Begin juni 1383. De Ieperlingen hadden vernomen wat er gebeurd was met hun buursteden en vreesden niet zonder reden dat ook zij zouden overvallen worden. De wethouders deden dan uit voorzorg uitroepen dat elke inwoner, welke ook hun stand of hoedanigheid was, voor tenminste vier maanden levensmiddelen moest opslaan. Ze lieten die allemaal opkopen in het omliggende en lieten al het graan en andere eetwaren naar de stad voeren die ze ook maar konden krijgen. En om zich nog zo veel beter te kunnen beschermen tegen de vijandelijke aanvallen, lieten ze de stadspoorten in goede staat stellen en in gereedheid brengen met grof geschut en ander oorlogstuig dan hetgeen dan al in gebruik was. Omdat de koning van Frankrijk en de graaf van Vlaanderen al het salpeter van de stad al hadden aangewend in de slag van Westrozebeke, stuurden ze Ieperling Henrik Cantin naar Parijs om er een merkelijk deel van te kopen.
Om de kracht van de ingezetenen te vermeerderen, gaven de wethouders een gebod uit dat alle afwezige Ieperlingen moesten terugkeren naar de stad om die te helpen beschutten. Als ze dat niet deden, riskeerden ze hun leven en hun eigendommen te verliezen. Ook werden de buitenlieden van het omliggende die zich tegen alle invallen wilden beschermen, aangewakkerd om zich naar Ieper te begeven. Dit gaf aanleiding tot aan toevloed van menigvuldige landlieden die al hun hebben en houden meesleepten op een moment dat de vijand al in de buurt van de voorsteden genaderd was.
Poperinge werd al geplunderd op 8 juni 1383. De Engelsen naderden de stad Ieper voor de inwoners van hun komst op de hoogte gesteld werden. Want de werkklok had zoals andere werkdagen geluid en de ambachtslieden waren zonder de minste achterdocht aan het werk gegaan. Nu naderden de Engelsen de stad voor dat de inwoners hiervan op de hoogte waren en ze zonder achterdocht aan het werk gegaan waren.
De Gentenaars – tot twintigduizend in aantal – namen hun plaatsen in aan de oostkant van de stad, onder het bevel van François Ackerman, Pieter van den Bossche en Pieter de Wintere. Het leger van de Engelsen bestond uit vijftienduizend voetknechten en tweeduizend ruiters, dus was Ieper toen omringd door een krijgsmacht van zevenendertigduizend mannen. En dat aantal zou wat later trouwens nog versterkt worden met twintigduizend extra Gentenaars. Bij dat leger bevond zich een opmerkelijk aantal geestelijken uit Engeland gevoegd met het gedacht dat ze bij het optrekken tegen de vijanden van paus Urbanus hun zaligheid zouden verwerven. De Engelsen lieten grote vreugde zien bij de aankomst van hun bondgenoten. Ze onthaalden hen op een treffelijke wijze en verzekerden hen dat ze samen verenigd op korte tijd Vlaanderen voor hun geweld zouden doen buigen.
De eerste Ieperling die zich in staat van verweer stelde was Andries Paelding, de kapitein van de Boterpoort waar de Engelsen zich ook het eerst lieten zien. Deze kapitein gaf direct een signaal aan de inwoners die de Grote Markt bewaarden. De stormklok werd geklept om het volk van het gevaar te verwittigen. Dadelijk liep de gemeente in de wapenen en elkeen begaf zich naar de lakenhalle waar de benden zich onder hun kapiteins verzamelden en zich in slagorde opstelden. Vanwege de wethouders werd iedereen ervan verwittigd dat elkeen zijn plicht moest vervullen en wie dat niet deed, zou met de dood bestraft worden. Deze maatregel werd, gezien de omstandigheden waarin de stad zich bevond, door iedereen als rechtvaardig aanzien. Het leek er op dat van zodra het bekend was geworden dat de Engelsen en de Gentenaars Ieper zouden komen belegeren, de Fransen die er in bezetting lagen naar Rijsel vertrokken waren. Met uitzondering van twee Fransen; een zekere Renaud Dauphin en zijn gezel die zich met de inwoners hadden vervoegd om de vijand te helpen weerstaan.
Hoewel in die tijd de stad goed voorzien was van diepe grachten, bolwerken en wallen, versperd en ondersteund door doornen hagen die men ‘thuynen’ noemde en zo sterk gevlochten waren dat men er met de bijlen nauwelijks doorheen kon breken. Dat gebeurde op dezelfde wijze zoals de Nederlanders in de oude tijden hun verschansingen maakten. De Ieperse vestingwerken werden nochtans op een meer ontzaglijke manier versterkt en zoals we konden lezen was de stad ook met muren omringd. Deze versterking werd toevertrouwd aan Jan van Komen die rond het jaar 1383 het kasteel van Komen had laten bouwen. De voorzorg van de inwoners om hun stad in staat te stellen om zich te verdedigen tegen de verenigde legers van de Engelsen en de Gentenaars bij wie zich recent ook die van Brugge hadden gevoegd, zou misschien vruchteloos geweest zijn indien hun heldenmoed, hun eendracht, hun liefde voor het vaderland en hun trouw aan de graaf hen niet onoverwinnelijk hadden gemaakt.
De voorsteden waren veel, veel groter dan de eigenlijke stad en waren voorzien van vier kerken. Namelijk die van Onze-Lieve-Vrouw van Brielen (aan de noordzijde), die van Sint-Jan (aan de noordzijde), die van Sint-Michiel (aan de zuidkant) en die van het heilig Kruis (aan de westzijde). Er bestond binnen de stad Ieper een zekere vrees dat enkele ingezetenen van deze voorsteden zich weleens zouden kunnen aansluiten bij de Gentenaars en hun aanhangers. Ze hadden die uit voorzorg met hun goederen binnengetrokken in de stad.
Maar de binnenstad kon de buitenbewoners natuurlijk onmogelijk allemaal opvangen en dus waren veel mensen gedwongen om zich op andere plaatsen te gaan verschuilen. De Engelsen waren ondertussen al meer genaderd en belegerden nu al Ieper. Ze organiseerden in alle haast en met duizend mannen een aanvalspoging op de Tempelpoort. Die werd door de inwoners afgeslagen nadat een Engelse ridder, een zekere Willem Tarenson op een wit paard zich zonder opdracht van zijn makkers verwijderd had en door het grof geschut van de stad ter aarde was geveld.
De belegerden beschouwden dit in hun naïviteit als een goed voorteken en de Engelsen waren verwonderd dat de Ieperlingen die ze in hun tuinen aan het werk zagen, niet op de vlucht sloegen maar hen integendeel tegemoet traden. En dat terwijl de Gentenaars hen wijsgemaakt hadden dat de belegerden laf zouden zijn.
Dit is een fragment uit Boek 1381-1528 van De Grote Kroniek van Ieper


