Woensdag 28 april 1915. Ze wekten me (Camille Delaere) om 5u in de ochtend. Dit keer was het prijs in de Klaverstraat. Bij Gustave Baratto. Een obus was in een keuken gedropt waar op dat moment een tiental personen sliepen. Het was een smalle ruimte vol tegen elkaar liggende matrassen en strozakken. De inslag bleek direct fataal voor Baratto’s echtgenote Elodie Baelde en zijn schoonmoeder Emerence Debruyne. Gustave Baratto zelf en zijn zoontje Tarcicius van tien jaar werden naar het klooster vervoerd. Ze zouden er allebei na enkele uren van vreselijke pijnen een afzichtelijke dood sterven. Zijn schoonbroer Maurice had een voet die zo goed als afgerukt was en die dokter Van Robaeys noodgedwongen moest amputeren. Alleen de drie kleinste kinderen van Baelde kwamen er heelhuids van af.
Na mijn misdienst riepen ze me op vanuit de Diksmuidestraat. Ik liep ernaartoe met zuster Livine. We troffen er in de brasserie Vermeulen een dood kind aan. Félicie Duprez, een meisjes van tien jaar. Haar broertje Désiré van twaalf was dodelijk verwond en er lag nog een andere jongeman te kreunen maar diens wonden zouden achteraf best meevallen. Ik beleefde er hartverscheurende momenten van eindeloze vertwijfeling en troosteloosheid. Bij mijn terugkeer trof ik een barmhartige familie aan. Mevrouw Van Uxem toonde zich bereid om zich te bekommeren over de drie kleine kinderen Baelde in afwachting dat ze naar het weeshuis zouden worden gebracht.
Terwijl ik die opvang voor die arme kleintjes aan het regelen was, viel nu een obus binnen in een woning bekend als ‘Het Zuiden’ aan de overkant van de Rijselstraat. Ik holde er direct naartoe. De jonge Julie Debacker was getroffen in de dij en haar arm bleek doorboord door een stuk shrapnel. Haar zus was lichtgeraakt, de shrapnels bleven maar vallen en af en toe moeide een obus er zich ook nog mee. Onze onvermoeibare verpleegster ging op zoek naar auto’s. De Friends hadden helaas voor haar de augustijnen achtergelaten voor Poperinge. Dankzij de inschikkelijkheid van de gendarmerie die een cyclist naar Poperinge stuurde konden de vrienden alsnog twee voertuigen sturen.
Ze namen Emile Baelde, zijn zoon en schoonzuster mee, met Achiel Pinceel, zijn echtgenote Victorine Ommeslag en nog twee andere gekwetsten. Drie van mijn mannen begaven zich in de namiddag naar het kerkhof om er twee lijken te begraven. Ik zag ze buiten adem terugkeren. Het bleek dat de weg naar Menen geweldig gebombardeerd werd. Heel wat Hindoe-soldaten lagen er in hun loopgraven en in de stad zelf vielen weer heel wat geblesseerde mensen te melden. Ik liep naar de Oude Houtmarktstraat en naar de Rijselpoort waar Henri Seys naartoe gebracht was. Een wagen van de Friends kwam hem ophalen samen met de twee meisjes Debacker. Bij mijn terugkeer hield ik even halt bij het Nazareth voor een kort moment van bezinning om dan snel terug te keren naar mijn klooster. Onderweg spatte een shrapnel uiteen zowat twintig meter achter mijn rug. Maar buiten een enorme stofwolk had ik niet te klagen. Meerdere mensen hadden de inslag zien gebeuren en dachten al dat het afgelopen was voor mij.
Het einde van deze man, maar God moest daar nog niet van weten. Ook Melle Cloostermans mocht van geluk spreken. Ze was geraakt in de dij maar dat bleek achteraf alleen maar te gaan om een pijnlijke bloeduitstorting. De nacht die volgde bleef beangstigend met een regen aan obussen op het Sint-Pieterkwartier. Drie exemplaren donderden neer op het klooster van de zwarte zusters en sloegen weer eens nieuwe putten in mijn tuin. Een grote populier was tot aan de grond afgerukt en netjes tegen de kerkhofmuur van het Sint-Maartens geplaatst. En bij het Nazareth lag een muur plat. Gelukkig eens zonder menselijke drama’s. Mensen die zich hier nog naar buiten begaven waren trouwens een zeldzaam gegeven geworden.
Dit is een fragment uit Boek 1915 van De Grote Kroniek van Ieper


