Donderdag 22 april 1915. Om 00u30 stond de kapitein voor mijn bed, ‘Gustave (Delahaye), kom mee, dadelijk…’. Half gekleed volgde ik hem. Vooraan in een kleine zaal zaten enkele Britse officieren. Ik moest gaan zitten. Niemand sprak, ik zag de ernst op hun gezichten.
Na lang zwijgen verbrak de generaal de stilte. Het laatste nieuws van het hoofdkwartier in Sint-Omer was niet goed. De Canadezen waren toegekomen in de frontlinie en ondanks het feit dat ze gevochten als de leeuwen moesten ze achteruitwijken voor de grote overmacht. Het laatste nieuws uit Sint-Omer gaf aan dat ons hospitaal om 6u gebombardeerd zou worden. Alles moest hier weggehaald en vervoerd worden.
Om 4u zou er voor mij, mijn vrouw en mijn vier kinderen een auto klaarstaan. Ik moest dadelijk mijn schikkingen treffen. Al het personeel moest te voet vertrekken. De generaal stak me de hand toe en ik dankte hem. Met kapitein Young keerde ik terug naar mijn eigen kring. Moeder Stanislas moest ik niet wekken, ze zat te bidden in haar bed in de kelder, met de paternoster tussen de vingers. Vrouw, kinderen en personeel werden gewekt in die vreselijke nacht.
Om 3u vertrok het personeel met pak en zak. Om 4u was iedereen gereed. Kapitein Young kwam ons vaarwel zeggen en toen ik vroeg wat hij van plan was, zei hij dat hij hier zou blijven. Ons antwoord was duidelijk; ‘we blijven ook!’ De auto vertrok. Moeder-overste Stanislas, de boerin en onze vijf kinderen vertrokken naar haar woning in Poperinge. Elisabeth wilde bij mij blijven. Zo bleven we hier nu in Ieper met ons klein Jeannetje.
Samen met onze vriend Achiel Louwyck, priester Callens en zijn meid, kapitein Young, twee dokters, drie helpers, twee chauffeurs en twee zusters; Aloysia en Juliana. Om 6u – met het uurwerk in de hand – viel de eerste obus op het gesticht. Die dag beschrijven was haast onmogelijk. Al die ontploffingen op ons gesticht. De kelders schudden en beefden ervan. De Friends ambulancedienst was een weinig opgeschoven tot aan de hoek van de Augustijnenstraat bij Pé Kavajes. De herberg diende als operatiezaal en de tuin ernaast als wachtzaal voor de gewonden. Na een eerste verband werden ze dadelijk weggevoerd.
Op de middag viel een obus bij de brug van de Sterre en een in de weide tegen ons klein kerkhof en die veroorzaakte een krater waar men gerust een huis zou kunnen in begraven. Een ander projectiel denderde neer op de Sterrereke en veegde vijf huisjes weg. In de omgeving was niemand te zien. Tenzij nu en dan een soldaat of paarden die uitgestrekt op de wegen lagen. De Britse kanonnen schoten zonder ophouden. De stad hing vol rook. We dachten aan de twee priesters die er nog achtergebleven waren om hulp te bieden; priester Delaere en deken De Brouwer. Delaere kwam hier ‘tenden adem’ toegelopen en smeekte ons om de oude vrouwen van de arme klaren weg te voeren.
Er was een obus gevallen naast hun klooster. Het huis van Henri Casier lag in puin. Zijn vrouw Romanie was gisteren begraven en vandaag werd Henri die zelf ziek was nu doodgeslagen. Er vertrokken dadelijk twee auto’s om die schamele vrouwen te gaan weghalen. Griffier Willaert van het tribunaal liep een grote wonde op door een shrapnel. De burgers werden gevraagd om met zijn allen de stad te verlaten. Men zag bijna niemand meer. Hele straten waren eenzaam en verlaten. Al wat we hoorden en zagen, was ontploffing en rook. De dag was schrikwekkend geweest en de nacht die er op volgde moest er niet voor onderdoen. Met altijd maar die bommen die alles verbrijzelden.
…. We (de familie van Marcel Vandeputte) woonden aan de overkant van de vaart (de huidige industriezone). In de verte kwam een gele smoor op. Alle soldaten liepen naar hun paarden en vluchtten weg. Een vluchtende Canadees die Frans sprak, zei tegen moeder dat als ze niet wilde gepakt worden door de Duitsers dat ze dan direct weg moest. Ondertussen was vader met de paarden terug van de weide aan de hoek Diksmuidseweg/Noordhofweg te Brielen. Hij bond ze direct vast aan de wagen en legde er twee koffers op. Het derde paard werd vastgebonden aan een kar. Achter die kar had vader de koe vastgebonden.
Zo waren we gevlucht met vader, moeder, grootvader, broer, twee zussen en ikzelf (Marcel). Mijn grootvader van 94 werd een eind door mijn vader gedragen en later ook op de wagen geplaatst. Hij weigerde eerst te vertrekken, wou blijven en vertrouwde in Onze-Lieve-Vrouw. We vertrokken dus richting Brielen om zo Vlamertinge te bereiken. Toen we naderden van de vaart was het onmogelijk om de houten brug – de Brielenbrug – over te steken.
Ze beschoten die te veel, zodat we dan een andere brug genomen hadden dichter naar Ieper toe. Deze houten bruggen werden gemaakt door de Canadese genietroepen. Zo konden we via kleine veldwegen langs Brielen tot in Vlamertinge geraken. Nadat we een tijdje in Vlamertinge verbleven hadden, kregen we het moeilijk om nog aan haver voor de paarden te komen. Samen met vader en moeder waren we teruggekeerd naar Brielen. Met de passavang in de hand gingen we naar onze vette weide gelegen te Brielen welke trouwens onze eigendom was.
Maar een beetje verder in onze weide waren soldaten bezig om ‘decouvillen’ te leggen, van die spoorweggetjes om ‘berlientjes’ – kleine wagonnetjes – aan te voeren. Een korporaal kwam direct naar ons toe en vroeg naar onze papieren. Vader moest mee naar de schuilplaatsen bij Essex Farm Cemetry, tegen het kanaal. Moeder en ik bleven staan en na enige tijd kwam vader terug, omringd door twee soldaten met de bajonet op het geweer. Ze gingen richting Boezinge en dachten waarschijnlijk dat vader een spion was. We werden weggejaagd en pas vier dagen later zagen we vader terug in Vlamertinge. Ze hadden hem – op verdenking van spionage – opgesloten in een zwijnenkot te Sint-Sixtus en pas enkele dagen later weer vrijgelaten.
…. De hele ochtend verhuisden we (Gustave Delahaye) de gewonden. Om 13u telefoneerde moeder-overste uit Poperinge dat ze stond te wachten aan de statie. Kapitein Young stelde direct zijn voertuig ter beschikking en we gingen haar samen ophalen. Moeder Stanislas kreeg de ogen vol tranen toen ze haar gesticht terugzag. Gravin Vandersteen was hier juist op bezoek. Mijnheer Van Raes ging naar zijn gesticht in de Torhoutstraat. Om 17u begonnen de Duitsers aan hun grote aanval. Ze begonnen tezelfdertijd aan een grote beschieting van de stad.
De bommen ontploften nu zowat overal en zaaiden dood en vernieling. Ieper stak vol rook en vuur en was het decor van een wilde vlucht. De mensen vluchtten huilend op de wegen naar Vlamertinge, Veurne en Dikkebus. Op dat moment lieten de Duitsers voor de eerste keer hun gas los over de linies. Hun target was de verbinding van de Franse en de Britse strijdkrachten en het waren juist de Marokkanen die, vergeven door de gassen met de keel toegesnoerd neervielen. De Duitsers braken nu zonder strijd door al die linies heen en na een uur zaten ze al tot tegen het Wieltje en aan de andere kant tot in Luzerne bij de vaart. En de hele tijd door beschoten ze de stad van alle kanten.
De mensen die er nu nog verbleven verscholen zich in de kelders en de kazematten. ‘De Oude Wachte’, een herberg aan de Menenpoort en de kleine abri erachter waar zich zesentwintig mensen schuilhielden, waren vernield. Rond 7u kwamen de eerste slachtoffers van het gas hier toe. De soldaten waren precies vodden en gaven allemaal over. We gaven de sukkelaars warme melk.
Mijnheer Van Raes kwam hier meer dood dan levend aangelopen. Hij wilde onder geen beding overnachten in het gesticht en vertrok naar Poperinge. De Friends voerden dadelijk al onze gewonden weg, met inbegrip van de militairen. De avond en de nacht waren echt wel verschrikkelijk. Aan de horizon stond alles in vuur en vlam. Om 23u zochten we wat rust op in de kelder maar niemand sliep.
Dit zijn fragmenten uit Boek 1915 van De Grote Kroniek van Ieper


