Zaterdag 6 mei 1662. Er werd begonnen met de overwelving van de Ieperlee bij de oversteek van de Leet, voor de Sint-Maartenskerk, op de plaats waar zich twintig jaar eerder een kaaimuur bevond en waar de boten hun goederen aflaadden, op de plaats die men de Lentemarkt noemde. Men profiteerde van de vrede die afgesloten waren tussen Lodewijk XIV en Filips IV om in Ieper enkele werken uit te voeren. Het was dan al een hele tijd geleden dat er nog iets gedaan was voor het gemak en het gebruik van de inwoners.
De Ieperlee liep dan open en bloot door de stad en die was in een lamentabele toestand. Het afval dat men er gebruikelijk in deponeerde, verspreidde een onaangename stank en het water stroomde er maar flauwtjes doorheen en was niet meer van die aard om nog te gebruiken voor de scheepvaart. En daarom nam men het besluit om de stroom te overwelven. Dit project werd dit jaar aangevat met de werken aan de Kleine Markt en zou korte tijd later voortgezet worden op een manier dat de Ieperlee in de jaren 1800 nog amper te zien zou zijn in Ieper-stad.
Zondag 7 mei 1662. Aan de Kaai of de vaart van het Iepergeleet waar de schippers pleegden aan te komen, begon men met het overwelven van het water om daarboven een lentemarkt te maken. De eerste steen werd gelegd door de heer Charles de Cerf die dan voogd was van de stad. Deze fosseure werd begonnen aan de Elverdingestraat en voltrokken tot voor het straatje genaamd ‘Het Schotje’ bij het oude Vleeshuis, op de plaats die voordien altijd ‘De Leet’ genaamd werd ter oorzake van de rivier het Iepergeleet waar de schepen aanmeerden. Sedertdien was die plek omschreven als de ‘Lentemarkt’ omdat men korte tijd later die markt van groenten en lenteproducten als haver, bonen, erwten, sukrioen en andere gehouden had.
Vrijdag 16 februari 1663. Daags voor het Kattenfeest bracht men de Lentemarkt die tot dan altijd gehouden werd voor de schandpaal op de Grote Markt nu over naar de Leet. Deze Lentemarkt was de plaats waar men alle slag van bonen, erwten en vitsen (wissen) verkocht, net zoals kamillezaad, koolzaad, lijnzaad, haver, enz. Die markt kon daar nu gemakkelijk plaatsvinden aangezien de Ieperlee hier vorig jaar overwelfd was geworden, naar verluidt met een deel van de stenen kanonballen waarmee de Engelsen en de Gentenaars de stad beschoten hadden in 1383. Omdat Ieper in die jaren diende als stapelplaats voor de haver in het gewest, hoefde het niet te verwonderen dat de ‘Lentemarkt’ ook wel eens als ‘Havermarkt’ werd omschreven.
Donderdag 10 mei 1663. Het ambacht van de schippers had een schoon en treffelijk huis doen bouwen aan de westkant van de Boezingestraat, over de vaart. De eerste steen werd gelegd door de oudste gouverneur van het ambacht. Dit huis werd gebouwd op kosten van de gilde van de schippers, in dewelke ze een schone kamer lieten maken die als vergaderplaats zou dienen.
Want voordien beschikten ze niet over een eigen huis en pleegden ze te vergaderen in de herberg genaamd ‘Den Droogenboom’, dat was het hoekhuis van de Sterrestraat op de nu bestaande Botermarkt. Hun nieuw schippershuis werd zeer kunstig opgebouwd met Brabantse stenen kasseinen, zowel aan de achterkant als aan de voorzijde. En in de voorgevel werden in kalksteen twee schone schepen gesneden en van boven in het midden werd een schoon kapelletje geplaatst met het beeld van hun patroonheilige Clemens. Boven de voordeur werd een portaal gebouwd om in het droge te staan op de trappen.
Het huis was voor de schippers een groot gerief wanneer ze met hun schepen langs de Iepervaart en via de Boezingepoort aan de westzijde binnenvoeren op weg naar de Leet waar de kraan stond om de schepen te lossen en als Kaai diende. En toen de schepen weer vertrokken van de Leet op weg om de Boezingepoort weer uit te varen, zo moesten ze altijd voorbijkomen voor dat huis waarin ze veel goederen losten en oplaadden vermits de woning diende als pakhuis.
De Ieperlee die door een deel van de Boezingestraat in openlucht stroomde, werd in dit jaar 1686 overwelfd en zo ontstond er een ruime plaats waar later de beestenmarkt naartoe zou gebracht worden en die men dan ook zou benoemen als de Veemarkt.
In 1714 werd binnen Ieper de vaart of de rivier het Ieperleet achter het klooster van de paters discalsen (de geschoeide karmelieten in de De Montstraat) overdekt met een stenen gewelf daar waar de vaart altijd open was gebleven. Er bestond daar geen andere doorgang dan een klein smal straatje langs de muur van de discalsen. Toen de vaart daar effectief overdekt werd, had de stad daarboven een schone en gedienstige Vismarkt met vooraan en achteraan een schone stenen poort doen maken zodat ze die Vismarkt bij nacht konden afsluiten. In de grote voorpoort langs de Boterstraat werd een Neptunus gehouwen, zittende op een wagen en voortgetrokken door twee zeepaarden. Gesneden door de vermaarde beeldsnijder meester Louys Ramaut. De vroegere Vismarkt was van te voren tegen de blinde muur, bij de achterpoort van het Belle gasthuis.
Juli 1738. Het magistraat van Ieper liet de vaart van het Ieperleet met welfsels overdekken, dicht bij de westzijde van de Mesenpoort, beginnende van aan het officiershuisje tot aan de hoek van de burgerhuizen. In het fundament van deze gewelven werden gemetst drie à vier stadskarren vol van stenen bollen ingemetst. Die bollen waren in het stadhuis bewaard gebleven sinds het beleg van de Engelsen in het jaar 1383. Voor die tijd ging men daar over het Iepertje om van de Zuidstraat naar de vesten te gaan. Dat gebeurde over een houten brug die naast herberg ‘Het Lammeken’ uitkwam.
Dit zijn fragmenten uit Boek 1600-1784 van De Grote Kroniek van Ieper


