van een zekere edelman van Engeland, in de kleding van een jonge Engelse dame, in wiens beurs men een kerkboek en twee brieven had gevonden. Men kon eruit opmaken dat hij na een onvoorzien ongeluk bedreven te hebben in Engeland naar hier gevlucht was. Rond diezelfde tijd van de vondst van zijn lijk was er een koopman die hem herkende. Hij beweerde dat hij de zoon van een Engelse edelman was geweest die per ongeluk zijn eigen moeder met een stalen boog had doodgeschoten toen hij mikte op een hert.
En dat hij daarom weggelopen was. Zijn dood lichaam werd op het kerkhof van Sint-Maartens begraven. Maar toen men zijn vrouwenkleren meende te verbranden omdat hij van de pest gestorven was, vond men in de onderrok twee gouden kettingen ingenaaid, met een diamanten ring en oorringen, allemaal juwelen van een uitnemend grote waarde.
In een ander huis in de Zuidstraat, omstreeks de Vullestraat werd het dood lichaam van een weduwe gevonden. Ze lag in haar bed met afgesneden hals. Waarschijnlijk het werk van reeuwers of pestbezorgers. Want men vond in hetzelfde huis geen geld, zilver of goud. Alles was er gestolen. In de achterkeuken vond men haar dienstmeid met armen en benen samen gebonden en aan de balken opgehangen. In een woning in de De Montstraat waar een man en vrouw van de pest gestorven waren, werd hun dochter aangetroffen, in de tuin.
Ze lag verdronken in een waterput, met haar borsten afgesneden, vermoedelijk opnieuw een moord die door reeuwers gepleegd was. Ze hadden deze personen bezorgd en na de dood van de vader en moeder hadden ze al de rest die nog in leven was, beroofd en gedood om alles nog beter te kunnen stelen. Hoewel het aan iedereen bekend was dat de afgestorvene drie jaar geleden nog 14.000 gulden had verdeeld.
In een ander huis in de Lange Meersstraat werden de vader en moeder gevonden die beiden gestorven waren van de pest terwijl hun kind van twee jaar oud van de honger was overleden want men zag aan het kind geen uiterlijke tekenen van de pest. Maar het vlees van zijn linkerhandje was afgeknaagd zodat het van de honger zijn eigen hand had afgeknaagd. En dat terwijl zijn vader en moeder dood van de pest in hetzelfde huis lagen. Op de zolder van deze woning werd het dode lichaam van een oude man gevonden die 103 jaar oud was geworden en nu ook bezweken was aan de pest.
Hij lag met zijn halfnaakt lichaam uit het zolderraam. Men had tijdens deze doorzoekingen van de verlaten huizen nog meer dan 260 dode lichamen aangetroffen die allemaal van de pest waren gestorven. Want door de menigte die dagelijks van de pest stierf, was er op het einde niemand meer die nog de dode lichamen kwam halen om ze weg te voeren.
Men had eveneens al de verlaten en uitgestorven huizen gezuiverd, de gevonden meubelen getekend om daarna aan de vrienden te overhandigen. Alle dode lichamen werden buiten de Boezingepoort langs de vaart van Ieper begraven. Daarna werd de stad rond gepubliceerd dat diegenen die konden bewijzen dat hun vrienden gestorven waren, dat men hen hun geld en goed zou overhandigen. Tezelfdertijd gebeurde het ook dat, waar er hele huisgezinnen uitgestorven waren, enig slecht volk zich daarin wentelde om alles als buit te nemen.
Ander boos volk dat op de hoogte was dat hun buurman met vrouw en kinderen van de pest gestorven was, ging nu ‘s nachts alles gaan stelen wat het lustte. Ander slecht volk, wetende dat het vreemdelingen waren die hier zelf geen vrienden hadden, gingen doodleuk in leegstaande huizen wonen en schreven het op hun eigen naam. Anderen, in het bijzonder diegenen die van de pest genezen waren en die tegen een goed loon enkele mensen die met de pest lagen, verzorgden en die mensen nu allemaal dood waren, bleven al hun eigendommen houden of droegen het schoonste en beste naar hun eigen huizen.
In deze tijd was er een boer, met name Lauwen Janssens die een groot pachthof huurde op de parochie van Bikschote en nu aan de eigenaar al drie jaar pacht schuldig was. Toen de eigenaar met vrouw en kinderen overleden was aan de pest had Janssens het pachthof voor zichzelf gehouden. Daar was een herbergier die woonde op de Veemarkt. De eigenaar van zijn café was dood en nu hield de herbergier het huis voor zich en na zijn dood bleef zijn eigen zoon het verder bezitten. Het zou nog 53 jaar duren vooraleer de nakomelingen van de overleden eigenaar daar achter zouden komen. Ze zouden dan ook het huis met het erf doen teruggeven.
In heel de stad Ieper waren er door de pest geen twintig kinderen overgebleven. Dat was de reden waarom een zekere heer maar één kind meer had, een zoontje van drie jaar terwijl al de anderen van de pest waren gestorven. Hij nodigde al de andere kinderen van de stad twee keer per week uit om met zijn kind te komen spelen en gaf aan iedereen een hartelijk en fraai noenmaal van eten en drinken en ‘s avonds bij het afscheid gaf hij hen elk een taart. Een andere heer deed van gelijke, twee maal per week. Hij nodigde al de kinderen van de stad uit om met zijn kind te komen spelen en deze heer gaf aan elk kind een pond gesuikerde amandels.
Hoewel tijdens deze periode van schromelijke pest alle middelen gebruikte om de voortgang van de ziekte te beletten, bleef die toch opmerkelijk lang aanslepen. Onder al de middelen die men te dien tijde gebruikte, waren onder andere het volgende. Van zodra men gewaar werd dat er hier of daar pest was, nagelde men een witte baar voor de deur om teken te geven dat niemand daar mocht binnengaan. Als iemand recent van de pest genezen was, moest hij langs de straten gaan met een witte baget in de hand omdat niemand in de buurt van zijn adem zou passeren.
Maar allen die hem tegemoet kwamen, gingen terzijde weg. Het was een algemeen gebruik rondom de stad, in alle kramen en winkels waar men iets verkocht dat men het geld waarmee men betaalde in een pot vol water moest smijten om door de handeling met de pest niet besmet te worden. En dat water werd alle dagen vernieuwd. Men zag dagelijks een kar rondrijden met een bel eraan die gedurig klonk om teken te geven aan diegenen die lijken in huis hadden, van welke gesteldheid ze ook mochten wezen, dat ze hen op deze kar konden smijten. Deze was met een zeil met lijnwaad bedekt, waarin al de dode lichamen buiten de stad werden gevoerd om begraven te worden in grote putten langs de vaart.
Wanneer een priester met onze heer naar zieken moest gaan die de pest hadden, maakte men een groot gat in de muur om beter tot bij het bed van de zieken te geraken. En de priester reikte de heilige hostie tot aan het bed van de zieke, die hostie lag op een lange ronde plank, waarvan de zieke de heilige hostie met zijn mond afnam.
Men zag in die ellendige tijd van de pest dat al de straten leeg waren van volk. Niemand ging uit zijn huis tenzij als het echt noodzakelijk was. Er werden nooit marktdagen gehouden, de levensmiddelen werden met gesloten deuren verkocht en vooral tijdens de nacht. In de zomer moest iedereen de straat met enkele ketels water besproeien om wat koelte te brengen. Wat betrof de arme en gebrekkige mensen die met de pest besmet waren en zichzelf en hun familie niet konden onderhouden, werden ze in overdekte wagens tot buiten de stad gevoerd.
Dat gebeurde tijdens het vallen van de avond, ze werden naar houten pesthuizen overgebracht die buiten de Diksmuidepoort stonden, op een plaats genaamd de ‘Barm’ waar ze onderhouden en bezorgd werden, vooral door mensen die al van de pest genezen waren. Deze werden reeuwers genoemd. In deze ellendige tijd van de pest stond de stad stil. Niemand werkte, de wetenschappen stonden stil, de geesten lagen stil en de mensen waren moedeloos. Iedereen vreesde de dood want men zag dagelijks zoveel mensen sterven.
Dit is een fragment uit Boek 1381-1528 van De Grote Kroniek van Ieper


