banner
mei 18, 2026
19 Views
Reacties uitgeschakeld voor Bombardement op de lakenhalle

Bombardement op de lakenhalle

Written by
banner

Zondag 22 november 1914. O machtige, grootse lakenhalle, pronkjuweel van Vlaanderen, België’s grootste gotische kunstgewrocht, het was juist op de dag dat de Ceciliavrienden daar jaarlijks vergaderden om er feest te vieren, dat dit jaar er de doodsklok luidde. De Duitser keizer Wilhelm was op bezoek bij zijn barbaarse soldaten om dit akelig schouwspel vanuit de verte te bewonderen. Was het misschien voor zijn persoonlijke eer dat men Ieper in vuur en vlam liet vergaan? Net zoals keizer Nero Rome in brand stak, louter uit plezier van het te zien branden. Vandaag verdiende Ieper zeker de titel van martelarenstad.

…. Met de avond kwamen er nieuwe vluchtelingen voorbij. ‘Ieper brandt’, zeiden ze en ze wezen in die richting. We gingen midden op de weg staan en zagen in de verte een rode gloed. Dankzij Henri Wullus, een onderwijzer die bij zijn vader gevlucht was in Roesbrugge langs de baan naar Krombeke konden we eindelijk ons kerststalletje verlaten en naar ginder verhuizen.

We bedankten de brave mensen die ons hadden opgenomen, betaalden voor kost en inwoning en namen onze intrek bij Mandus Wullus. We kregen er twee zolderkamertjes en mochten overdag gebruikmaken van de gemeenschappelijke keuken waar vijf vrouwen, drie mannen en acht kinderen moesten leven. Mijn broer en ik hoorden daar niet bij. Wij, grotere kinderen moesten meestal op straat of in de schuur spelen. Het werd winter met regen en sneeuw. In de schuur verkleumden we van de kou. We mochten soms naar binnen komen om onze handen te warmen maar dan moesten we weer naar buiten of in de schuur. Maar we kregen die hele winter geen enkele verkoudheid.

…. We beleefden de laatste zondag van het kerkelijk jaar. Het Evangelie had het over de verwoesting van het oude Jeruzalem en het einde van de wereld. Hoe konden de evangelisten ooit voorspellen wat er in Ieper te gebeuren stond? De obussen maakten hun inslag met een ongelooflijke precisie. Vanaf het midden van de straat was ik machteloos getuige van dat zinloos vandalisme. Net op deze zondag begon het bombardement op de lakenhalle, ons grandioos monument, uniek in Europa, zo nauw verweven met onze stadsgeschiedenis. De inslagen begonnen om 9u. Het ene bomgat na het andere liet zich opmerken in de toren. Plots stuikte de stadshorloge naar beneden en stortte de beiaard in.

Rond 11u30 vatte de toren van het belfort vuur. Het zou heus niet lang duren voor die veranderd was in een gigantische vuurzee. Die namiddag nadat ik al mijn diensten had afgewerkt, hoorde ik vertellen dat de kathedraal eveneens vuur had gevat. De nieuwsberichten in dat verband spraken elkaar wel tegen en dus ging ik zelf kijken. De duisternis was al ingevallen toen ik het dak van de kathedraal zag branden. Brandende stukken puin stortten neer door de gapende openingen van de voute. Ik slaagde er in om met de hulp van een gendarme, een verpleger en een Britse soldaat enkele kunstige voorwerpen van het altaar te redden, enkele onbetaalbare kantwerken en diverse kostbare voorwerpen.

Het vuur bleef de hele nacht woeden. Bij het aanbreken van de ochtend bleef de brand maar zijn verwoestend werk doen aan de lakenhalle, het stadhuis, de kathedraal met het voornaamste deel van het Sint-Maartensklooster, dat van Jansenius, het stedelijk theater met Parnassus, de vleeshalle met het stedelijk museum en heel wat prachtige woningen. We kwamen helpende handen en water tekort om de branden te blussen, onze pogingen waren trouwens volledig nutteloos gezien het gevaar van de obussen die constant bleven neervallen en zelfs de dapperste van onze mannen op afstand hielden.

Zowat om de acht à tien minuten herhaalden de explosies zich. Twee hospitaalzusters van het Onze-Lieve-Vrouwhospitaal waren van Poperinge gekomen om hulp te bieden aan de zusters van het Sint-Jansziekenhuis die overbelast waren en dan nog de zorg hadden over hun verlamde medezuster Augustine en ze hier al de hele tijd gewerkt hadden sinds het uitbreken van de oorlog. Twee andere zusters waren eveneens teruggekeerd om zich in het Heilig Hartinstituut te bekommeren over enkele lichtgekwetsten.

…. De stedelijke archieven gingen verloren bij de vernietiging van het belfort. Archivaris Isidore Diegerick had tussen 1850 en 1884 heel wat werk verricht rond de inventarisatie van de historische documenten van Ieper. Maar dat werk was nog verre van afgelopen toen de Duitse obussen de archieven vernietigden. Men had helaas niet de elementaire voorzorgen genomen om hen op een veilige plek te beschermen. Onze historische documenten keerden terug naar de eerste eeuwen van onze stadsgeschiedenis. Diegerick had gelukkig al heel wat laten verschijnen. Het eerste van vijf boekdelen van zijn hand verscheen in 1853 en was aangevangen met de analyse van de documenten die teruggingen tot in 1101.

Deel vijf was verschenen in 1860 en toen was hij al aanbeland in het jaar 1545. Naast dat gepubliceerd werk bevonden zich kasten en stapels vol historische documenten in een zaal op het belfort, boeken over de wevers, de lakenhandelaars, de gilden, contracten van de lombarden, akten van de magistraten, stadsrekeningen, enzovoort. Allemaal documenten die amper bestudeerd waren en van wie hun verlies onherstelbaar was vanuit het oogpunt van de Ieperse geschiedenis. Deze vijf boeken van Diegerick maakten dus slechts een miniem gedeelte uit van deze ongelooflijke schat, maar was alles wat nog restte. Gelukkig was er ook het werk van Jan Jacques Lambin.

Dit zijn fragmenten uit Boek 1914 van ‘De Grote Kroniek van Ieper’

Article Categories:
1914
banner