Zondag 30 september 1934. Wie – na de oorlog – hun platgeschoten woonhuizen kwamen heropbouwen en weer bewonen, bewezen hun gehechtheid aan een grond waar hun wieg stond en waar hun vaders en verwanten, hun vrienden en dappere verdedigers onder hun ogen bleven rusten. Wie in Ieper geen huis hadden en er een bouwden, staken wel en wijs hun gespaarde geld in een vaststaande, groeiende geldwaarde omdat Ieper een wereldbekende en alom gewaardeerde martelaarsstad werd, waar de vreemdelingen meer en meer kwamen en terugkeerden.
Het was met voldoening dat we Ieper ‘s bevolking sedert de oorlog van 0 tot ongeveer 16.000 inwoners zagen groeien en het getal huizen van 0 tot omtrent 4.000 zagen klimmen. Het was met voldoening ook dat we de vooroorlogse eigenaars hun huizen zagen heropbouwen en weer gingen bewonen, en bouwgrond zagen verkopen. Zowel buiten als binnen de stad, om goede en gezonde woonsten te maken in vervanging van de tijdelijke armetierige barakken.
Het was met voldoening nog dat we de Ieperse bouwmaatschappij ‘Ons Onderdak’, de Froidures, de De Plancques, de Mahieus de Delhems en andere te verpachten huizen zagen bouwen in de verlengde Tegelstraat, in de Beluikstraat, in de Basculestraat, in de Sint-Jacobstraat, in de Sinte-Godelievestraat en elders.
En het was met nog meer voldoening dat we zoveel werklieden en minder vermogende wakkere en wijze lieden die het beu waren van jaarlijks 1.200 frank tot 2.000 frank huishuur te betalen, nu elk een perceel bouwgrond zagen kopen en hun eigen huis zagen bouwen naar hun eigen zin. Vooruit, werkzame en spaarzame werklieden en bedienen, verhaastte de gelukkige tijd waarop ieder huisgezin aan Ieper, door een eigen huis, zou gehecht zijn.
Staat, stad en openbare onderstand die reeds veel bouwgrond verkocht hadden langs de oude ruiterijkazerne, langs de steenwegen naar Vlamertinge, Veurne, Brugge, Menen en Rijse zouden beter de minder vermogende man laten genieten van een 50% afslag op de kosten bij de aankoop van bouwgrond, van provinciale bouwpremies en de mogelijkheid om goedkoop geld te ontlenen aan Ieper ‘s leenmaatschappij ‘Eigen Heerd’!
Maar wat moest er moest gebeuren met het Minneplein? Verkopen! Vooreerst omdat er geen gebruik van gemaakt werd. Voor de oorlog – toen Ieper een bataljon voetvolk en de rijschool bezat – was het Minneplein nodig voor de krijgsoefeningen van het leger. Maar voetvolk en ruiterij waren weg van Ieper en zouden vermoedelijk wegblijven. Het Minneplein werd voor de oorlog éénmaal per jaar gebruikt voor paardenkoersen maar niet meer sinds de oorlog. Het zou ten andere daartoe eerst nog eens goed moeten geëffend worden.
De paardenkoersen die te Ieper plaatsvonden sedert de oorlog gebeurden in Lagrou’s weide tussen Ieper en Brielen en konden daar verder doorgaan. Na de wapenstilstand werd het Minneplein bezet met tijdelijke burelen en barakken voor de eerste teruggekeerde Ieperlingen. Maar ze werden weggenomen van zodra Ieper en de Ieperlingen stenen gebouwen kregen en het was te hopen dat Ieper nooit meer zou platgeschoten worden.
Nu lag het Minneplein sedert lang ongebruikt. Wat men bezat, had maar waarde door het gebruik dat men er van maakte. Een gierigaard had zijn spaarpot gedolven en kwam er nooit meer aan. Op zekere dag stelde hij de verdwijning ervan vast en was er ontroostbaar om. Lafontaine lachte met hem en zei ‘leg een steen waar uw spaarpot was; een steen is een onaangeroerde geldpot waard!’.
En dat terwijl het net zo voordelig kon verkocht worden als de Tribloc bij de zwemplaats op 25 september laatstleden waar de Ieperse groep rond Gustaaf Mahieu 10,13 frank/m² betaald had voor de 2,32 hectare. Daaruit volgde dat het Minneplein voordelig zou kunnen verkocht worden als men het openbaar te koop zou stellen. Maar wie mocht of moest het te koop aanbieden? De stad kocht het mondeling van de Staat die de koopprijs in mindering afhield van de verschuldigde vergoeding voor oorlogsschade.
Bij ons weten werd de koopakte nooit verleden, geboekt ter registratie, noch overgeschreven ten kantore der hypotheken. Veel meer zelfs; de gemeenteraad was teruggekomen op zijn vroegere aankoopbeslissing en had beslist om er afstand van te doen mits de achtergehouden vergoeding voor oorlogsschade te ontvangen. De Staat zelf reageerde niet en zei noch ja noch nee, maar bleef wel de verschuldigde vergoeding achterhouden.
Dat de Staat dus het akkoord met de stad inziende, het Minneplein nu moest verkopen in zijn eigen voordeel en uiteindelijk de achtergehouden vergoeding voor oorlogsschade aan de stad zou betalen met de verkoopprijs van het Minneplein. De stad die het jaar 1933 afgesloten had met een tekort van 524.352 frank, zou haar geldnood zien verminderen en wie het Minneplein kocht, zou er hopelijk geld mee verdienen en werk en inkomen aan werklozen kunnen bezorgen.
Dit is een fragment uit het Boek 1925-1945 van De Grote Kroniek van Ieper


