Januari 1584. De stad van Ieper was nu al een hele tijd belegerd door de Spanjaarden en daardoor konden er geen levensmiddelen meer in de stad geraken. Al de beschikbare proviand was opgegeten maar toch wilden de gereformeerden de stad niet overgeven. Hoewel de mensen stierven van de honger en alles ziekelijk duur was. Een pond boter kostte 16 stuivers, een maatje tarwe 3 pond, 25 eieren werden verkocht voor 28 stuivers, een pond schapenvlees 90 stuivers. Te langen laatste werden al de katten, honden en paarden opgegeten. De arme lieden aten brood dat gemaakt was van draf of oliekoeken of kakkoeken die men gewoonlijk aan koebeesten gaf.
En daardoor waren volgens Thomas Deraeve veel personen gestorven. Hijzelf en zijn familie aten niets anders dan rijst en witte droge bonen waarvan hij voor de winter gelukkig een grote voorraad had opgeslagen. Want vlees, boter en brood waren niet langer te verkrijgen.
Die van Brugge vernamen in welke grote nood de Ieperlingen verkeerden en zonden een nieuw konvooi met een deel van hun garnizoen. Toen ze ter hoogte van Spanjaardsbeek – op 3 à 4 mijl buiten Brugge – kwamen, werden ze door de vijanden besprongen en werd daar zeer vreselijk gevochten zodat er aan beide zijden veel doden vielen, maar uiteindelijk kregen de vijanden de overhand en hadden ze het konvooi verslagen en naar hun versterkingen gevoerd. De meeste begeleiders werden gedood en wie kon vluchten, kwam in onze stad gelopen met het droevig bericht dat al die bevoorradingswagens door de vijand veroverd waren, waarover iedereen zeer mistroostig was.
De prins van Parma zond een heraut naar Ieper om onze stad op te eisen en hij bood daarbij zeer favorabele voorwaarden aan, zowel voor de gouverneur als voor de burgers en hij beloofde om een genadige heer te zijn. Maar de Ieperlingen bleven koppig en wilden niet van zijn voorstellen horen. Zodat de prins genoodzaakt was om zijn blokkade verder te zetten en het beleg nog te versterken om de stad nog meer in benauwdheid te brengen en te beletten dat er van geen zijden iets nog in de stad zou kunnen geraken en zodat de honger in de stad van langs om erger werd.
Februari 1584. De spijzen en de voorraden begonnen zeer te mankeren en daarom kon ik niet laten van hier te beschrijven aan welke prijs men elke soort van eetwaren verkocht binnen de stad zodat eenieder zich een beeld kon vormen hoe triest het gesteld was omdat de inwoners veel ongebruikelijke dingen moesten eten. Ten eerste gold het paardenvlees 4 stuivers per pond en de boter 6 schellingen. Wat betrof het brood, wit of bruin, vond men er in de stad geen meer te koop en zo er toch iemand nog wat koren bezat werd die heel secretelijk verborgen en maalde men ‘s nachts een klein beetje met een handmolentje zodat niemand daarvan zou weten.
Een ei koste voorts drie stuivers, een stoop lijnzaadolie gold een pond, schapenvlees kostte 24 stuivers per pond, de Hollandse kaas verkocht men voor 1 gulden per pond, de karnemelk 1 gulden per kruik, de zoete melk 5 stuivers per pint. Hooi werd verkocht aan 4 Vlaamse ponden maar eigenlijk was er noch hooi, noch stro, noch kaf meer te vinden in heel de stad.
Een mand draft kostte 6 schellingen, 25 rapen golden 4 ponden. Ja, door de hongersnood aten ze katten, ratten en muizen en hadden ze er geen genoeg dan konden ze een kat kopen voor 1 gulden. Een schinkel van een melkkoe gold 1 pond, een varkenshoofd 2 ponden. Een ton bier kostte 28 ponden. Een nuchter kalf gold 18 ponden. En door gebrek aan meel en koren bakten ze in Ieper koeken of brood van lijnzaadmeel en van mout. Je moest je eens inbeelden welke smaak dat zou hebben. Ze smolten kaarsroet en olie samen om te eten in de plaats van boter. Samengevat: alle eetwaren waren om ter duurst. Uitgenomen het zout, want dat ging nog aan een redelijk prijs. De stad was er immers zeer goed van voorzien. Ook andere goederen waren goedkoop. Zo kon men een pluimen bed kopen voor een stuiver. Men mocht dan wel zacht slapen maar eenieder was toch wel bezorgd waar hij de volgende dag aan eten zou geraken en om de wetenschap dat deze kwestie heel hun leven domineerde.
De grote armoede en extreme hongersnood waren niet onbekend bij de omliggende steden. Zo was er vandaag nogmaals een konvooi van Brugge naar Ieper gekomen, bestaande uit 74 wagens geladen met alle soorten van levenswaren, met veel voetvolk en ruiters om het konvooi te bewaken. De vijanden werden daar door hun spionnen van verwittigd en hadden dit konvooi aangevallen bij Hangemansbeek. Er werd opnieuw zeer hevig gevochten waarbij aan beide zijden veel mannen gedood werden, maar uiteindelijk hadden die van de versterkingen de overhand gekregen en al de wagens met levensmiddelen veroverd en al het volk gedood dat ze te pakken konden krijgen.
De bloedstorting was zo groot dat het water van de Hangemansbeek rood geverfd was en dat het water in de beek zo vloeide alsof het geregend had. Tijdens het gevecht werden ook veel burgers gedood die het konvooi ter hulp gekomen waren. Bij de gesneuvelden bevonden zich kolonel Boodt met de sergeant-majoor van de Schotten, en luitenant Brius en nog veel andere officieren en soldaten. Kapitein Kaaskerke werd gevangengenomen. Het was ongetwijfeld een waarheid dat tijdens dit fel gevecht veel soldaten en burgers het leven lieten.
Het was zeer deerlijk om al het brood, kaas en boter op het veld te zien liggen met in het achterhoofd het groot gebrek eraan in de stad. De vijanden behielden zo het veld en bemachtigden al de bevoorradingswagens die ze de volgende dag voerden en deelden in de diverse kwartieren en sterken van hun leger. Ze bedreven grote blijdschap met al hun eten en maakten grote sier over hun buit en de overwinning die ze bekomen hadden.
Zeven dagen na het gevecht aan de Hangemansbeek was hier in Ieper een soldaat aangekomen, moedernaakt, wezende een Schot die voor dood was blijven liggen op het veld en bij bewustzijn was gekomen nadat de vijand al met de buit was vertrokken. De man had zich in een haag verstopt, en van daar in een bosje en hij was tenslotte in een schuur beland. Hij had daar zo lang zonder eten of drinken gelegen en op de zevende dag was hij zeer machteloos in de stad gekomen. Ze voerden hem naar het gasthuis waar hij achteraf van zijn kwetsuren genas.
De Spanjaarden hadden de stad van Ieper helemaal ingesloten gehouden en het werd hier van langs om benauwder. Er stond een grote hongersnood. De geuzen van Brugge die het bevel voerden over Ieper hadden middelen gezocht om hun vrienden van Ieper te spijzen. Tijdens de nacht van 16 februari laadden ze honderd volle karren met 400 hoeden koren, meer bepaald 6.400 zakken à 50 kilo dus 320 ton graan of 3,20 ton per wagen. Met daarbij nog extra munitie en andere levensmiddelen. De karavaan vertrok naar Ieper onder begeleiding van 250 ruiters en 500 voetknechten.
De Spaanse krijgsoverste Van Werpius, stadhouder van de forten die de Spanjaarden voor Ieper hadden geconstrueerd werd op de hoogte gebracht van de op komst zijnde kolonne die de geuzen van Brugge naar Ieper aan het transporteren waren. Hij informeerde onmiddellijk een deel van zijn manschappen en vorderde een bende lansiers op van kolonel Karel de Luna uit Diksmuide.
De Spanjaarden gingen daarop in een hinderlaag spannen voor hun op komst zijnde vijanden uit Brugge. Ze waren hen zo onverhoeds op het lijf gesprongen. Na een hard gevecht werd de vijand uit elkaar geslagen waarbij wel vijfhonderd doden vielen. De buit in de karren werd verdeeld onder de winnaars en een deel werd naar de forten voor Ieper gebracht en moest dienen voor diegenen die de stad belegerden. ‘s Anderendaags liepen sommige Spanjaarden tot aan de vestingen van Brugge. Ze lachten hen uit en bedankten de Bruggelingen voor al dat graan.
Ze vroegen hen spottend of er nog nieuwe ladingen op komst waren om het proviand van de Spanjaarden te vergroten. Toen binnen Ieper bekend werd dat de geuzen van Brugge dat groot konvooi zouden opsturen naar hun stad waren heel het garnizoen en een menigte van calvinistische burgers de hele nacht op de been om van het eerste signaal klaar te staan om de poorten te openen en met alle geweld een uitval te doen om met man en macht de toegezonden voorraden in de stad te kunnen krijgen. Want de honger was bij bepaalde mensen zo groot dat er iedere nacht wel enkelen van de honger stierven en die vond men dan de volgende morgen dood terug.
Maar als men ‘s anderendaags vernam dat de Spanjaarden de gezonden voorraden van levensmiddelen en wapens hadden afgenomen, dan begonnen de geuzen de moed te verliezen. Een grote menigte van vrouwen en kinderen kwam postvatten voor de woning van de gouverneur. Ze verzochten hem dat hij de stad zou willen overgeven want als dat niet gebeurde zij allemaal wel van de honger zouden sterven. De gouverneur had hen met veel beloften gepaaid.
Terwijl de ketters het binnen Ieper zo benauwd begonnen te krijgen en geen kansen meer zagen om nog verder geholpen of ontzet te worden, begon de ene na de andere geus zijn goederen te verkopen zodat ze dan gemakkelijker uit de stad zouden kunnen ontsnappen. Men kon dan voor een kleine prijs schone meubelen en kostbaar huisraad van bedden, koper, tin en anderen zaken kopen, voor een bagatel wist Thomas Deraeve te vertellen. Zo had hij zelf twee schone ‘pluimen’ bedden gekocht voor 6 schellingen en drie Spaanse dekens voor 3 schellingen, vier grote koperen marmieten voor 4 schellingen. Het meeste deel waren trouwens gestolen goederen die eerder geplunderd waren in de kloosters.
Dit is een fragment uit Boek 1529-1599 van De Grote Kroniek van Ieper


