banner
feb 10, 2026
122 Views
Reacties uitgeschakeld voor Bange momenten

Bange momenten

Written by
banner

November 1382. Filips van Artevelde leidde zijn mannen tijdens een geforceerde mars naar de noordkant van Kortrijk en liet hen op 25 november kamperen in de omgeving van het dorp van Rozebeke. Het kamp van de Vlamingen bevond zich in een sterke positie die in augustus 1380 nog gebruikt was door de voorpost van Lodewijk van Male voor die de slag van Diksmuide was aangegaan.

Het kamp strekte zich uit op een hoogte, achter een beek, door hagen onderbroken en bedekt met kreupelhout. De zwaarbewapende Franse ridders zouden het moeilijk hebben om zich met hun met ijzeren schilden bedekte paarden op dergelijk terrein vlot te bewegen. Het Vlaams leger schermde Roeselare, Diksmuide en Torhout af en dekte ook Brugge. En moest het nodig zijn, konden ze ook in versnelde pas ter hulp komen van Ieper of Oudenaarde waarvan het beleg nog altijd aan de gang was.

De eerste Vlaamse steden kregen al te maken met vreselijke gebeurtenissen. Na de oversteek over de Leie hadden de Franse voetmannen Wervik geplunderd en in brand gestoken, een stad die zijn burgers verrijkte met zijn lakennijverheid. De Fransen lieten zich weldra zien tot onder de muren van Ieper. Een zekere kapitein Pieter Van den Broucke (volgens Kervyn), Pieter Wavelaere (volgens de lokale kroniekschrijvers) of Wanselare (volgens Froissart) was belast om de stad Ieper te verdedigen.

Deze kapitein waagde een stoutmoedige uitbraak en kon de plunderaars verdrijven. Terwijl de heer van Saimpy en zijn moedige ridders dapper vochten om toe te laten dat de konstabel van Frankrijk ook over de Leie zou geraken, hield de Franse koning Charles VI zich voorzichtig op in de abdij van Marquette, niet ver van Rijsel.

Nadat de overwinning een feit was, kwam hij af naar Komen en hij bracht er de nacht door te midden van de brandende restanten en as van deze stad, nu al overtuigd van de totale overwinning van zijn troepen. De volgende ochtend trok de koning met zijn leger naar Ieper. Lodewijk van Male – aan het hoofd van zijn wapenlieden – trok op met de voorpost van de veroveraars van zijn land.

Nog in de loop van de avond van diezelfde dag sloeg Charles VI zijn kamp op ten zuiden van Ieper, op de hoogten van het gehucht van Sint-Elooi, een plateau dat zich uitstrekte van Wijtschate tot aan de stad van Mesen. ‘s Anderendaags trokken er Franse bevoorraders door het platteland. Ze troffen er overal veel goederen aan, beesten en andere levensmiddelen dat het een lieve lust was.

Overtuigd van de toespraken van Filips van Artevelde dat de Fransen nooit in staat zouden zijn om de Leie te overschrijden, hadden de landbewoners niet eens de moeite genomen om ook maar iets in veiligheid te brengen. Zelfs de stedelingen van het Westland hadden niets voorzien en die van Waals Vlaanderen hadden zelfs hun goederen en veestapel tot over de Leie gevoerd.

Bij hun terugkeer naar het koninklijk kamp, lieten de bevoorraders aan hun konstabel weten dat de dorpelingen zich overal bewapenden en verenigden. Dat was ook de reden waarom de Fransen na een vals alarm al hun kamp opgedoekt hadden in Komen. Maar het was toch duidelijk dat de volksrevolutie volop aan de gang was. Gewapende benden landlieden konden op zijn minst schade toebrengen aan het koninklijk leger om zich bij gevaar snel terug te trekken.

De kapiteins van de koning kwamen samen over de te nemen maatregelen. Moesten de Fransen het beleg van Ieper aangaan, deze versterkte stad? Moesten ze hun legerkamp opslaan bij de Leie te Kortrijk en de diverse overgangen van de rivier bewaken? Of moesten ze direct op Brugge marcheren, een stad die er momenteel deels ontmanteld bijlag in opdracht van de ruwaard en bewoond werd door talrijke leliaards?

Ook in Ieper hielden ze overleg. De kampvuren van het Frans leger te Wijtschate konden ze hier zien vanop de belforttoren en zelfs de vestingen lieten de burgers zich herinneren aan een van de meest trieste pagina’s uit hun geschiedenis. Het was immers vanuit Wijtschate dat een andere Franse koning – Filips van Valois – in september 1328 en na de slag van Cassel de Vlamingen in zijn zogezegde genade ontvangen had.

Het was toen op 8 september 1328 geweest dat deze zegevierende koning de overwonnen Ieperlingen zijn keiharde voorwaarden had opgelegd. Die trieste herinneringen waren hier nog altijd levendig achtergebleven. De Grote Raad van de stad werd nu samengeroepen. De raadsleden die de notabelen en de rijke burgers vertegenwoordigden, stelden voor om gedeputeerden naar de Franse koning te sturen om Ieper om vergiffenis te vragen en om hem de sleutels van de stad te overhandigen.

Maar de Gentse kapiteins die in opdracht van Filips van Artevelde de plaats moesten houden en verdedigen, weigerden fanatiek om zich over te geven. Volgens hen was Ieper goed beschermd en beschikte het over de nodige voorraden. De ruwaard zou het leger van de Franse koning verslaan en dan het beleg komen opheffen. De burgers reageerden dat Vlaanderen niet bij machte was om het Franse leger te verslaan zonder de hulp van de Engelsen. En volgens hen bestond er nog altijd geen getekend verbond met koning Richard II. Na hevige debatten trokken de notabelen aan het langste eind. Pieter Wavelaere, de kapitein van Filips van Artevelde werd gearresteerd. Al wat klauwaards was, verliet de stad om zich te gaan aansluiten bij het Vlaamse leger.

Twee broeders predikheren werden vervolgens naar het kamp van de koning gestuurd. Met het mandaat om een vrijgeleide te vragen zodat de commissarissen van de stad met hem konden onderhandelen over de onderwerping. Deze vrijgeleides werden toegestaan. De abt van Voormezele, vergezeld van twaalf Ieperse burgers die verkozen waren door de Grote Raad, begaven zich naar Mesen waar koning Charles VI zich ophield.

Ter plekke gekomen, wierpen ze zich allen op hun knieën voor hem en smeekten ze om vergiffenis. Ze gaven de stad in zijn handen en lieten die over aan zijn willekeur. Volgens onze kroniekschrijvers leverden ze eveneens kapitein Wavelaere uit aan de Fransen. Na advies van Lodewijk van Male en zijn schoonzoon Filips de Stoute die hun graafschap de vernieling wilde besparen, pakte koning Charles VI de Ieperlingen rustig aan behandelde hij hen met zachtheid. Die liet dus zijn rancune varen.

Nadat hij kapitein Wavelaere had laten onthoofden, ontving hij de abt van Voormezele op vriendelijke manier en vergaf hij de Ieperlingen. Geen van hen werd ter dood veroordeeld, niemand werd verbannen en de stad kon rekenen op gratie. Mits Ieper bereid was om hem de som van 40.000 franken te overhandigen om de koning te helpen met het bekostigen van een deel van de kosten van deze oorlogscampagne. De Ieperlingen hadden zich beslist verwacht om strenger en harder ontvangen te worden.

Vrij snel accepteerden ze de opgelegde voorwaarden en ze nodigden de koning en zijn ooms uit om zich te komen verfrissen in de stad, met de woorden dat de goede lieden hen met grote vreugde zouden ontvangen. De Ieperse magistraten, blij dat ze in genade ontvangen waren en met de opgelegde voorwaarden, stortten onmiddellijk het gevraagd bedrag. De banieren van de Franse koning werden al geplaatst boven het Ieperse stadhuis waar ze die van de graaf flankeerden. Hoewel die laatste vlaggen lager geplaatst waren.

Op vraag van de graaf om Ieper niet te laten plunderen door de Franse soldaten had Charles VI er in toegestemd om Ieper niet te laten bezetten door zijn wapenlieden. Hij gaf bevel dat ze dichterbij moesten komen. De Fransen lieten Sint-Elooi en Wijtschate achter zich en sloegen hun tenten op aan de buitenzijde van Ieper, op de hoogten rond de vijver van Zillebeke. Ondertussen bleven de Franse bevoorraders het platteland toetakelen.

Volgens Olivier van Diksmuide kwam er zelfs een bende soldeniers van vierduizend mannen door Ieper. In de stad ontstond er grote paniek dat het toch tot plunderingen zou kopen. Op verzoek van het Ieperse magistraat kwam Lodewijk van Male toegelopen en verhinderde hij dat de Franse uitspattingen zouden verrichten tijdens hun doortocht. Die wapenlieden lieten daarop Ieper achter en begaven zich naar Poperinge. De Fransen bezetten deze kleine stad zonder slag of stoot en plunderden en vernielden de inboedel.

De inwoners van de kleinere steden van het Westland vreesden eenzelfde behandeling te ondergaan. Ze hadden vernomen dat die van Ieper hun kar gekeerd hadden en nu opnieuw een pro Franse stad was geworden. En vooral dat de koning genade had getoond. Ze beslisten nu op hun beurt om zich eveneens aan Charles VI te onderwerpen. De koning was ondertussen met zijn hofhouding binnengekomen in Ieper. De volgende ochtend kwamen de afgevaardigden van de steden en de kasselrijen van Grevelingen, Broekburg, Duinkerke, Sint-Winoksbergen, Cassel, Veurne, Belle, Mesen, Poperinge, zeg maar alle stadjes van het Westland en de omgeving zich voor de voeten van de koning gooien en smeekten ze hem om vergiffenis.

Ze hadden allen de sleutels van hun stad bij zich en allen sleepten hun gevangen Gentse kapiteins met zich mee. Volgens hen waren die hen opgedrongen door de ruwaard. Charles VI liet al die kapiteins onthoofden op een brug voor één van Iepers stadspoorten. Hij schonk aan al die gedeputeerden eveneens gratie en legde hen natuurlijk ook een oorlogscontributie op, een som die opliep tot 60.000 frank. Hij eigende zich het recht toe om hun gronden, veestapel, levensmiddelen en andere goederen in beslag te nemen die konden gebruikt worden in zijn leger.

Dit is een fragment uit Boek 1381-1528 van De Grote Kroniek van Ieper

Article Categories:
1381-1528
banner